hamburger_icon

Wiki

Dag beste Geoloog of Geoloog in wording!

Verheugt uzelf, want u hebt de weg gevonden naar de Wiki. Op deze plek kunnen we elkanders kennis delen en bundelen tot een machtige vuist die zal inbeuken op de tiranie der examenvragen!

Natuurlijk hebben we ook jullie hulp nodig om de Wiki up-to-date te houden. Zeker nu de opleiding aangepast is geweest zijn er veel vakken verdwenen en bijgekomen, hebben vakken nieuwe proffen gekregen en zullen soms nieuwe cursussen en practica gegeven worden.

Twieoos kan je altijd opgeven in deze form.

Bachelor - Jaar 1

Algemene chemie 1

Docent

Klaartje De Buysser

Klaartje De Buysser is een van de beter proffen, ze legt alles duidelijk uit en probeert iedereen met de leerstof mee te krijgen. Als je naar de les gaat (wat je bij dit vak beter wel doet) zorg er dan voor dat je goed meewerkt want ze stelt vaak vragen aan willekeurige studenten en van sommigen kent ze de naam. Check ’s morgens voor je naar de les vertrekt zeker nog eens Minerva of de les wel doorgaat, het is namelijk al enkele keren gebeurd dat studenten voor een gesloten deur stonden (kleine tip). Als ze tijdens de les zegt dat iets belangrijk is zet hier dan een groot rood kruis bij want dan kan dat deel wel eens terugkomen op het examen.

Cursus

Deze is vrij dik maar verkijk je hier niet op want hij leert vrij vlot en er staan ook heel veel ‘tekeningen’ en kaders bij. Er is ook de mogelijkheid om de slides van de lessen bij de cursus te kopen maar deze komen ook op Ufora en eigenlijk ben je beter dat je die zelf afprint dan kan je er meer op een bladzijde zetten en dit is beter voor het milieu, we zijn tenslotte geologen!

Werkcolleges

Hier ga je best elke keer naartoe! Er worden niet alleen veel oefeningen gemaakt maar ook de theorie wordt nog eens grondig herhaald. Probeer voor het werkcollege de oefeningen al eens te bekijken dat je weet over wat het gaat.

Practica

Deze bereid je beter goed voor want soms is de tijd erg krap. In het eerste semester is het vooral titreren dus zorg dat je dit onder de knie krijgt. Het tweede semester valt qua practica goed mee en zijn minder lang. Tip: eet genoeg de middag voor het practicum want het practicum duurt 4 uur! Vergeet ook zeker je curios ( soort toets over de theorie van het practicum) niet te maken want deze telt mee voor 5 punten!

Buis-o-meter

Om dit examen goed te kunnen maken is het noodzakelijk heel, heel, heel veel oefeningen te maken! Als die goed lukken dan is het examen normaal gezien heel goed te doen.

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2020-2021
  •  
  • Meerkeuze
  •  
  • Oef clapy claperon vgl,
  •  
  • 3 verbindinge gegeven met c= ... mol/L. Orden op stijgede dampdruk. 1 verb was een verb met H brug 0.400, andere zonder H brug 0.100 en laatste was NaCl 0.200.
  •  
  • Mengsel van water en een alcohol. De molfractie van alcohol is 0,120. De dichtheid van het mengsel is 0,8 g/ml. Bereken de molaliteit van het alcohol
  •  
  • NO en O2 diagramma opstellen en dan een aantal vragen erover en zeggen wat juist is, allebij paramagnetisch, ..., ..., de ionisatie energie van NO is kleiner dan die van NO-.
  •  
  • 4 schemas van azeotroop en zeggen welke dat juist is. Azeotroop reageert eerst weg, B blijft als laatste over
  •  
  • Oef open vraag
  •  
  • Bereken de minimale formule, bepaal de moleculformule aan de hand van de gegevens van vriespuntverlaging = letterlijk oef laatste WC
  •  
  • H2NON geef lewisstructuren, geef hybridi, OG, FL
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018
  •  
  • Waarom is de de IE groter bij N dan bij N2? Leg uit aan de hand van de Molecuul Orbitaal theorie (tekening me orbitalen links en rechts de N, in het midden N2)
  •  
  • Geef de drie resonantiehybriden van NO3-, duidt de formele ladingen en de oxidatiegetallen aan en geef de hybridisatie van het centrale atoom, geef ook de hoeken ( <...,>...)
  •  
  • Je krijgt drie complexen: welke geeft de kleur blauw, welke de kleur geel, welke de kleur groen. Je krijgt er de golflengtes van de kleuren erbij (~aan de hand van ligandsterkte).
  •  
  • Bespreek de dipoolmomenten van drie moleculen
  •  
  • Welke reacties gaan door (drie reacties gegeven met hun enthalpieverandering en alledrie uit eenzelfde atoom, de golflengte van het licht waarmee de atoom bestraalt wordt ook gegeven): eerst u energie berekenen a.d.H.V E= (h.c)/gamma, dan nog maal het getal van avogadro omdat je per mol moet uitkomen. Zo kom je dan energie/mol uit, en kijk je welke enthalpieveranderingen daar onder liggen)
  •  
  • Bespreek tweede orde vergelijking en de snelheidsvergelijking
  •  
  • Stellingen: Waar of niet waar? + uitleg:
  •  
  • - een katalysator verlaagt deltaH.
  •  
  • - unimoleculaire molecules zijn steeds kleiner dan bimoleculair molecules.
  •  
  • - reactiesnelheid stijgt bij lagere druk (s = p d f).
  •  
  • Een reactie met deltaH° en deltaS° gegeven. Bereken deltaG°. Zet Kc om naar Kp. Is dit een spontane reactie?
  •  
  • Uitrekenen van een pH bij het titreren van een buffer
  •  
  •  

De biosfeer: dieren

Docent

Wim Bert

Wim Bert is de prof van dienst. De lessen zijn aan de hand van PowerPoint presentaties die na de les ook op ufora komen. De prof haat het wanneer studenten aan het praten zijn en aangezien je een mondeling deel hebt voor het examen doe je dit dus beter niet.

Cursus

Je hebt de keuze om in het begin van het semester een vrij duur boek te kopen (in het Engels) waar de lessen op gebaseerd zijn. De slides komen wel op ufora waar alles nog eens kort opstaat, maar dit is eerder een samenvatting. Je zal zien dat er een bestand op ufora komt met “wat te kennen uit het boek”. Dit is vaak een aanvulling op de slides, als je iets niet begrijpt is het zeer handig om eens te kijken wat er in het boek over te vinden is. De slides volgen dezelfde structuur als het boek wat zeker handig kan zijn.

Werkcolleges

Hier ga je best elke keer naartoe! Er worden niet alleen veel oefeningen gemaakt maar ook de theorie wordt nog eens grondig herhaald. Probeer voor het werkcollege de oefeningen al eens te bekijken dat je weet over wat het gaat.

Practica

Het practicum is één van de eenvoudigste uit het eerste jaar. Je krijgt in het begin van het practicum een korte uitleg van de super toffe assistente. Daarna krijgt iedereen een dier/enkele dieren en die moet je dan in detail overteken en enkele delen aanduiden. Het is wel eerder een lang practicum aangezien dat je soms 5 tekeningen dient te maken. Er staan steeds één of twee tekeningen op punten, die je dient af te geven tegen het einde van het practicum. Als je iemand bent die traag werkt of niet goed kan tekenen kan het handig zijn om met deze tekeningen te beginnen. De overige tekeningen zijn voor jezelf en kunnen je zeker helpen om de leerstof al te begrijpen.

Buis-o-meter

Slecht nieuws voor de mensen met veel inzicht, want dierkunde is een blokvak! Het examen bestaat uit 3 delen. Deel 1 is het mondelinge examen van het practicum. Je moet enkele organismen determineren en delen van organismen aanduiden. Dit alles gebeurt in de inhaalweek. Het is niet zo akelig als het lijkt want de assistente begeleidt je goed. Deel 2. Je krijgt een blad met foto’s die je moet benoemen, dieren die je fylogenetisch moet ordenen, woorden die je moet uitleggen en een 2-tal vragen die je dan zo uitgebreid mogelijk moet beantwoorden op je blad. Ben je met dit klaar dan ga je over naar deel 3, het mondelinge deel. Hierbij moet je met je geschreven blad naar de prof gaan die dan je antwoorden leest en indien nodig hierover wat extra uitleg vraagt.

  •  
  • TWIEOOS
  • Herexamen 2021-2022
  •  
  • 1) Fylogenetische boom opstellen met amonieten, mosbeertjes, mierenegel, spons en nog 1 organisme
  •  
  • 2) Geef alles over de foraminaferen
  •  
  • 3) Geef alle adaptaties/preadapties bij de overgang van waterig milieu naar land
  •  
  • 4) Leg uit hoe een (aard/ring)worm graaft/ voort beweegt(schema/tekening geven)
  •  
  • 5) Geef het fylum met de grootst aantal soorten
  •  
  • 6) Geef het subfylum met meest aantal soorten
  •  
  • 7) Geef de orde met het meest aantal soorten
  •  
  • 8) Geef het fylum met het meest aantal individuen
  •  
  • 9) Geef de (embryonale)levenscyclus bij de echinodermata
  •  
  • 10) Waarom is osmoregulatie zo belangrijk bij dieren in zoetwater
  •  
  • 11) Wat zijn 2 voorbeeld organismen
  •  
  • 12) Welke inzichten van de theorie van Darwin wist Darwin nog niet maar zullen zijn theorie wel versterken
  •  
  •  
  • Examen 2019-2020 1ste zit
  •  
  • Fylogentische boom opstellen van 5 beesten dat je moet herkennen (eikelworm, archeopteryx, platworm, trilobiet en zeekomkommer)
  •  
  • Beschrijf ve overgang van de zee naar het land bij Vertrebraten aan de hand van een fylogenet8sche boom. Geef hierbij de essentiële stappen die nodig waren om deze stap te zetten.
  •  
  • Leg uit waarom de peter pan theorie bij de afsplitsing van Urochordata - Vertebrata verkeerd is
  •  
  • Leg uit hoe de indeling van de organismen doorheen de tijd is verandert
  •  
  • Wat is CO2-neutraal verwarmen?
  •  
  • Leg kort uitleg uit Trypanosoma (slaapziekte dus)
  •  
  • 5 begrippen uitleggen: Acoelomaat, red tide, Enterobius, nelatocyst en bottleneck effect
  •  
  • Beschrijf de voedingswijze van Pogonophora - Siboglinidae
  •  
  • Kan je Nematoden gebruiken in de landbouw?
  •  
  • Wat zijn mossel kreeftjes?
  •  
  • Wat is het verschil tussen luizen en vlooien (niet enkel oppervlakkige verschillen)
  •  
  • Wat zijn de bedreigingen van koraal?
  •  
  • Beschrijf punctuated equilibrium, epigenetica, Mimicry, enterobius
  •  
  •  
  • Examen 2020-2021
  •  
  • 1) Vijf woorden verklaren: Rondedans, madreporiet, clade, Echiuridae, laatste ben ik vergeten 2)Fylogenetische boom opstellen: Polychaeta, Gastropoda, Porifera, Nematoda, Pycnogonida 3) Welke Hydrozoa is giftig voor de mens? 4) Wat is het verschil tussen het zenuwstelsel van een nematode en dat van een ander dier? 5)Waarin gelijken de Onychophora op de Arthropoda enerzijds en waarin gelijken ze op de Annelida anderzijds? 6)Waarom is een haai zon goede jager? 7)Leg het ontstaan van de Amniota uit adhv een fylogenetische boom. 8) Wat is het ecologisch belang van de mollusken? 9) Geef oplossingen voor het klimaatprobleem. 10) Leg uit hoe bacteriën resistent kunnen worden tegen antibiotica. 11)Leg uit hoe men de verwantschap tussen twee organismen kan achterhalen. 12) Welke van de volgende dieren is het meest verwant aan de gewervelden en waarom (zeester, zakpijp, lancetvisje)?
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018 2de zit
  •  
  • 1. 5 foto’s: benoem en maak met deze 5 dieren een fylogenetische boom.
  •  
  • 2. Leg uit hoe je ziet dat labrador en lancetvisje gemeenschappelijke oorsprong hebben
  •  
  • 3. Wat is adaptief evolutief voordeel van bilaterale symmetrie?
  •  
  • 4. Wat waren inzichten om de evolutie theorie van Darwin beter te begrijpen, die Darwin zelf nog niet had?
  •  
  • 5. Is volgende combinatie monofyletisch, xxx of XXX?
  •  
  • 6. Geef 5 belangrijke kenmerken van Echinodermata en 5 groepen
  •  
  • 7. Geef de aanpassingen van dieren in zee naar land. Schets deze voor vertebraten in fylogenetische kader.
  •  
  • 8. Geef 2 grote groepen binnen Dinasauria. Welke verschillen waren er tussen de bekken. Uit welke 2 lijnen zijn vogels ontstaan?
  •  
  • 9. Geef de cyclus van hondenlintworm
  •  
  • 10. Geef de verschillen tussen Brachiopoda en Mollusca
  •  
  • 11. Waarom zijn structuren in verband met osmoregulatie bij organismen belangrijk in zoet water?
  •  
  • 12. 5 woordjes: ampullen van Lorenzini, Planula larve, sleutelsoorten, Evolutionary taxonomy, extrusosomen
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018 1ste zit
  •  
  • 1. De namen van de phyla geven van de dieren op de foto's
  •  
  • 2. Maak er een phylogenetische boom van
  •  
  • 3. Geef de 5 belangrijkste eigenschappen van de Echinodermata en de 5 grote groepen
  •  
  • 4. Bij massa extinctie hoeveel procent van dieren dood en hoeveel procent tot nu toe uitgestorven?
  •  
  • 5. Cyclus van Enterobius Vermicularis geven en bespreken
  •  
  • 6. Koraalvorming en dinoflagellaten - Endosymbiose
  •  
  • 7. Zet Donald Trump op de fylogenetische boom (dus zo ver mogelijk hem classificeren)
  •  
  • 8. Bespreek de Amniota met ook de uitgestorven soorten bij. (2 schema's achteraan in boek combineren)
  •  
  • 9. Evolutietheorie van Lamarck onderzoeken met wetenschappelijke methode
  •  
  • 10. Begrippen uitleggen: tergum, clade, gilde, axopodium,..
  •  
  • 11. Bespreek de Branchiopoda
  •  
  • Practicum: Onderdelen van dieren worden aangeduid en jij moet zeggen wat het is. Erna prentjes herkennen (zeeklit, pijlinktvis, iets van de cnidaria ontwikkeling stadia..) en dan nog een arthropoda determineren.
  •  
  •  
  • Examen 2016-2017
  •  
  • 1. Benoem de organismen op de foto's (/5) en zet deze in een fylogenetische boom (/3)
  •  
  • 2. Beschrijf de levenscyclus van de bloedbot(/4)
  •  
  • 3. Geef de 5 grote stappen binnen de vertebraten en orden deze in een fylogenetische boom (/5)
  •  
  • 4. Geef een fylogenetisch overzicht van de subphyla binnen de artropoden
  •  
  • 5. Wat is een vis? Waarom is dat geen taxonomische groep?(/3)
  •  
  • 6. Hoe is de manier van indelen van organismen verandert doorheen de geschiedenis? (/5)
  •  
  • 7. Kan je nematoden gebruiken in de landbouw?(/2)
  •  
  • 8. Zijn deze groepen monofyletisch, parafyletisch of polyfyletisch?(/3)
  •  
  • 9. Leg uit: Rhopalium, homologie, Lamarckisme, Taenia & Pedicellaria(/5)
  •  
  •  
  • Examen 2014-2015
  •  
  • 1. Bespreek de levenscyclus van plasmodium
  •  
  • 2. Maak een fylogenetisch diagram van organismen dat de prof gegeven geeft
  •  
  •  
  • Examen 2012-2013
  •  
  • 1. 5 dieren benoemen en in een boom zetten (cercarie larve, ciliata, rotifera, cephalochordata, tardigrada)
  •  
  • 2. De 5 eigenschappen van chordata geven
  •  
  • 3. Uitleggen hoe je toxoplasmose kan krijgen liefst met tekening
  •  
  • 4. De huismus plaatsen in het dierenrijk => fylogenetesche boom
  •  
  • 5. De verschillen geven tussen annelida en arthropoda
  •  
  • 6. Waarom moet je de levenscyclus van de urochordata kennen om te weten dat het tot de chordata behoort
  •  
  • 7. Leg uit: axopodium, parafyletisch, verschil tussen mier en termiet, acoelomaat
  •  
  •  

Fysica 1

Docent

Matthieu Boone

Werkcolleges

Mathieu Boone is een jonge, sympathieke prof. Dit betekent dus wel dat hij nog niet zeer ervaren is in het lesgeven, en het kan al eens zijn dat je op het einde van een hoorcollege niet alles volledig snapt. Ook het feit dat je les hebt samen met de studenten chemie en ja, ook met je collega’s die voor fysica kozen (wat drijft hen?), kan ervoor zorgen dat hij er iets te snel vanuit gaat dat de studenten het snappen. Gelukkig valt de leerstof al bij al wel mee, aangezien het enkel mechanica is, en dus de makkelijkste (nee sorry, de minst moeilijke) fysica die je zal krijgen aan de unief. Je gaat best naar de hoorcolleges, je gaat niet gemotiveerd zijn om het achteraf als zelfstudie te doen, en ongeveer de helft van de punten op het examen zijn enkele letterlijke afleidingen, of varianten erop, en dan nog een paar meerkeuzevragen. Je zal merken dat de werkcolleges een goede voorbereiding zijn op het oefeningen gedeelte van het examen (dat dus ook ongeveer de helft van het examen zal innemen, het oefeningengedeelte is open boek), zeker op het einde worden er oude examenvragen opgelost. Meestal worden er niet veel oefeningen per werkcollege opgelost, maar je wordt er aangemoedigd om zelf mee na te denken, dus dit kan wel echt nuttig zijn.

Practica

Er zijn vier practica, waarvan de verslagen op 3 van de 20 punten staan. Deelname is verplicht, als je zonder geldige reden niet komt opdagen mag je het vak volgend jaar nog eens opnemen. Bereid deze practica op voorhand goed voor, want je zal je tijd goed kunnen gebruiken. Je zal waarschijnlijk wel eens vloeken op die verdomde foutenberekeningen die zeker de eerste keer dat je dit moet doen wel wat tijd in beslag zullen nemen. Van de practica moet je niets kennen voor het examen, maar het zijn natuurlijk wel toepassingen van de leerstof (van zowel fysica 1 als 2, want joepie volgend semester zullen jullie geen practica hebben)

Buis-o-meter

Het vak is niet gemakkelijk.

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2019-2020
  •  
  • Een vuurwerkpijl wordt afgeschoten en op 80m in de lucht tot ontploffing gebracht en en wordt het in 2 massa s gesplitst, een van 0,28kg en een van 1,40 kg, hierbij wordt 860J chemische energie omgezet in kinetische energie. a) Bereken de snelheden die beide massa s hebben net na de ontploffing en b) bereken de afstand dat de 2 massa s van elkaar op de grond landen (komen tegelijk op de grond)
  •  
  • Een hol bolvormig ijzeren vat zit net onder water, de buitendiameter is 50,0cm, bereken de binnendiameter
  •  
  • Een ladder van 7kg en 10m staat tegen een muur op 9m hoogte en de grond heeft wrijvingscoëfficiënt 1, een kind van 20kg wil op 3/4 van de ladder gaan staan, bereken of de ladder zal schuiven? b)Nu wil een volwassene van 60kg hetzelfde doen, zal de ladder nu schuiven? c) De personen zijn van de ladder en de muur wordt weggetovert, de ladder zal een rotatie ondergaan rond het punt waar hij de grond raakt,een muntstuk ligt op de ladder, bereken of hij zal loskomen of niet.
  •  
  • Een skiër gaat van een steile helling met constante snelheid, teken het vrijlichaamsschema met alle krachten en leg deze ook uit. Kan je de snelheid bereken, zo ja bereken deze en zo niet wanneer wel (volgens mij kon dit niet)
  •  
  • Een kogel botst met een massieve cilinder en gaat daarna verder met de cilinder. Bereken de hoeksnelheid van de cilinder. Is er behoud van kinetische energie?
  •  
  • Meerkeuze vragen
  •  
  • Een klok ligt plat op tafel met de wijzer naar boven, naar waar wijst de vector van het impulsmoment? a) naar boven b) naar beneden c) iets met loodrecht op de snelheidsvector d) d weet ik niet meer
  •  
  • Een auto botst volledig inelastisch, wanneer is het energieverlies het grootst? a) Bij een botsing met een oneindig zware muur b) wanneer m/2 en 2v c) wanneer m en v d) wanneer 2m en v/2
  •  
  • Je werpt een bal in een hoepel dat op 10m hoogte hängt in de hoepel en de bal komt perfect terug aan bij jou (elastische botsing), wanneer kan je dit truck je zo lang mogelijk blijven doen? a) als je zo dicht mogelijk bij de hoepel staat b) op 10m van de hoepel c) zo ver mogelijk van de hoepel c) maakt niet uit
  •  
  • Een steen en een veer vallen in een lange vacuumbuis, welke bewering(en) is/zijn juist? a) De zwaartekracht op de steen is groter b) De zwaartekracht op de veer is groter c) De zwaartekracht is gelijk d) er is geen nettoktacht op de voorwerpen e) De steen valt sneller f) De veer valt sneller g) Ze vallen even snel
  •  
  • Een lat wordt ondersteund op 25cm,dan wordt er een steen op de 0cm streep geplaatst van 1kg en de lat is dan in evenwicht. Wat is de massa van de lat? a) 1kg b) zeer klein c) iets in de aard can 0,20kg
  •  
  • Wat is de eenheid van G? a) m^3 kg^-1 s^-2 (dit is juist) b en c waren iets in die aard maar verkeerd d) geen van de bovenstaande
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018 Prof. Ryckebosch
  •  
  • Theorie
  •  
  • 1. Conische slinger
  •  
  • 2. Schrijf een functie uit van de druk in functie van de hoogte (atmosfeer) - boek p.397
  •  
  • Oefeningen
  •  
  • 1. Een combinatie van kogelbaan en andere kleine dingen
  •  
  • 2. Impuls (er is een botsing in 2 dimensies en je moet de snelheden en zo van na de botsing vinden)
  •  
  • 3. Een combinatie van krachtmoment en impulsmoment enzo en het hoofdstuk over evenwicht.
  •  
  •  
  • Examen 2015-2016 Prof. Ryckebosch
  •  
  • Theorie
  •  
  • 1. Conische slinger
  •  
  • 2. Corioliskracht berekenen en toepassen op winden op noordelijk en zuidelijk halfrond
  •  
  • Oefeningen
  •  
  • 1. Een man laat op Mars een bol van een helling rollen. De helling bevindt zich 5m boven de grond wanneer de bol de helling verlaat. Bereken op welke afstand van de helling de bol zal vallen. Gegeven zijn: hoek van de helling, straal van de bol, massa van de bol, straal van Mars, massa van Mars en lengte van de helling.
  •  
  • 2. 20 skiërs worden door een lift omhooggetrokken op een helling van 32 graden met een constante versnelling van 3,0m/s. De wrijvingscoëfficient tussen de ski's en de sneeuw is 0,12. Een gemiddelde skiër weegt 60kg. Bereken a) het vermogen van de lift. b) het krachtmoment dat moet uitgeoefend worden op het rad van de lift als dat een straal van 2,0m heeft.
  •  
  • 3. Kan een toren van massief beton van 1009m hoog staande blijven zonder te bezwijken onder zijn eigen gewicht? Hoe hoog kan een toren zijn die uit massief staal vervaardigd is?
  •  
  •  
  • Examen 2014-2015 Prof. Ryckebosch
  •  
  • Theorie
  •  
  • 1. Bespreek de wet van Bernoulli (dus het bewijs geven).
  •  
  • 2. geef de 3e wet van Kepler & bewijs voor 2 planeten rond de zon, bepaal hieruit de formule voor de massa van en zon
  •  
  • 3. geef de formule voor de potentiële zwaartekrachtenergie adhv de wet van de universele zwaartekracht en de conservatieve kracht
  •  
  • Oefeningen
  •  
  • 1. impuls: 2 pucks op een tafel massa puck 1 is gegeven (0.25 kg) met een bepaalde beginsnelheid. Puck 2 ligt in rust. Puck 1 botst tegen puck 2 met een elastische botsing, die afstand 2d van tafel schuift en puck 1 keert terug en schuift van tafel met afstand d. Bereken de massa van puck 2
  •  
  • 2. oefening op evenwicht: een boomstronk met gegeven massa hangt horizontaal aan 2 stalen dragen. De straal van beide draden is gelijk en gegeven, de lengte van beide draden is ook gegeven (van VOOR dat de boomstronk aan de draden werd gehangen)
  •  
  • 3. Een holle, bolvormige, ijzeren vat ligt net volledig ondergedompeld in water. De Buitenste diameter is 0.5 m, wat is de binnenste diameter?
  •  
  •  
  • Examen 2012-2013 2de zit Prof. Ryckebosch
  •  
  • Theorie
  •  
  • 1. atmosferische druk (3p)
  •  
  • 2. bewijs over rotatie invloed op de zwaartekracht (2p)
  •  
  • 3. bewijs van kogel die in een cilinder inslaat en dan draait de cilinder (3p)
  •  
  • Oefeningen
  •  
  • 1. Je schiet een alpha deeltjes op een atoom x en je kijkt naar de deeltjes die recht terug vliegen naar jou (behoud van impuls in 1 dimensie) bepaal de massa van atoom X en welk element is atoom X. (Massa alfa deeltje = 6,65x10^-27, kinetische energie voor botsing : 2MeV, na botsing 1,59 MeV.) (4p)
  •  
  • 2. een blok hangt aan een katrol met massa enkel aan de buitenkant welke valversnelling heeft het blok (massa (katrol) = 5,907, massa(blok) = 4,203, straal = 0,4621 meter) (2p)
  •  
  • 3. een vliegtuig moet om te draaien kantelen en maakt zo een hoek bereken de hoek die nodig is om te draaien in een cirkel met straal 290 km als u vliegtuig 4800 km per uur gaat (3p)
  •  
  •  
  • Examen 2012-2013 1ste zit Prof. Ryckebosch
  •  
  • Theorie
  •  
  • 1. Conische cirkel: (3p) ; 1) naar waar versnelt de massa? en waardoor? 2) geef de formule voor v en T met betrekking van m, g, l en theta (l = lengte slinger, theta= hoek tussen loodrechte en de slinger, r=l.sin(theta)
  •  
  • 2. Leid de formule voor de ontsnappingssnelheid van de aarde af (2p)
  •  
  • 3. Rotationele onbalans, hb pagina 338 (3p)
  •  
  • Oefeningen
  •  
  • 1. Je vuurt een granaat af onder een hoek van 55° met een snelheid van 150m/s en m=12kg, op het hoogste punt ontploft de granaat in 2stukken, 1 stuk is 3keer zwaarder dan het 2de stuk, het zwaarste stuk komt terecht op het begin punt. (3p) a) waar valt het lichtste stuk (8631.2m)? b) wat is de totale energie die vrijkomt bij de ontploffing (577458,2J)?
  •  
  • 2. Meisje rolt een bal een heuvel op met met v1 en de bal komt terug met v2 de bal rolt heel de tijd en glijdt niet en ook verliest hij evenveel energie in het naar boven rollen als het naar beneden rollen (2p) a) v1= 8m/s, b) V2= 4m/s, c) mbal= 0.600kg, d) hoe hoog rolt de bal de berg op (verticaal) (2m hoog)
  •  
  • 3. In de marianentrog op 10,9km diepte heerst een druk: P=1,16.10^8 (2p): a) als je 1m³ water van de opp naar deze diepte brengt hoe groot/ verkleint is hij dan (V2= 8.733.10^-4 of 1145,114 keer kleiner dan V1); b) welke massadichtheid heeft het zeewater op deze diepte? (rho= 1173741,362kg/m³)
  •  
  • 4. Je hebt een deur van 1meter op 2meter met een gewicht van 280N deze deur heeft 2scharnieren elks op 0,5m van de boven/ onderkant (2p) ; bereken en teken de horizontale component van 1 van de 2 scharnieren als je aanneemt dat de deur volledig homogeen is en 1 scharnier dus de helft van het gewicht draagt en schets deze op schaal (140N)
  •  
  •  

Inleiding tot de mineralogie

Docent

Stijn Dewaele

Stijn Dewaele is een heel toffe prof die je ook de volgende jaren nog zal tegenkomen. Als je ’s ochtends les van hem hebt en je bespreekt voor het begin van de les met je medestudenten de avonturen van de vorige avond, dan zal hij met plezier proberen mee te luisteren. Eveneens geeft hij snel les, en zal je dus bijgevolg het lokaal vaak (heel) wat vroeger kunnen verlaten. Er is een cursus mineralogie, maar die hoef je echt niet te bekijken. Alles wat je moet kennen staat op de slides, en die zijn ook iets overzichtelijker. Een tip, gebruik voor dit vak bij het studeren zeker de twieoos, want je zal zien dat hij steeds ongeveer dezelfde vragen stelt. Als je hiermee rekening houdt, is het examen echt niet moeilijk. Ook komen de meeste theorielessen uit het gedeelte dat jullie samen met de geografie-studenten volgen, maar ook de lessen die alleen voor geologie-studenten zijn, zullen hun nut nog bewijzen, ook in andere cursussen.

Cursus

Practica

Buis-o-meter

  •  
  • TWIEOOS
  • Herexamen 2021-2022
  •  
  • 1) 6 woordjes: isodesmisch kristal en nog 5 andere...
  •  
  • 2) welke kristalchemische eigenschappen spelen een rol bij de hardheid
  •  
  • 3) wat zie je onder een petrografisch microscoop bij een isotroop mineraal met gesloten? Bij draaien? Hoe bepaal je de brekingsindex dan?
  •  
  • 4) geef alles over de fyllosilicaten (verdere onderverdeling enzo) telkens 1 voorbeeld geven
  •  
  • 5) wat is het verband tussen kyaniet en die andere 2 die daarmee te maken hadden (zo aan de hand van de druk en temperatuur maar wel zelfde chemische samenstelling)
  •  
  • 6) 5 regels van Pauling uitleggen a. d. h. v. De silicaten
  •  
  •  
  • Examen 2020-2021
  •  
  • 5 begrippen: wet van Steno, homoiotypisme, luminescentie, ferromagnetisme en nog een die ik niet meer weet
  •  
  • Uitleggen van ionaire substitutie, voorwaarden en verschillende soorten geven + voorbeeld
  •  
  • Welke fysische en chemische factoren beïnvloeden de hardheid?
  •  
  • Principe van XRF uitleggen + voordelen van XRF tov optische mineralogie. Wet van Bragg afleiden uit figuur (zelf tekenen) + toepassen op XRF.
  •  
  • Wat hebben calciet en aragoniet gemeenschappelijk? Mineraalformule + Classificatie geven. Kristalstructuur geven + uitleggen.
  •  
  • Silicaten: basiseenheid geven + uitleggen adhv regels van Pauling. Waarom goede polymerisatie? Overzicht (naam, formule, tekening) geven.
  •  
  •  
  • Examen 2019-2020
  •  
  • 1) Relatie Calciet/ Aragoniet, geef de groepen, verschillen, waar voorkomend (6)?
  •  
  • 2) Hardheid? Welke ch/ fy parameters spelen een rol (4)?
  •  
  • 3) Wat is ionaire subsitutie? Welke parameters spelen een rol? Welke zijn er allemaal + geef voorbeeld.
  •  
  • 4) Bespreek x stralen defractie, op welke eigenschap van mineralen steunt dit, leg wet van bragg uit en verklaar hoe X stralendefractie gebruikt wordt?
  •  
  • 5) Geo ch oefening (3)
  •  
  • 6) 2 mineralen (3)
  •  
  • 7) symmetrie elementen blokje(2)
  •  
  • 8) begrippen: wet van steno, Indicatrix, Homiotypische mineralen, luminescentie, Ferromagnetisch (5)
  •  
  • 9) Wat is het bouwelement van de silicaten? Wat is de vorm? Bespreek dit. (Tip aan de hand van Pauling). De Ionstralen van Si, O zijn gegeven. Geef alle silicaten ( naam + formule + tekening) (6)
  •  
  •  
  • Examen 2018-2019
  •  
  • 1. Verklaar de begrippen: Indicatrix, Schottky defect, Homoiotypisme, Piëzo-elektriciteit, Fosforescentie (5p)
  •  
  • 2. Hoe ziet een anisotroop mineraal onder een petrografische microscoop met gekruiste polarisatoren er uit? En bij draaien? Wat is maximale birefringentie, hoe gebruikt met dit om mineralen te identificeren? (5p)
  •  
  • 3. Op welke eigenschap van mineralen berust x-stralen defractie, geef de wet van Bragg en pas toe op x-stralen (5p)
  •  
  • 4. Ionaire subsitutie bespreken + voorbeeld geven (4p)
  •  
  • 5. Wat is de relatie tussen Andalusiet, sillimaniet en kyaniet? Geef ook formule. Welke mineraalgroep, in welke gesteenten komen ze voor? (4p)
  •  
  • 6. Geef een overzicht van alle silicaten + wat is het elementaire bouwelement? (4p)
  •  
  • 7. 5 mineraalformules gegeven, geef (sub)groep en naam (3p)
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018 2de zit
  •  
  • 1. 4 woordjes: triboluminiscentie, Miller-indices, pleochroïsme, piëzo-elektrisch (4pt)
  •  
  • 2. Hoe ziet isotroop mineraal onder petrografische microscoop met gekruiste polarisatoren eruit? Van kleur veranderen als aan tafel draaien? Hoe wordt de brekingsindex bepaald? (2pt)
  •  
  • 3. Geef de mineralogische eigenschappen die worden gebruikt bij x-stralen diffractie om identificatie van mineraal? Wat zijn de belangrijkste voordelen in vergelijking met optische mineralogie? Leg de wet van Bragg uit en hoe het toegepast wordt op x-stralen diffractie. (4pt)
  •  
  • 4. Wat is luminiscentie? Welke types onderscheiden we en geef van elk een voorbeeld. (6pt)
  •  
  • 5. Wat is de relatie tussen calciet en aragoniet? Wat zijn hun groepen en subgroepen? Geef de chemische formule? Welke verschillen zijn er en waarom? In welk soort gesteente komen ze primair voor? (5pt)
  •  
  • 6. Geef de belangrijkste groepen van kleimineralen. Welke structuren hebben ze? (4pt)
  •  
  • 7. 5 chemische formules: geef groep, subgroep en naam (5pt)
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018 1ste zit
  •  
  • 1. Definities van 4 begrippen (indicatrix, polymorfisme, piëzo-elektriciteit en solidus) (4pt)
  •  
  • 2. Hoe zou granaat er uitzien onder een petrologische microscoop met gekruiste polarizatoren? En als je de microscooptafel draait? (Je kreeg dan eigenschappen van granaat erbij.) (2pt)
  •  
  • 3. Op welke eigenschap van mineralen steunt X-stralendiffractie? Geef de wet van Bragg? Leg kort uit hoe de wet van Bragg toegepast wordt bij X-stralendiffractie? (5 of 6 pt)
  •  
  • 4. Welke parameters bepalen de hardheid van een mineraal? (3 pt)
  •  
  • 5. Welk specifiek bouwelement komt voor bij de silicaten? Welke vorm heeft dat dan? Bespreek dit en geef alle onderverdelingen van de silicaten (tekening + formule + naam)? Waarom is er makkelijke polymerisatie? (6 pt)
  •  
  • 6. Wat is ionische substitutie? Wat bepaalt of er ionische substitutie kan zijn of niet? Geef ook een voorbeeld. (5 pt)
  •  
  • 7. Geef de klasse en eventueel subklasse van de mineralen die bij deze chemische formules horen en geef ook de naam van de mineralen. (5 pt)
  •  
  •  

Systeem Aarde: geologie

Docent

Stephen Louwye & David Van Rooij

Excursie

Voor dit vak heb je de enige excursie van dit semester, maar wel al meteen een tweedaagse. Je rijdt met de bus naar Wallonië, je zal dicht bij de Franse grens overnachten. Deze excursie is heel tof, maar tegelijkertijd is het wel belangrijk om voldoende te noteren als er informatie gegeven wordt, zowel in de bus als op de plaatsen waar jullie uitstappen. Jouw veldboekje met deze notities zal je na de excursie moeten indienen, en hierop kan je al 4 van de 20 punten verdienen. De eerste avond zal je trouwens een korte presentatie moeten geven van wat je die dag geleerd hebt. Geen paniek, als je een beetje hebt opgelet gedurende de dag, valt dat zeker mee. Houd er rekening mee dat je hier en daar wel wat zal moeten wandelen, en om de een of andere reden is de gemiddelde geologie prof/assistent kampioen in snelwandelen. Deze excursie zal zeker een gelegenheid zijn om je medestudenten wat beter te leren kennen, dus je mag hier zeker naar uitkijken.

Buis-o-meter

De proffen geven al duidelijk mee in de lessen wat zij belangrijk vinden. Bij professor Louwye is dit vooral de voornaamste kenmerken van een geologisch tijdperk. Ook worden enkele begrippen en namen gevraagd. Bij professor Van Rooij is de platentektoniek (en niet alleen op aarde) zeer belangrijk. Van moeilijkere inzichtvragen zijn deze proffen echter niet schuw dus leer zeker zodat je het begrijpt, en niet dat je letterlijk elk woord kent. Dan sluiten we nog af een quote van oud-professor Van den Haute: "Als je voor Algemene Geologie gebuisd bent, zou je beter voor bakker studeren.". Laat jullie dus niet doen ;).

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2020-2021 versie 1
  •  
  • 1.Leg kort de volgende begrippen uit (10 pt): Eustatisme, KBO, Passieve rand, Geognosie, Zwavelvulkanisme van Io
  •  
  • 2.De studie van meteorieten heeft waardevolle informatie opgeleverd met betrekking tot de kennis van de ontstaansgeschiedenis van ons Zonnestelsel en de opbouw van onze Aarde (20 pt): (a) Hoe zijn de verschillende types meteorieten ingedeeld? (b) Wat is het wetenschappelijke belang van elk type? Welke informatie is hieruit gehaald?
  •  
  • 3.Van de binnenste kern tot de bodem waarop we lopen, heeft onze Aarde enkele belangrijke grensvlakken en discontinuïteiten. Lijst deze op, in volgorde, en bespreek, kort en bondig wat er zo belangrijk aan is (10 pt)
  •  
  • Extinctie Neoproterozoïcum en Perm (Oorzaak, periode en gevolg voor biosfeer). (Elk op 5 p)
  •  
  • Radiometrische methode voor boomstronk uit Laat-Holoceen in detail! (20 p)
  •  
  • Tabel 18-O hoeveelheden in CaCO3 verbindingen van Cenozoïcum: bepaalde klimatologische perioden benoemen aan pijltjes. (5 p)
  •  
  • Klimaat Cenozoïcum beschrijven. (5 p)
  •  
  •  
  • Examen 2020-2021 versie 2
  •  
  • 5 begrippen: Harrty Hess, Chorona comara, chondriet, magnetohydrodynamica
  •  
  • Genese evolutie en vernietuging ocena litosheer (20 p)
  •  
  • fases accretie en condensatie maan/aarde (10 p)
  •  
  • blokdiagram en 14 letters van oud naar jong plaatsen (10 p)
  •  
  • Bio/ geosfeer 3600-2500 uitleggen (20 p)
  •  
  • 5 begrippen: Uniformitalisme, cryogeniaan, ...
  •  
  •  
  • Examen 2019-2020
  •  
  • Begrippen: KBO, eustatisme, Io zwavel vulkanisme, geognosie en passieve rand. (10 p)
  •  
  • Discontinuïteiten van binnen naar buiten en wat is er speciaal aan elke discontinuïteit? (10 p)
  •  
  • Onderverdeling meteorieten en wetenschappelijk belang. (20 p)
  •  
  • Extinctie Neoproterozoïcum en Perm (Oorzaak, periode en gevolg voor biosfeer). (Elk op 5 p)
  •  
  • Radiometrische methode voor boomstronk uit Laat-Holoceen in detail! (20 p)
  •  
  • Tabel 18-O hoeveelheden in CaCO3 verbindingen van Cenozoïcum: bepaalde klimatologische perioden benoemen aan pijltjes. (5 p)
  •  
  • Klimaat Cenozoïcum beschrijven. (5 p)
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018
  •  
  • 1. 5 woordjes: fracter zone, Edward Suess, magnetohydrodynamica, oortswolk & chondrulen
  •  
  • 2. Bespreek en leg uit: het ontstaan, de ontwikkeling en de afbraak van de lithosfeer
  •  
  • 3. Bespreek en vergelijk het gravitatieveld op Maan, Aarde en Venus
  •  
  • 4. Bespreek geosfeer en biosfeer van Mesozoïcum
  •  
  • 5. Vergelijk (voor en nadelen) Kalium-Argon methode en Rubidium-Strontium datering
  •  
  • 6. 5 woordjes: proxy, Neogeen, catastrofisme, principe van insluitsels & dendrochronologie
  •  
  •  
  • Examen 2016-2017
  •  
  • 1. 5 begrippen: Hutton, principe van de insluitsels, proxy, paleogeen, ...
  •  
  • 2. Paleozoïsche extincties
  •  
  • 3. Je hebt een zogezegde fossiele schelp gevonden uit het vroeg-Holoceen. Welke radiometrische dateringsmethode ga je gebruiken + uitleg (waarom, hoe...)
  •  
  • 4. 5 begrippen: Magnetohydrodynamica, chondrullen, pallasieten, Edward Suess, ...
  •  
  • 5. Genese, evolutie en vernietiging van de lithosfeer
  •  
  • 6. Bespreek de gelijkenissen en verschillen tussen het magnetisch veld van de Aarde, Maan en Venus
  •  
  •  
  • Examen 2014-2015
  •  
  • 1. Bespreek het Archeaan
  •  
  • 2. Bespreek de dateringsmethode van ...
  •  
  • 3. Bespreek Venus-Aarde
  •  
  • 4. Bespreek alle discontinuïteiten
  •  
  • 5. Bespreek enkele thermen in max. 5 zinnen
  •  
  •  
  • Examen 2012-2013 2de zit
  •  
  • 1. Evolutie geosfeer en biosfeer in Proterozoïcum
  •  
  • 2. Vergelijk K-Ar met Rb-Sr methode (voor en nadelen)
  •  
  • 3. Accretie en condensatiegeschiedenis van de aarde
  •  
  • 4. Cyclus van de oceanische lithosfeer
  •  
  •  
  • Examen 2012-2013 1ste zit
  •  
  • 1. geef alle theorieën + persoon over de werking van de aarde vanaf descartes tot platentektoniek
  •  
  • 2. begrippen verklaren: suevieten, magnetohydrodynamica, D, Charles D. Walcott, het principe van de insluitsels, mascon, farra, pangea, paleogeen, catastrofisme
  •  
  • 3. Men wil een fossiele schelp dateren, welke radiometrische methode gebruik je best + waarom en leg die methode in detail uit
  •  
  • 4. Wat is het nut van de studie van meteorieten: geef de indeling + van elke soort wat ze ons geleerd hebben
  •  
  • 5. Geef de verandering van de geosfeer en de biosfeer tussen 3.6Ga en 2.5Ga
  •  
  •  

Wiskunde 1

Docent

Koen Thas

Koen Thas is een vrij jonge prof die enthousiast lesgeeft. Hij spreekt echter wel vrij tot heel stil dus als je wil horen wat hij zegt ga je beter helemaal vooraan zitten. Tijdens de les geeft hij vrijwel enkel bewijzen uit de cursus en minder uitleg maar de cursus is wel duidelijk opgesteld.

Cursus

Zoals reeds gezegd is de cursus duidelijk opgesteld en bestaat vooral uit bewijzen. Laat je niet afschrikken, er zijn bewijzen, maar de laatste les overloopt de prof welke te kennen zijn. De cursus is zelf af te printen via Minerva.

Buis-o-meter

  •  
  • TWIEOOS
  • Op Ufora zullen de oefeningenexamens van de afgelopen jaren verschijnen, oplossingen worden er niet bijgegeven.
  •  
  •  
  • Theorie examen 2020-2021
  •  
  • Vraag 1
  •  
  • 1) definieer de verzameling Z (enkel de elementen; geen bewerkingen). Bewijs dat vierkants wortel 2 +2 geen element is van Q
  •  
  • 2) Je kan een lineaire afbeelding g : R^m -> R^n steeds via reële (nxn)- matrix voorstellen. Bewijs dit
  •  
  • Vraag 2
  •  
  • A. Wat is, bij definitie, een gerichte graaf?
  •  
  • B. Onderstel dat J een internet is. Leg uit wat de geassocieerde gerichte graaf T(J)(met gewichten) is, en hoe je deze graaf voorstelt via matrix A. Illustreer deze noties met een voorbeeld.
  •  
  • C. Definieer nu de google matrix G van J, Met de gegeven damping factor p, 0
  •  
  • Vraag 3: Waar of vals?
  •  
  • A. onderstel dat V(x) en W(x) gegeven veeltermen zijn; dan is de graaf van V(x) - W(x) steeds ten hoogste de graad van V(x) + W(x).
  •  
  • B. eigenvectoren die behoren bij dezelfde eigenwaarde van een vierkante matrix A, zijn steeds lineair afhankelijk.
  •  
  • C. er zijn oneindig veel grote cirkels die je kan vinden op de sfeer van een bol.
  •  
  •  
  • Theorie examen 2018-2019
  •  
  • Vraag 1
  •  
  • A. Definieer de begrippen: bol, sfeer, grote cirkel, boldriehoek, hoek van de boldriehoek en middelpunshoek.
  •  
  • B. Formuleer en bewijs de cosinusregel voor boldriehoeken. (met tekeningen!)
  •  
  • Vraag 2
  •  
  • A. Wat is, bij definitie, een gerichte graaf?
  •  
  • B. Onderstel dat J een internet is. Leg uit wat de geassocieerde gerichte graaf T(J)(met gewichten) is, en hoe je deze graaf voorstelt via matrix A. Illustreer deze noties met een voorbeeld.
  •  
  • C. Bespreek welke 2 problemen er opduiken bij het opstellen van een page rank vector, en leg uit hoe men ze oplost.
  •  
  • D. Definieer nu de google matrix G van J, Met de gegeven damping factor p, 0
  •  
  • Vraag 3: Waar of vals?
  •  
  • A. Onderstel dat V(x) en W(x) reële veeltermen zijn;indien de graad van V(x) strikt groter is dan die van W(x), dan heeft V(x) strikt meer reële wortels.
  •  
  • B. Onderstel dat A een(nxn)-matrix is, met n element van N. Onderstel dat voor elke kolom de som van alle elementen precies 2018 is. dan heeft A nooit als eigenwaarde 2018.
  •  
  • C. Er bestaat een injectieve afbeelding: C--->RxR
  •  
  • D. Onderstel dat ^ een driehoek is met zijden dien als lengte a,b en c hebben. onderstel nu ook dat a²=b²+c². Dan is ^ een rechthoekige driehoek.
  •  
  • E. Onderstel dat A,B,C drie (nxn)-matrices zijn, met n element van N. Dan is det(ABC)=det(AC).det(B)
  •  
  •  
  • Theorie examen 2015-2016
  •  
  • Vraag 1
  •  
  • A. Wat is bij definitie een matrix en een determinant? (Hoofdstuk 4)
  •  
  • B. Stel dat f: R^m --> R^n een injectieve lineaire afbeelding is. Bewijs dat een stel lineair onafhankelijke vectoren wordt omgezet in een nieuw stel lineair onafhankelijke vectoren. (Hoofdstuk 6: lineaire afbeeldingen)
  •  
  • C. Geef en bewijs de sinusregel voor boldriehoeken met tekening. (Hoofdstuk 2)
  •  
  • Vraag 2
  •  
  • A. Wat is bij definitie een gerichte graaf?
  •  
  • B. Stel dat I het internet is. Leg uit wat de geassocieerde gerichte graaf (met gewichten) is, en hoe je deze graaf voorstelt via een matrix A. Illustreer deze notie's met een voorbeeld. (Met tekening indien nodig.)
  •  
  • C. Definieer nu de Google matrix G bij Internet I, met gegeven damping factor p, met 0 < p < 1.
  •  
  • D. Defineer de Google Page rank vector.
  •  
  • Vraag 3: Waar of Vals? Indien Vals, bewijs of leg uit met een tegen voorbeeld:
  •  
  • A. Zijn V(x) en D(x) != O(x) gegeven veeltermen; dan bestaat er steeds een veelterm Q(x) waarvoor V(x) = Q(x).D(x)
  •  
  • B. De afbeelding a : N --> N : x --> x+ 7 is een bijectieve afbeelding.
  •  
  • C. Voor 3 willekeurige maar verschillende grote cirkels op een sfeer bestaat steeds een boldriehoek waarvan de zijden bogen zijn van deze grote cirkels. Een (nxn) matrix , n € N^x , heeft ten hoogste 2n verschillende eigenwaarden.
  •  
  • D. Een (nxn) matrix , n € N^x , heeft ten hoogste 2n verschillende eigenwaarden.
  •  
  • E. In C geldt dat i kleiner is dan 3i + 2.
  •  
  •  
  • Examen 2014-2015 2de zit
  •  
  • Vraag 1
  •  
  • A. Beschrijf alle complexe oplossingen van de vergelijking z^n = r(cos a + i sin a) met r > 0, 0 <= a < 2pi gegeven, en bewijs dat deze wel degelijk alle oplossingen zijn. (Hoofdstuk 3)
  •  
  • B. Definieer de begrippen grote cirkel, boldriehoek, hoek van de boldriehoek en middelpuntshoek. Maak tekeningen indien nodig. (Hoofdstuk 2)
  •  
  • C. Formuleer de cosinusregel voor boldriehoeken zonder bewijs met gepaste tekeningen.
  •  
  • Vraag 2
  •  
  • A. Zijn V(x) en D(x) != O(x) gegeven veeltermen; dan bestaan er veeltermen Q(x) en R(x) waarvoor V(x) = Q(x).D(x) + R(x) met hetzij R(x) = 0 hetzij gr(R(x)) < gr(D(x)). Bewijs deze bewering.
  •  
  • B. Definieer de begrippen eigenwaarde en eigenvector voor een vierkante matrix A.
  •  
  • C. Is f: R^3 --> R^3 een lineaire afbeelding, en is (e1, e2, e3) de standaardbasis van R^3, dan is f de lineaire afbeelding geassocieerd met de 3x3 matrix waarvan de opeenvolgende kolommen f(e1), f(e2), f(e3) zijn. Bewijs deze bewering.
  •  
  • D Wat is bij definitie een Stelsel van Cramer? Bescrijf de oplossingen van dit stelsel met 3 onbekenden en 3 vergelijkingen, zonder bewijs.
  •  
  • Vraag 3: Waar of Vals? Indien Vals, bewijs of leg uit met een tegen voorbeeld:
  •  
  • 3.A. Elk rationaal getal heeft een unieke decimale schrijfwijze.
  •  
  • 3.B. De afbeelding a: N --> N : x --> (3/4)x + 2/7 is een surjectieve afbeelding.
  •  
  • 3.C. Onderstel dat de vierkante matrix A van orde n, n € N^x, over n lineair onafhankelijke eigenvectoren beschikt. De matrix S met deze eigenvectoren als kolommen heeft als eigenschap dat de matrix (S^(-1).A.S)^5 een diagonaalmatrix is.
  •  
  • 3.D. Een stel vectoren van 3 verschillende vectoren in R^3 is steeds lineair onafhankelijk.
  •  
  •  
  • Examen 2014-2015 1ste zit
  •  
  • Vraag 1
  •  
  • A. Definieer de begrippen: grote cirkel, boldriehoek, hoek van een boldriehoek en middelpuntshoek. (maak, indien nodig, een tekening!)
  •  
  • B. Formuleer de sinusregel voor boldriehoeken zonder bewijs (maak de gepaste tekeningen!)
  •  
  • C. Formuleer en bewijs de sinusregel voor boldriehoeken (maak de gepaste tekeningen!)
  •  
  • Vraag 2
  •  
  • A. Definieer het begrip determinant
  •  
  • B. Definieer het gevrij ecofactor (van een element in een vierkante matrix), en leg uit hoe je de determinant van een algemene (3x3)-matrix kan beschrijven met behulp van cofactoren
  •  
  • C. Leg uit wat lineaire onafhankelijkheid is (voor een stel vectoren in R^n, n E N^x)
  •  
  • D. Een stel van meer dan drie vectoren in R^3 is steeds lineair afhankelijk. bewijs deze bewering.
  •  
  • Vraag 3: waar of vals. indien vals, geef tegenvoorbeeld van de bewering, of leg uit.
  •  
  • A. Beschouw een willekeurige driehoek met hoekpunten A, B, C en zijden a=BC, b=AC en c=AB. Dan geldt steeds dat a^2<=b^2 + c^2.
  •  
  • B. Onderstel dat B een bol is, en S een sfeer, met hetzelfde middelpunt en eenzelfde straal. Dan is S een deelverzameling van B maar niet omgekeerd.
  •  
  • C. De afbeelding a: R --> R : x-->x(5)^1/2 (vierkantswortel 5) is een injectieve lineaire afbeelding.
  •  
  • D. Onderstel dat de vierkante matrix A van orde n,n E N^x, over n lineair onafhankelijke eigenvectoren beschikt. de matrix S met deze eigenvectoren als kolommen heeft als eigenschap dat de getransponeerde (S^-1 AS)^T van het product S^-1AS een diagonaalmatrix is met de respectievelijke eigenwaarden van A op de hoofddiagonaal.
  •  
  • E. Er bestaan natuurlijke getallen t, u, v, w. zodat de vierkantswortel van 2 = (t+u)/(v+w)
  •  
  •  

Algemene chemie 2

Docent

Klaartje De Buysser

Klaartje De Buysser is een van de beter proffen, ze legt alles duidelijk uit en probeert iedereen met de leerstof mee te krijgen. Als je naar de les gaat (wat je bij dit vak beter wel doet) zorg er dan voor dat je goed meewerkt want ze stelt vaak vragen aan willekeurige studenten en van sommigen kent ze de naam. Check ’s morgens voor je naar de les vertrekt zeker nog eens Minerva of de les wel doorgaat, het is namelijk al enkele keren gebeurd dat studenten voor een gesloten deur stonden (kleine tip). Als ze tijdens de les zegt dat iets belangrijk is zet hier dan een groot rood kruis bij want dan kan dat deel wel eens terugkomen op het examen.

Cursus

Deze is vrij dik maar verkijk je hier niet op want hij leert vrij vlot en er staan ook heel veel ‘tekeningen’ en kaders bij. Er is ook de mogelijkheid om de slides van de lessen bij de cursus te kopen maar deze komen ook op Minerva en eigenlijk ben je beter dat je die zelf afprint dan kan je er meer op een bladzijde zetten en dit is beter voor het milieu, we zijn tenslotte geologen!

Werkcolleges

Hier ga je best elke keer naartoe! Er worden niet alleen veel oefeningen gemaakt maar ook de theorie wordt nog eens grondig herhaald. Probeer voor het werkcollege de oefeningen al eens te bekijken dat je weet over wat het gaat.

Practica

Deze bereid je beter goed voor want soms is de tijd erg krap. In het eerste semester is het vooral titreren dus zorg dat je dit onder de knie krijgt. Het tweede semester valt qua practica goed mee en zijn minder lang. Tip: eet genoeg de middag voor het practicum want het practicum duurt 4 uur! Vergeet ook zeker je curios ( soort toets over de theorie van het practicum) niet te maken want deze telt mee voor 5 punten!

Buis-o-meter

Om dit examen goed te kunnen maken is het noodzakelijk heel, heel, heel veel oefeningen te maken! Als die goed lukken dan is het examen normaal gezien heel goed te doen.

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2016-2017
  •  
  • Vraag 1: Kinetiek
  •  
  • -> reactiesnelheidsvergelijking
  •  
  • -> reactiemechanisme
  •  
  • -> grafiek geven van de potentiele energie tov de ...gradient
  •  
  • Vraag 2: titratie van een mengsel 20ml van een mengsel Hcl en HOAc wordt getitreerd met 0,1 mol/l NaOH
  •  
  • -> bereken de beginconcentraties
  •  
  • -> titratiecurve tekenen en geef de ph bij begin, tussen 0 en sp1 , sp1, tussen sp1 en sp2 , sp2,...
  •  
  • Vraag 3: 3 deelvraagjes over oplosbaarheid/oplosbaarheidproduct
  •  
  • Vraag 4: concentratie bepalen van bepaalde ionen bij evenwicht
  •  
  • Vraag 5: galvanische cel. bijna alles is gegeven behalve uit welk metaal het 2de elektrode bestaat. 3 types van mogelijke metalen zijn gegeven.
  •  
  • -> uit welk metaal bestaat de tweede elektrode?
  •  
  • -> geef de reactievergelijking
  •  
  • -> tekening, alles aanduiden: anode, kathode, teken, richting electroden,...
  •  
  • Vraag 6: 10 meerkeuzevragen
  •  
  •  
  • Examen 2015-2016
  •  
  • De reactiesnelheid van een bepaald bestanddeel bepalen aan de hand van de verschillende deelstappen.
  •  
  • Titratiecurve maken
  •  
  • Partieeldrukken berekenen van 2 I --> I2(g) als men de totale druk bij evenwicht gekregen heeft en ook het begin aantal mol I, begintemperatuur en volume.
  •  
  •  
  • Examen 2013-2014
  •  
  • VRAAG 1: (6pt) Onderstaand mechanisme wordt voor gesteld voor de oxidatie van stikstofoxide tot stikstofdioxide.
    2 NO(g) <-> N2O2(g) ...snel evenwicht, k1(van NO naar N202), k-1 (omgekeerd)
    N2O2(g) + O2(g) -> 2 NO2(g) ...traag, k2
  •  
  • -> Schrijf de reactievergelijking voor de totale reactie.
  •  
  • -> Toon aan de het voorgestelde mechanisme overeenkomstig is met volgende reactiesnelheidsvergelijking v= k[NO]^2[O2].
  •  
  • -> Schrijf de reactiesnelheidsconstante in functie van de afzonderlijke reactiesnelheidsconstanten en geef de eenheid weer.
  •  
  • VRAAG 2: (4pt) 79.2 g droogijs (vast CO2) en 30.0 g grafiet (C(v)) worden in een lege 5L container geplaatst. Het mengsel wordt twee keer opgewarmd: de eerste maal tot 1000 K en in een tweede experiment tot 1100 K. In beide gevallen neemt volgende reactie plaats: CO2(g) + C(v) <-> 2 CO(g).
  •  
  • -> Bereken Kp bij 1000 K als de dichtheid van het gas 16.3 g/L is.
  •  
  • -> Bereken Kp bij 1100 K als de dichtheid van het gas 16.9 g/L is.
  •  
  • -> Is de reactie endotherm of exotherm? Licht toe.
  •  
  • VRAAG 3: (8pt) Er wordt een oplossing bereid die 0.05 mol/L is aan benzoëzuur.
  •  
  • -> Bereken bij evenwicht de concentraties van H3O+, OH-􀀀, C6H5COOH en C6H5COO.
  •  
  • -> Bereken de pH van deze oplossing.
  •  
  • -> Stel de titratiecurve op van mengsel met een totaalvolume van 20 mL dat 0.05 mol/L benzoëzuur en 0.05 mol/L HCl bevat. Er wordt getitreerd met 0.05 mol/L NaOH. Bereken de pH na toevoegen van 10, 20, 30, ... mL NaOH tot maximum 10 mL na laatste SP. Duid bij elke stap duidelijk de pH aan.
  •  
  • VRAAG 4: (3pt) Voor de reactie: 2 C2H2(g) + 5 O2(g) -> 4 CO2(g) + 2 H2O(g)
  •  
  • -> Bereken DH°, DS° en DG°.
  •  
  • -> Verklaar het teken van DH° en DS°
  •  
  • -> Neemt de spontaneïteit van deze reactie toe of af met de temperatuur?
  •  
  • VRAAG 5: (6pt) Een oplossing bevat 2 x 10􀀀^-4 mol/L aan Ag+ ionen en 1.5 x 10^-􀀀3 mol/L aan Pb^(2+) ionen. Er wordt NaI toegedruppeld.
  •  
  • -> Welk neerslag wordt eerst gevormd?
  •  
  • -> Bij welke concentratie aan I-􀀀 slaat het 2de kation neer?
  •  
  • -> Wat is de concentratie van het eerste op dat ogenblik?
  •  
  • VRAAG 6: (2pt)
  •  
  • -> Rangschik de volgende molecules volgens toenemende zuursterkte en leg uit: PH3, H2S, HCl
  •  
  • -> Identificeer in de volgende reactie de volgende componenten: Lewiszuur of base, ZB adduct.
    2 Cl- + BeCl2 -> BeCl4^(2-)
  •  
  • VRAAG 7: (5pt) Beschouw volgende galvanische cel (gevuld met metaalzouten met een concentratie 1.0 mol/L.)
  •  
  • -> Vul de figuur aan: anode, kathode, beweging ionen in oplossingen en de elektronenstroom.
  •  
  • -> Schrijf de reactievergelijking.
  •  
  • -> Bereken de EMK van bovenstaande cel.
  •  
  • -> Bereken de EMK nadat de beker waarin de anode is ondergedompeld verwisseld wordt met een 2.0 mol/L Zn(NO3)2 oplossing."
  •  
  • Nog enkele meerkeuze vragen H20 voornamelijk over temperatuur en entropie
  •  
  • Elektrochemie:
  •  
  • (1e zit) Gegeven: galvanische cel -> duid kathode/anode, +/- kant aan, hoe gaat de stroom binnen, de stroom buiten, bereken E° (2e zit: nu) 2 reacties gegeven: teken zelf de galvanische cel, duidt kathode aan, bereken het totaal reactie potentiaal
  •  
  • - Berekenen de totale druk van een reactie nadat die eerst in evenwicht wordt gebracht (via Kp)
  •  
  • - Oplosbaarheid: Je hebt 3 stoffen gegeven en AgNO3 die eraan toegedruppeld wordt. Welke neerslagen worden gevormd en in elke volgorde ? (NO3- is een nitraat en lost goed op -> geen neerslag) met Ag heb je met alle 3 de stoffen een neerslag bepaal de volgorde door Q > Ks en de gegeven concentraties
  •  
  • - Bepaal de reactie vergelijking en de orde van een gegeven reactie door SBS en zeg als de entropie van de reactie stijgt of daalt
  •  
  • - 3 gegeven stoffen, plaats ze volgens zuursterkte
  •  
  •  

De biosfeer: planten

Docent

Mieke Verbeken

Professor Verbeke is een zeer aangename prof, ze praat heel erg veel en heel erg graag. Vragen staat vrij na de lessen en via mail zal ze ook zeker antwoorden.

Cursus

De cursus is vrij beknopt. Probeer zoveel mogelijk naast de prenten en foto’s te schrijven tijdens de les. De laatste les zegt ze ook wat zij belangrijk vindt dat je goed kent.

Buis-o-meter

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2021-2022
  •  
  • 1) Geef de matamorfosen die te maken hebben met voedsel-/wateropslag van de planten (10p)
  •  
  • 2) Enkele woordjes: Corona, triplosperm, polycotylie,... (10p)
  •  
  • 3) Evolutieve aanpassingen van Lycophyta en Monylophyta (15p)
  •  
  • 4) Slides, foto's van planten die je in de juiste groepen moest plaatsen (10p)
  •  
  • 5) Levenscycli: varenplam, Marsilea quadrofolia, bladmossen (15p)
  •  
  •  
  • Examens
  •  
  • Bespreek de evolutie van de eicel doorheen de landplanten /15
  •  
  • De 3 types weefsels voor reserve voedsel bij de angiospermen /10
  •  
  • Geef metamorfose voor reserve opslag plant
  •  
  • ...
  •  
  • 1) Geef de morfologische kenmerken voor de diverse types doorns en stekels die een plant kan vertonen (herkenbaarheid!). Bespreek de structurele verschillen en geef voorbeelden. Werk waar mogelijk met een schets of tekening. (10)
  •  
  • 2) Definieer gametofyt en sporofyt. Bespreek de evolutie van gametofyt versus sporofyt doorheen de grote groepen van de landplanten. (15)
  •  
  • 3) Hoe ontstaat kurkweefsel? Schets! (5)
  •  
  • 4) Begrippen: (5)
  •  
  •   - Rhizoom
      - Steenvrucht
      - Decussaat
      - Tweehuizig
      - Anemochorie
  •  
  • 5) 3 levenscycli (15)
  •  
  •   - Cycas revoluta (varenpalm)
      - Equisetum arvense (heermoes)
      - Marsilea quadrifolia (tropische waterklaver)
  •  
  •  
  • Examen 2016-2017 2de zit
  •  
  • Versie 1
  •  
  • 1. Bespreek dubbele bevruchting + tekening. Waar? In welke groep/groepen, het nut ervan
  •  
  • 2. Bespreek Bryophyta (levenscyclus, relatie sporofyt/gametofyt, isosporie/heterosporie + groepen)
  •  
  • 3. Wat eet je: mais, radijs, bieslook, pindanoot, ananas
  •  
  • 4. Verklaar volgende woordjes: micropyle, stekel, polyfyletisch, decussaat, steenvrucht, stomata, rhizoom, seriële knoppen
  •  
  • 5. 3 figuren benoemen en aanvullen: cyclus van palmvaren en klavervaren, en verschil paardenkastanje en tamme kastanje
  •  
  • Versie 2
  •  
  • 1. Teken dwarsdoorsnede wortel, leg het ontstaan van de zijwortel uit (+ tekening), geef 5 metamorfosen van de wortel plus concrete voorbeelden
  •  
  • 2. Geef de grote verschillen van de 2 groepen binnen de spermatophyta ( co evolutie, vrucht, dubbele bevruchting,...)
  •  
  • 3. Wat eet je van : peer druif bloemkool witloof tamme kastanje
  •  
  • 4. Cycli van marseilla quadrifolia, levermos, pinopsida
  •  
  • 5. Woordjes uitleggen : fillocladium, spoelfiguur, coltylen, gametofyt, fellogeen, lenticellen
  •  
  •  
  • Examen 2016-2017 1ste zit
  •  
  • Versie 1
  •  
  • 1. Belangrijkste nieuwe kenmerken bij de Angiospermen (+ verklaar hun functie/nut)
  •  
  • 2. Bryophyta: hoe planten zij zich voort? Wat is de verhouding tussen sporofyt en gametofyt? Welke zijn de grote groepen binnen de Bryophyta? Wat is hun ecologie?
  •  
  • 3. Wat eet je? Kokosnoot, peer, witloof, rabarber, gember
  •  
  • 4. Verklaar: distich, oögamie, polyfyletisch, concentrische vaatbundel, tros
  •  
  • 5. levenscyclus: Heermoes en Vlotvaren
  •  
  • 6. 5 prentjes: tot welke groep behoren zij?
  •  
  • Versie 2
  •  
  • 1. Sporofyt en gametofyt en hun evolutie doorheen de grote groepen landplanten
  •  
  • 2. Verschil tussen stekels en doorns, geef verschillende typen en geef voorbeelden.
  •  
  • 3. Wat eet je ? knolselder, venkel, prei, vijg, aardbei
  •  
  • 4. 5 begrippen: perianth, diaspore, dichotomie, anemochorie, fyllocladium
  •  
  • 5. 2 blinde figuren: dierlijke cel vs plantencel, levenscyclus
  •  
  • 6. 5 foto's
  •  
  •  
  • Examen 2015-2016
  •  
  • Versie 1
  •  
  • 1. Ontstaan van kurkweefsel
  •  
  • 2. Evolutie van de eicel bij alle grote groepen van landplanten (plaats in de plant, beschermt door welke delen, enz.)
  •  
  • 3. Wat eet je van: witloof, rabarber, peer, gember en kokosnoot
  •  
  • 4. Verklaar volgende begrippen: anemochorie, distich, discus, protonema, polyfyletisch, concentrische vaatbundel, oögamie, zygomorf, ...
  •  
  • 5. 2 cyclussen: groenwieren en varenboom
  •  
  • 6. 10 foto's
  •  
  • Versie 2
  •  
  • 1. Geef 7 metamorfoses van de stengel (voorbeelden, tekeningen, ...)
  •  
  • 2. Leg uit wat heterosporie is en bespreek dit bij de grote groepen landplanten
  •  
  • 3. Wat eet je op bij maïs, bieslook, ananas, pinda's, radijs
  •  
  • 4. Verklaar volgende woordjes: apokarpie, pentamere bloem, zaad, tapetum, parafyletisch, protonema, rhizoom, collenchym
  •  
  • 5. Cyclus eikvaren en mos
  •  
  • 6. Prentjes uit de powerpoint herkennen
  •  
  • Versie 3
  •  
  • 1. Bespreek de gelijkenissen en verschillen tussen knollen en bollen
  •  
  • 2. Bespreek de voorouders van de landplanten en de belangrijkste nieuwe kenmerken die de landplanten hebben verworven
  •  
  • 3. Levenscyclus heermoes en klaverbladvaren (Beschrijf wat er gebeurt op de figuur op figuur)
  •  
  • 4. Welk deel van de plant eet je op: asperge, pijnboompitten, komkommer, knolselder
  •  
  • 5. Leg uit: actinomorf, endokarp, peristoom, dopvrucht, etnobotanie,aar, monofylitisch
  •  
  • 6. Tien foto's benoemen (situeer de planten in de 4 grote groepen, en geef indien mogelijk extra info)
  •  
  •  
  • Examen 2014-2015
  •  
  • Versie 1
  •  
  • 1. Doorns versus stekels, leg uit met voorbeelden.
  •  
  • 2. Sporofyt en gametofyt, definieer en leg de evolutie uit.
  •  
  • 3. Wat eet je van: paranoot? venkel, knolselder, radijs,....
  •  
  • 4. 5 begrippen
  •  
  • 5. Tekeningske van plantencel en diercel en cyclus van cycas revoluta
  •  
  • 6. 10 organismen worden geprojecteerd, zeg gewoon welke soort het is (tot aan Phylum?)
  •  
  • Versie 2
  •  
  • 1. Wortel: morfologie metamorfosen en ontstaan zijwortel.
  •  
  • 2. Verschillen tussen angiospermen en gynospermen.
  •  
  • 3. Wat eet je op van deze plant... komkomer asperge,...
  •  
  • 4. Begrippen fyllogeen, endosperm,...
  •  
  • 5. Figuren benoemen plantencel en een cyclus.
  •  
  • 6. 10 planten herkennen.
  •  
  •  

Fysica 2

Docent

Natalie Jackowicz

Professor Natalie Jachowicz is een moeilijk verstaanbare prof, ze praat namelijk heel stil. Praten duldt ze zeker niet, dan gaat ze je aanstaren tot je zwijgt, je praat dus beter niet in haar lessen. Je kan wel steeds bij haar terecht voor vragen na de les.

Cursus

Boek van Fysica 1 wordt opnieuw gebruikt maar nu ook Giancoli Deel 2, voor optica. Dit boek zal ook gebruikt worden voor Fysica 3.

Werkcolleges

Hier maak je oefeningen samen met de assistent. Je probeert eerst de oefeningen zelf waarna je ze samen met haar verbetert. De werkcolleges zijn niet verplicht, maar ze kunnen je wel goed helpen, aangezien sommige oefeningen van examenniveau zijn. Voor dit vak zijn er geen practica.

Buis-o-meter

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2019-2020
  •  
  • Theorie
  •  
  • 1. Toon aan dat de golf D(x,t)=Acos(kx-ωt+φ) voldoet aan de golfvergelijking.
  •  
  • Een golf loopt in de tegenovergestelde richting door het touw en vormt een staande golf, wat is de vergelijking van deze golf?
  •  
  • 2. Leg de Maxwelldistributie uit. Wat gebeurt er als de massa vergroot, bespreek de effectieve en gemiddelde snelheden…
  •  
  • 3. Leg een prismaverrekijker uit (met tekening) en geef het voordeel er van.
  •  
  • 4. Een bundel gepolariseerd licht met intensiteit I0 maakt een hoek ϑ0 met de horizontale x-as en gaat door een polarisator met hoek ϑTA en heeft intensiteit I; geef de intensiteit van het gepolariseerde licht, welke richting heeft het gepolariseerde licht, welke hoek moet de polarisator hebben om verticaal verder te gaan
  •  
  • Oefeningen
  •  
  • 1. Een vleermuis vliegt met een snelheid van 7,0m/s naar een muur en stuurt een signaal uit met frequentie 30kH, het signaal weerkaatst tegen een muur. Wat is de frequentie dat de vleermuis hoort, neem aan dat de lucht een temperatuur heeft van 20°C.
  •  
  • 2. Een persoon is bijziend en ziet dingen maar scherp tot een afstand van 17cm, daarvoor draagt die een bril dat op 2cm van het oog staat.
  •  
  • - Wat is de sterkte van de lens?
  •  
  • - Wat voor soort lens is het?
  •  
  • - Maak een tekening van de situatie
  •  
  • - Moest je de bril vervangen door contactlenzen, wat zou de sterkte dan zijn?
  •  
  • 3. Een Carnotwarmtemotor pompt koude lucht aan met een temperatuur van 11°C en geeft het af bij een temperatuur van 24°C. Wat de prestatiecoëfficiënt van die motor?
  •  
  • De motor heeft een vermogen van 1400W, wat is de hoeveelheid warmte dat de motor aan de omgeving aflevert per uur?
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018
  •  
  • Theorie
  •  
  • 1. Bespreek de werking van een warmtemotor + tekening. Geef de voordelen tegenover andere conventionele manieren om een gebouw te verwarmen. Bespreek de toepassing van de eerste en tweede wet van newton in dit proces. (4 pt)
  •  
  • 2. Over de decibelschaal (2 pt): Als de afstand van de waarnemer tot de bron verdubbelt, wat gebeurt er met de geluidsterkte in decibel die de waarnemer hoort? Als de amplitude verdubbelt, wat merkt de waarnemer dan aan de geluidsterkte? Als de intensiteit verdubbelt, wat merkt de waarnemer dan? Als er een toename is in geluidsterkte van 1 dB, met welke intensiteitsverandering gaat dat gepaard?
  •  
  • 3. Je kreeg 3 tekeningen van gebroken stralen en moest uitleggen of het wel of niet mogelijk was (met de brekingsindex enzo). Hoe groot moet een vlakke spiegel zijn om jezelf volledig te kunnen zien? (4 pt)
  •  
  • 4. Ligt het kritisch punt van water hoger of lager dan de algemene atmosfeerdruk? Verklaar je antwoord. (2 pt)
  •  
  • Oefeningen
  •  
  • 1. Over een staande golf, de amplitude bepalen aan de hand van de maximale snelheid in een punt van de golf. (2 pt)
  •  
  • 2. Een cameralens met een coating op en loodrecht invallend geel licht met golflengte 550 nm en je moest berekenen hoe dik de coating minimaal moest zijn om reflectie van het geel licht tegen te gaan. (3 pt)
  •  
  • 3. De effectieve snelheid van een deeltje in de lucht was gegeven, je moest dan zeggen over welk bestanddeel van lucht het ging. (3 pt)
  •  
  •  
  • Examen 2016-2017
  •  
  • Versie 1
  •  
  • 1. Geef het bewijs van de lenzenmakersvergelijking met tekening
  •  
  • 2. Wandklok met klepel wordt vergeleken aan de zee en in de bergen. In de bergen geeft de klok een andere tijd; loopt hij daar voor of achter en hoe los je het op?
  •  
  • 3. 3 vergelijkingen en 3 functies van golven zijn gegeven. Link elke golf met de juiste grafiek en geef het (/de) begintijdstip(pen)
  •  
  • 4. Teken het PV diagram van een diatomisch gas bij isobaar, isotherm en adiabatisch proces. Waar is de arbeid het groots en kleinst, waar is temperatuur het hoogst en laagst?
  •  
  • 5. Bepaal de massa van een touw. Gegeven: T, F en lengte
  •  
  • 6. Bepaal de minimale afstand tussen voorwerpen als je in een vliegtuig zit. Gegeven: hoogte van vliegtuig, diameter iris, golflengte licht (Raleighcriterium)
  •  
  • 7. Er wordt een ijsklontje in limonade (water) gegooid, wat is de finale temperatuur? Gegeven: massa en temperatuur van water en ijsblokje, c van water en ijs, en nog extra gegevens.
  •  
  • Versie 2
  •  
  • 1. Geef de afleiding van een golf in een vloeistof, wat voor soort golf is dit en enkele voorbeelden.
  •  
  • 2. Als we een parallelle lichtbundel hebben op een dubbel bolle lens, gaat het brandpunt dan veranderen als we het in lucht en water proberen, verklaar je antwoord door een schets.
  •  
  • 3. Maak een curve van de Maxwell verdeling, duidt aan wat de waarschijnlijke - de gemiddelde - en effectieve snelheid is maak een andere curve op de grafiek bij lagere temperatuur.
  •  
  • 4. Oefeningen : fysische slinger, zon, arbeid
  •  
  •  
  • Examen 2015-2016
  •  
  • Versie 1
  •  
  • 1. Geef de formule voor de snelheid in een longitudinale golf in een vloeistof. Leidt deze ook af en geef enkel voorbeelden van zo een golf. (4p)
  •  
  • 2. Bij een gegeven T-t grafiek van een opwarming van een vaste stof tot een gas. Rangschik de soortelijke warmtes c, rangschik de latente warmtes L. Duid op de grafiek aan waar het smeltpunt en kookpunt ligt. Teken de grafiek opnieuw als de massa zou verdubbelen. Teken de grafiek opnieuw als het vermogen zou verdubbelden. (4p)
  •  
  • 3. (gegeven tekening) Een verrekijker gebruikt een prisma met tophoek 90 graden. Wat is de minimale brekingsindex van het prisma? Wat gebeurt er onder water. (4p)
  •  
  • 4. Vleermuis vliegt met snelheid naar een muur en zendt een frequentie van 30,0 kHz uit. Welke frequentie hoort de vleermuis terug? (2p)
  •  
  • 5. Een carnotcyclus werkt tussen 800K en 350K en verricht een arbeid van 1200J. een cyclus duurt 0.25s. Wat is het gemiddelde vermogen? Geef de entropieverandering bij hoge en lage temperatuur en in de gehele cyclus. Geef Qh en QL. (4p)
  •  
  • 6. Een gegeven tekening van een spelletje met laserguns. Ze zenden alle 4 een lichtstraal uit op het zelfde moment naar een centraal doel, maar gaan door verschillende kunststoffen met elk een eigen brekingsindex. Alle stralen loodrecht. Welke straal komt eerst aan? Hoelang doet deze straal erover? (2p)
  •  
  • Versie 2
  •  
  • 1. Bespreek de gedempte harmonische trilling (4p)
  •  
  • 2. A.(tekening van een vis in het water, de man uit het water) Ziet de persoon de vis achter of voor de positie waar die in werkelijkheid is. Ziet de vis de man hoger of lager dan waar de man is. B. Bij een secundaire regenboog, geef de volgorde van de kleuren (geen bespreking) C. (tekening van 3 kunststoffen met verschillend brekingsindexen waar 1 straal door getekend is met verschillende hoeken aangeduid) Geef de volgorde van de brekingsindexen van klein naar groot)
  •  
  • 3. Bespreek bij Slinky, haar favoriete trap speeltje, de golf en bereken met een paar gegevens het golfgetal.
  •  
  • 4. Buigingsrooster, bereken de hoek met enkele gegevens.
  •  
  • 5. Vat gevuld met water staat buiten (-14C). Hoe snel zal het ijs aandikken met enkele gegevens.
  •  
  •  
  • Examen 2014-2015
  •  
  • 1. bespreek de tweespletenproef van young. (interferentie)
  •  
  • 2. meerkeuze vragen over thermodynamica ivm adiabaat, isochoor, isotherm
  •  
  • 3. Oefening 1: Dopplereffect: politiewagen rijdt achter je met gegeven frequentie, politiewagen steekt je voorbij, rijdt voor je met gegeven frequentie.. Wat is de effectieve frequentie?
  •  
  • 4. Oefening 2: Optica: Dubbele breking van een mineraal :calciet
  •  
  • 5. bereken de kritische hoeken? (formularium)
  •  
  •  

Inleiding tot de petrologie

Docent

Johan De Grave

Johan De Grave is een prof die wil dat je de les echt begrijpt, doorlopend geeft hij een aantal vragen tijdens de les om te zien of de leerstof duidelijk is. Deze vragen zijn vooral inzichtelijk en dus handig om te weten voor je naar het examen stapt. Naar de les komen is dus de boodschap en aarzel niet om na de les nog vragen te stellen, hij zal deze (hoe simpel dan ook) graag beantwoorden.

Cursus

Je zal schrikken van de dikte van deze cursus, maar ook hier zijn er veel figuren aanwezig. De cursus is verdeeld in 2 delen. In het eerste deel komen de magmatische, sedimentaire en metamorfe gesteenten aan bod. Leer dit eerste deel zeer grondig, want dit deel is de basis van de petrologie om het zo te zeggen. Het tweede deel gaat over deze gesteenten in de geodynamische context, hier doen de meeste geologie studenten het voor. Vulkanen, platentektoniek, magmatisme en dergelijke komen hierbij aan bod. Alle figuren zitten achteraan de cursus, het is dus handig om op elke figuur te schrijven bij welke pagina van de cursus het hoort.

Practica

Er zijn een paar practica, de eerste practica gaan over de normberekening. Probeer bij het eerste practicum hiervan zeer goed te volgen en mee te zijn, dit is echt een belangrijk deel (... komt op het examen dus). Bij de overige practica moet je de gesteenten identificeren. Neem zeker voor de eerste practica je rekenmachine mee.

Buis-o-meter

  •  
  • TWIEOOS
  • Herexamen 2021-2022
  •  
  • 1) Begrippen: blastoporfirisch, porfiotopisch, grauwacke, LIP, LVZ, kataklastisch...
  •  
  • 2) Max 10 zinnen + tekening : Petijohn, fracturezone vs transforme, actieve vs passieve rift, devolatilisatie en nog iets
  •  
  • 3) Magmatische differentiatie in al haar aspecten
  •  
  • 4) Bestanddelen van kalkstenen en hoe ze geclassificeerd worden
  •  
  • 5) Magmatisme en metamorfe processen en facies subductiezone
  •  
  •  
  • Examen 2021-2022
  •  
  • 1) Defenities: LIP, IAT, manteltransitiezone, CCD, lherzoliet, glomeroporirisch, ...
  •  
  • 2) Uitleggen in max 10 zinnen: classificatie van Dunham, Fransciaans reeks ofzo, conedikes en ringdikes, manteltransitie zone, ...
  •  
  • 3) De vulkaan Kilauae: Hoe is deze gevormd, welk type vulkaan is dit, vulkaan in geodynamische context, type eruptie(s). welke vulkanische structuren kan je hierbij aantreffen? petrogenese hievan?...
  •  
  • 4) Welk type gesteente komt voor bij een MOR? Vorming + metamorfe processen.
  •  
  • 5) Rudieten uitleggen.
  •  
  •  
  • Examen
  •  
  • 1) 5 begrippen (25/100): Barroviaanse zonering, AFM diagram, Dunham + tekening, kataklastisch gesteente
  •  
  • 2) Hot-spot vulkanisme oceaan uitleggen, ontstaan magmagenese gesteenten, dus eigenlijk zowat alles wat we gezien hebben hierover (40/100)
  •  
  • 3) Rudieten bespreken en classificatie (15/100)
  •  
  • 4) Pract CIPW (20/100)
  •  
  •  
  • Examen 2018-2019
  •  
  • Begrippen
  •  
  • • Grauwacke
  •  
  • • Kataklastisch
  •  
  • • Power’s schaal
  •  
  • • Migmatiet
  •  
  • • Porfiotopisch
  •  
  • • Mantelgrenszone
  •  
  • • Back arc basin
  •  
  • • Blastoporfirisch
  •  
  • • Basaniet
  •  
  • • Bentoniet
  •  
  • • Harzburgiet
  •  
  • • Chemische maturatie
  •  
  • • Forearcbasin
  •  
  • • LVZ
  •  
  • 10 lijnen
  •  
  • • Pettijohn
  •  
  • • Transforme breuk vs fraction zone
  •  
  • • devolatilisatie
  •  
  • Situeren op kaart
  •  
  • • Cocosplaat
  •  
  • • Kurillen
  •  
  • • Novaruptia
  •  
  • • Mount saint helens
  •  
  • • Deccan traps
  •  
  • • Ijsland
  •  
  • • Yellowstone
  •  
  • • Afar dome
  •  
  • • Vesuvius
  •  
  • • Sonda boog
  •  
  • Magmatische differentiatie (alle aspecten)
  •  
  • Metamorfe, gewone gesteentne & magmagenese subductiezones
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018
  •  
  • Theorie
  •  
  • 1. 15 begrippen in 2 à 3 zinnen verklaren: CCD, lherzoliet, transpressie, fulgariet, LIP, VEI, skarn, lapilli, glomeroporfirisch, anatexie, carbonatiet, ... (15pt)
  •  
  • 2. Omschrijf in max. 10 zinnen + tekening: Classificatie van dunham, ringdike en conesheet, gefractioneerde kristallisatie, franciscaanse reeks, ... (20pt)
  •  
  • 3. Allemaal kleine deelvraagjes over de Kilauea: Welk soort vulkanische gesteenten komt bij de Kilauea meest voor en bespreek er kort de mineralogie van. Wat is de petrogenese van deze gesteenten? Bij hetzelfde vulkanisch bouwwerk, welk soort vulkanische gesteenten komen er nog voor? Wat is dan hiervan de petrogenese? In welke geomorfologische context is dit ontstaan? Wat voor vulkaan is het? (15pt)
  •  
  • 4. Bespreek naamgeving, classificatie, texturele kenmerken... van de rudieten.
  •  
  • 5. Bespreek welke gesteenten er ontstaan aan een MOR en geef er desnoods een figuur bij. Bespreek dus ook de metamorfe faciës enzo die hierbij aan te pas komen.
  •  
  • Practicum
  •  
  • 3 gesteenten determineren en veel eigenschappen over opschrijven. Daarna een CIPW norm berekening van gesteente 3 (we kregen 3 reeksen gegevens van chemische elementen in het gesteente). Dan bepalen welke gesteenten het waren (Met TAS-diagram). Dan zeggen welke 2 van de 3 gesteenten er van eenzelfde magmatische reeks waren. Dan de alkali-kalk index bepalen met zo een grafiekje.
  •  
  •  
  • Examen 2016-2017 2de zit
  •  
  • 1. Pettijohn, maak een tekening erbij
  •  
  • 2. Verschil glaucofaan en glauconiet
  •  
  • 3. Chemische verwering
  •  
  • 4. Carbonatiet
  •  
  • 5. Bespreek magmagenese, alle processen, petrografische en chemische kenmerken en gesteenten die we terug vinden bij Hot spots
  •  
  • 6. Bespreek rudieten, classificatie, definitie,.. (Gewoon alles wat je er kan over zeggen)
  •  
  •  
  • Examen 2016-2017 1ste zit
  •  
  • Versie 1
  •  
  • 1. Begrippen: Stromatoliet, Classificatie van Dunham, Geofysische vs petrologische Moho, Modale vs Normatieve samenstelling
  •  
  • 2. Bespreek magmagenese in alle mogelijke contexten. Welke primaire magmatische gesteenten worden er gevormd? Geef een voorbeeld van elke context.
  •  
  • 3. Bespreek ook kort de verschillende types magmatische differentiatie. Welke parameters en technieken gebruiken we om de differentiatie te verklaren?
  •  
  • 4. Uit welke bestanddelen zijn kalkstenen opgebouwd? Hoe en bij welke classificaties van kalkstenen komen ze tot stand?
  •  
  • Versie 2
  •  
  • 1. Bespreek : Post-sedimentaire structuren en pré-sedimentaire structuren
  •  
  • 2. Bespreek de wet van Stokes en toepassingen hier op
  •  
  • 3. Bespreek subductie, soorten bekkens, geef geografische voorbeelden en voorkomende gesteenten en maak een schets
  •  
  • 4. Bespreek Thermische, dynamische en regionale metamorfose voor carbonaten, voorbeelden, gesteenten en classificatie geven
  •  
  •  
  • Examen 2015-2016
  •  
  • 1. 15 Meerkeuzevragen
  •  
  • 2. Woordjes (max 10 lijntjes + figuren) : BIF, CCD, sediment maturatie, ofioliet, Paired Metamorphic Belts, randbekken, transforme breuk VS fracture Zone, Petijohn classificatie, Bowenreeks, carbonatiet, contactmetamorfe zones, Hotspottrack, Barroviaanse zonering
  •  
  • 3. Bespreek magmagenese, petrogenese, magmatypes, ... van MOR en van Hot Spots. Geef de gelijkenissen en verschillen en leg uit
  •  
  • 4. Bespreek prograde thermometamorfose voor pelitische en carbonaatsequenties,. Geef de verschillende reacties, texturen, ...
  •  
  • 5. Zet uiteen : de metamorfose aan de MOR. Beschrijf de magmagenese, de verschillende reeksen, de gesteentes en mineralen
  •  
  • 6. Bespreek de magmagenese ter hoogte van een subductie zone
  •  
  •  
  • Examen 2011-2012
  •  
  • 1. Bespreek in 10 lijntjes: Neomorfose vs Neoformatie, Classificate van Folk en Dunham, CI vs DI, Fysische vs. Chemische compactie, Hydrolyse vs. Hydratatie (+ voorbeelden), Formule van Stokes (+ toepassing)
  •  
  • 2. Bespreek assimilatie, ontmenging en menging
  •  
  • 3. Bespreek sedimentaire kiezel – chertsgesteenten en sedimentaire ijzergesteenten
  •  
  • 4. Bespreek de petrogenese van de oceanische eilanden en van de midden- oceanische ruggen. Welke gesteenten komen er voor?
  •  
  • 5. Bespreek faciësreeks en faciësgradiënt. Welke faciësreeksen ken je? Waar komen ze voor? Welke gesteenten komen erin voor? Bespreek het P/T- verloop bij metamorfose. Wat zijn ‘paired- metamorphic belts’? Waar komen ze voor?
  •  
  •  
  • Vaak gestelde vragen
  •  
  • Geef en bespreek de classificatie bij dynamisch metamorfe gesteenten
  •  
  • Bespreek regionaal metamorfisme en bespreek de pelitische en de basisch-magmatische sequentie.
  •  
  • Bespreek de verschillende gesteentereeksen bij magmatisme aan plaatranden.
  •  
  • Bespreek de classificatie van psammieten, spefieten ed.
  •  
  • Bespreek de convectiestromen
  •  
  • Geef het faciësconcept volgens Eskola.
  •  
  • Bespreek de Wilsoncyclus (+ voorbeelden bij elk stadium)
  •  
  • Bepreek hotspot vulkanisme en intra-plaatvulkanisme + voorbeelden
  •  
  • Bespreek geologisch oude sedimenten (biologische sedimenten)
  •  
  • Bespreek dynamisch metamorfisme
  •  
  • Bespreek intra-plaat eilanden
  •  
  • Assimilatie, ontmengin, menging bespreken
  •  
  • Pelitische bestanddelen (voorkomen,......)
  •  
  • Bespreek aseismische ruggen + 2 voorbeelden
  •  
  • Bespreek de metamorfose ter hoogte van de eilandenbogen (Maak een figuur met een doorsnede en bespreek op basis hiervan de verschillende faciës, de representatieve gesteenten en hun kenmerkende mineralen). Licht in dit verband de specifieke betekenis toe van de japanse archipel
  •  
  • Teken een blokschema met de verschillende platentektonische contexten en d emagmatische gesteentesoorten (reeksen) die er aangetroffen worden. Plaats in dit schema de gesteenten met volgend acronym: MORB, BABB, IAT. Geef de volledige naam van deze gesteentesoort en hun karakteristieke mineralogische en/of chemische kenmerken. Waardoor onderscheiden deze drie gesteentesoorten zich van elkaar? Waar en hoe gebeurt de genese van het magma waaruit zij ontstaan zijn?
  •  
  • Woordjes of Tekeningen:
  •  
  • metamorfic belts
  •  
  • fenokristen
  •  
  • amandel
  •  
  • ofioliet
  •  
  • tolleiet
  •  
  • norm
  •  
  • BIF
  •  
  • LIP
  •  
  • Alkali-kalk index (adhv tekening)
  •  
  • Ofelietcomplex (adhv tekening)
  •  
  • Φ
  •  
  • Dunhamclassificatie
  •  
  • Pelée
  •  
  • Evaporitische flux
  •  
  • Becke reeks
  •  
  • Sliert-textuur
  •  
  • Fenner reeks
  •  
  • Chemische compactie (adhv tekening)
  •  
  • Ci
  •  
  • Hjulstrom
  •  
  • Caldera
  •  
  • Lahar
  •  
  • Ignimbriet
  •  
  • Glauconiet
  •  
  • Obductie
  •  
  •  

Wiskunde 2

Docent

Koen Thas

Koen Thas is een vrij jonge prof die enthousiast lesgeeft. Tijdens de les geeft hij vrijwel enkel bewijzen uit de cursus en minder uitleg maar de cursus is wel duidelijk opgesteld. Dit vak heb je nog met een drietal andere richtingen en het lokaal is beperkt qua ruimte dus wees er snel bij voor een plaatsje.

Cursus

Zoals reeds gezegd is de cursus duidelijk opgesteld en bestaat vooral uit bewijzen. Laat je niet afschrikken, er zijn bewijzen, maar de laatste les overloopt de prof welke te kennen zijn. De cursus is zelf af te printen via Minerva.

Werkcolleges

Hier worden massa’s oefeningen gemaakt. Ze zijn zeer nuttig want de theorie wordt deels nog eens herhaald. Je krijgt de kans om zelf oefeningen te maken en indien er vragen zijn komt de assistent die individueel beantwoorden.

Buis-o-meter

Dit bestaat uit 2 delen, een deel theorie en wanneer dit klaar is krijg je nog een deel oefeningen. De theorie bestaat uit een drietal vragen waarvan 1 waar of vals. Je moet ook enkele bewijzen geven en er zit ook een vraag in waar je inzicht voor nodig hebt. Er is bij dit vak ook een goed forum op Minerva waar je vragen snel beantwoordt worden. Ook komen er enkele voorbeeldexamens op Minerva, zonder uitkomst weliswaar. Voor wiskunde 2 staan er ook meerdere filmpjes op waar de assistente oefeningen nog eens stap voor stap maakt.

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen oefeningen komen telkens op Minerva
  •  
  •  
  • Theorie examen 2020-2021
  •  
  • 1) a. Geef alle meetkundige rijen met grondgetal 1 waarvoor geldt dat elke term in de rij gelijk is aan de som van de twee vorige termen
    b. wat is de rij van fibonacci bij definitie
    c. schrijf de rij van fibonacci als een meetkundige rij adhv de oplossing uit (a)
    d. hoe kan de rij van fibonacci gebruikt worden als een methode om het gedrag van een populatie te voorspellen
  •  
  • 2) a. wat is bij definitie een logistieke differentiaalvergelijking
    b. geef de oplossing van de differentiaalvergelijking, bewijs elke stap
  •  
  • 3) Waar of vals?
      a. Een reële functie f(x)=3 heeft een reële inverse functie
      b. y’=… heeft oneindig veel oplossingen
  •  
  •  
  • Theorie examen 2019-2020
  •  
  • 1) - Definieer een rij
  •  
  • - Bewijs dat ((2,8)^n)/n! = 0
  •  
  • 2) - Definieer een logistische difrentiaalvergelijkening, leg hierbij ook uit wat de termen betekenen
  •  
  • - werk deze diffrentiaalvergelijking uit, geen uitwerking voor r> of < 0 en geen uitwerking voor grote of kleine populaties
  •  
  • 3) Waar of Vals
  •  
  • - Er bestaat gene functie waarvan de afgeleide de functie zelf is
  •  
  • - De standaardvgl van een hyperbool is x^2 + y^2 =-1
  •  
  •  
  • Theorie examen 2017-2018
  •  
  • 1. Geef de defenitie van een bepaalde en onbepaalde integraal.
  •  
  • 2. Bewijs inhoud van een omwentelingslichaam.
  •  
  • 3. Bereken de inhoud van een kegel met hoogte A en straal B
  •  
  • 4. 4 waar-of-fout-vragen
  •  
  •  
  • Examen 2016-2017 2de zit
  •  
  • Vraag 1
  •  
  • A. Definieer het begrip meetkundige rij.
  •  
  • B. Bepaal alle meetkundige rijen met beginterm 1 waarin elke term (vanaf de derde) de som is van de twee termen die eraan vooraf gaan.
  •  
  • Vraag 2
  •  
  • A. Definieer het begrip ellips. Bepaal nu de standaardgedaante van een ellips.
  •  
  • Vraag 3
  •  
  • A. Wat is een logistische differentiaalvergelijking (bij definitie)? (Geef voldoende uitleg bij de notatie!)
  •  
  • B. Wat is bij definitie de karakteristieke vergelijking van de differentiaalvergelijking y" + ay' + by = 0, waar a,b e R en y = y(x)?
  •  
  • C. Onderstel dat D de discriminant is van de karakteristieke vergelijking van een gegeven lineaire differentiaalvergelijking van de tweede orde. Stel dat D > 0, en dat lambda1 en lambda2 de twee oplossingen zijn van de karakteristieke vergelijking. Bewijs dat de oplossingen van de homogene differentiaalvergelijking precies de lineaire combinaties c1e^(lambda1*x) + c2e^(lambda2*x) zijn (c1 en c2 e R)
  •  
  • Vraag 4
  •  
  • A. Er geldt dat lim(x --> +oneindig) (9.3^n)/(n-1)! = 0
  •  
  • B. De functie gamma : R --> R : x --> pi is inverteerbaar.
  •  
  • C. De grafiek van de functie y = f(x) heeft voor u <= x <= v de lengte :(gegeven is de integraal van volume)
  •  
  •  
  • Examen 2016-2017 1ste zit
  •  
  • Vraag 1
  •  
  • A. Definieer de exponentiele functie
  •  
  • B. Toon aan dat voor alle reele a en b, e^(a+b) = e^a.e^b
  •  
  • C. Toon aan dat e^x strikt stijgend is
  •  
  • D. Bestaan er andere functies die voldoen aan de eigenschappen van de exponentiele functie? Motiveer
  •  
  • Vraag 2
  •  
  • A. Wat is de logistische differentiaalvergelijking (definitie)
  •  
  • B. Bespreek de oplossingen van de logistische differentiaalvergelijking (bewijs al je stappen)
  •  
  • C. Bespreek de oplossingen van de logistische differentiaalvergelijking voor kleine populaties (bewijs al je stappen)
  •  
  • Vraag 3: Waar of vals (verklaar indien vals)
  •  
  • A. Als lim x->a f(x) = 1 en lim x->a g(x) = inf, dan is lim x->a f(x) ^ g(x) = 1
  •  
  • B. De karakteristieke vergelijking van de homogene differentiaalvergelijking is: p^2 + ap + b = 0 (Met p een onbekende)
  •  
  • C. De functie y: R-> [-1,1]: x->sinx is inverteerbaar
  •  
  • D. Voor elke a E R bestaat er een N E R zodat a^m > m! van zodra m>=N
  •  
  • E. Er geld dat 1 + 1/2 + 1/4 +... = inf
  •  
  •  
  • Examen 2014-2015
  •  
  • Vraag 1
  •  
  • A. Wanneer is bij definitie een functie continu over een bepaald interval?
  •  
  • B. Bereken int(0->1) x dx zonder gebruik te maken van onbepaalde integratie. Verdeel het interval dus in delen en bepaal de limiet
  •  
  • C. Onderstel een gegeven positieve functie y=f(x)>0 ,gedefinieerd voor a<=x<=b. De beeldlijn y=f(x), de rechten x=a , x=b en het lijnstuk [a,b], bakenen samen een stuk van het xy-vlak af. als men dit stuk om de x-as laat wentelen ontstaat een ruimtelichaam. wat is het volume van dit ruimtelichaam?
  •  
  • D. Bepaal het volume van een kegel met hoogte 3h en halve openingshoek 3a door vraag1, deel 3 toe te passen.
  •  
  • Vraag 2
  •  
  • A. Wat is een differentiaalvergelijking van de eerste orde met gescheiden veranderlijke. Beschrijf hoe je voor zo'n vergelijking de oplossing bepaald.
  •  
  • B. Wat is een logistische differentiaalvergelijking?
  •  
  • C. Beschrijf de algemene oplossing van de logistische differentiaalvergelijking.Leg ook de stappen uit. (gebruik vraag2, deel 1)
  •  
  • Vraag 3: Waar of vals?
  •  
  • A. Als x in radialen uitgedrukt is dan is lim(x->0) sin(x)/x >= 1/2
  •  
  • B. Onderstel dat a>0 een willekeurig grondgetal is. Dan is voor elke reële x en y: a^x "*" a^y = a^xy
  •  
  •  
  • Examen 2012-2013
  •  
  • Vraag 1
  •  
  • A. Definieer begrip kegelsnede (met richtlijn L, brandpunt F en excentriciteit e), definieer tevens de begrippen ellips parabool en hyperbool
  •  
  • B. Bepaal de standaardgedaante van de ellips
  •  
  • C. Bewijs dat de afstand van een punt op de ellips tot de 2 brandpunten onafhankelijk is van dat punt op de ellips
  •  
  • D. Bewijs dat de raaklijn door een punt P op de ellips de bissectrice is van de buitenhoek in P van de driekhoek P en de 2 brandpunten
  •  
  • Vraag 2
  •  
  • A. Wat is een differentiaal vergelijking van de eerste orde met gescheiden veranderlijken (bij definitie)?
  •  
  • B. Wat is een logistieke diferentiaal vergelijking (bij definitie)?
  •  
  • C. Leg uit hoe de algemene oplossing van deze vergelijking eruit ziet, bewijs al je stappen
  •  
  • D. Bespreek de logistieke differentiaalvergelijking voor kleine en grote populaties
  •  
  • Vraag 3: Waar of vals, indien vals: leg uit.
  •  
  • A. Als x in radialen uitgedrukt wordt dan is de lim x->0 (sin(x)/x)=1 - er zijn oneindig veel meetkundige rijen 1,r,r²,... waarvan elke term (vanaf de derde) de som is van de 2 voorgaande termen
  •  
  • B. Voor x e R hebben we de taylorreeks: e^x= 1 + x + x²/2 + x³/3 + x^4/4+ ...
  •  
  • C. De lengte van de grafiek van de continue functie y= f(x) voor a
  •  
  •  

Systeem Aarde: inleiding tot de fysische geografie

Docent

Amaury Frankl

Amaury Frankl is een jonge prof die voornamelijk aan geografen lesgeeft, hij is zeer sympathiek maar soms een beetje traag. In zijn lessen geeft hij uitleg bij zijn powerpoint die vooral bestaat uit foto’s, maar de uitleg staat evengoed in je cursus. Praten in de les vindt hij niet zo erg, zolang je zijn les maar niet stoort.

Cursus

De cursus is ongeveer 180 pagina’s. Er staan veel foto’s bij. Sommigen vinden deze cursus een hel, anderen vinden hem super georganiseerd. Tijdens de les kan je nota’s maken maar het is geen noodzaak.

Practica

De practica zijn niet zoals je ze verwacht. Je wordt er getest op je zelfstandigheid. Bereid deze dus thuis goed voor, want voor de helft van de tijd weet je anders niet wat je moet doen en heb je op het einde van het practicum tijd te kort. De 6 punten die ermee te verdienen vallen, kom je niet te weten. Zorg dus dat je op het theoretisch gedeelte goed scoort.

Excursie

1 dag met de bus naar de streek rond Cap Blanc-Nez. Zorg er voor dat je goed noteert (vooral aan de Cap Blanc-Nez zelf), want daar komen verschillende vragen over op het examen. Vermits de prof niet echt luid praat, is het aan te raden dichtbij te staan. Neem ook iets mee waar je foto’s mee kan maken, dit kan helpen om de leerstof te verwerken.

Buis-o-meter

Het examen bestaat uit meerkeuze vragen zonder giscorrectie. Je krijgt zowel vragen over de excursie als over de cursus zelf. De vragen zijn geen letterlijke vragen maar eerder inzichtvragen. Voor diegenen die toch een herexamen zouden hebben, dit is dan geen meerkeuze maar een mondeling examen met 2 open vragen.

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2021-2022
  •  
  • Deel 1:
  •  
  • Definieer kort de volgende begrippen (schrijf kernachtig en enkel binnen de box)
  •  
  •   - Massabewegingen
      - Verwering
      - Bergstorting
      - Gelifluctie
      - Geconcentreerde watererosie
      - Versnelde erosie
      - Thalweg
      - Transport in suspensie
      - Alluviale rivier
      - Meanderkruising
      - Insnijdingsterrassen
      - Daltorso
      - Reliëfratio
      - Lag deposit
      - Rotsgletsjer
  •  
  • Deel 2:
  •  
  • 1) Welke ingreep op een grondverschuiving onder bos in de Vlaamse Ardennen zal de gevoeligheid voor her-activering van een massabeweging verhogen en is dus onveilig?
      A. Afgraven van de tong (onderste deel) van de grondverschuiving om een weg aan te leggen (juist)
      B. Aanleggen van een drainagebuis die het oppervlakkige water afvoert weg van de grondverschuiving
      C. Aanleggen van een mountainbikeparcours
  •  
  • 2) Welke reeks heeft een afnemende runoff coëfficiënt?
      A. Eikenbos, weiland, akker, onbegroeid
      B. Onbegroeid, akker, weiland, eikenbos (juist)
      C. Eikenbos, akker, weiland, onbegroeid
  •  
  • 3) De grasstroken op deze akkers verminderen geul- en intergeulerosie, maar bij welke RUSLE-factor moet je ze in rekening brengen?
      A. C-factor
      B. K-factor
      C. LS-factor
      D. P-factor (juist)
  •  
  • 4) Erosie onderscheidt zich van verwering omdat…
      A. De snelheid van erosieprocessen veel hoger zijn
      B. Er bij erosie transport van materiaal is (juist)
      C. Er bij erosie secundaire kleimineralen ontstaan
  •  
  • 5) We beschouwen een landbouwbekken van 50 ha waar de bodems een bulkdensiteit van 1 g cm-3 (of 1 Mg m-3)hebben. In de regio is de snelheid van bodemvorming gelijk aan 0.5 Mg ha-1 jaar-1. Er doet zich een hevige stortbui voor en deze veroorzaakt een bodemverlies van 50 m³ in het bekken. Hoeveel keer moet dit fenomeen in één jaar minimaal voorkomen alvorens men in het bekken 'versnelde erosie' heeft?
      A. 1 keer (juist)
      B. 3 keer
      C. 5 keer
      D. 7 keer of meer
  •  
  • 6) De gewasresiduen op deze akker verminderen geul- en intergeulerosie, maar bij welke RUSLE-factor moet je ze in rekening brengen?
      A. C-factor
      B. K-factor
      C. LS-factor
      D. P-factor (juist)
  •  
  • 7) De topografische drempelwaarde…
      A. Beschouwt de bekkengrootte en hellingsgradiënt om plaatsen in het reliëf te identificeren die aanleiding geven tot het ontstaan van ravijnhoofden (juist)
      B. Beschouwt de hellingsgradiënt en debiet van een rivier om het onderscheid te maken tussen vlechtende en meanderende rivieren
      C. Beschouwt de hellingsgradiënt waarboven het reliëf gevoelig wordt voor grondverschuivingen
  •  
  • 8) Het bodemerosiebeleid in Vlaanderen heeft ertoe geleidt dat…
      A. Bepaalde teelten zoals maïs en ajuinen aan striktere regels zijn onderworpen, en dat daarom het erosierisico is afgenomen de laatste jaren
      B. Het erosierisico op alle percelen is afgenomen de laatste jaren
      C. Het erosierisico op de meest gevoelige percelen is afgenomen de laatste jaren (juist)
  •  
  • 9) Waarom daalt de specifieke sedimentexport bij een toename van de bekkengrootte?
      A. Omdat de stroomorde van rivieren groter wordt in grotere bekkens
      B. Omdat er in grotere bekkens meer plaatsen zijn waar sedimentatie kan plaatsvinden (juist)
      C. Omdat in grotere bekkens de drainagedensiteit lager is
  •  
  • 10) Wat is de korrelgrootte van silt?
      A. Kleiner dan 0.001 mm
      B. 0.001 tot 0.002 mm
      C. 0.002 tot 0.064 mm (juist)
      D. 0.1 tot 0.5 mm
      E. 0.5 tot 1 mm
  •  
  • 11) Een rivier die niet naar de zee stroomt, die…
      A. Heeft een efemeer regime
      B. Stroomt in een endorheïsch bekken (juist)
      C. Stroomt in een karstgebied
  •  
  • 12) Welk drainagepatroon verwacht je in een karstgebied?
      A
      B (juist)
      C
      D
      E
  •  
  • 13) Welke letter heeft de laagste hoogteligging? (Afbeelding)
      A
      B
      C (juist)
      D
  •  
  • 14) Hoeveel rivierterrassen kan je tellen op onderstaande afbeelding (voorgrond)? (Afbeelding)
      A. 2
      B. 3
      C. 4 (juist)
  •  
  • 15) Wat is het type rivierterras op de vorige afbeelding?
      A. Accumulatief (juist)
      B. Insnijdings
      C. Regressief
  •  
  • 16) Met welk reliëfprofiel komen de hoogtelijnen overeen?
      A
      B
      C
      D
      E (juist)
  •  
  • 17) Reliëfvorming voor het model van het Penck stelt dat…
      A. De steilte van de hellingen in verhouding is tot opheffingsnelheid en aard van de gesteente
      B. De steilte van hellingen afhankelijk is van de snelheid van tektonische opheffing (juist)
      C. De vorm van de hellingen wordt bepaald door het type proces dat ze vormgeeft
      D. Na de ontwikkeling van een schiervlakte, de geomorfologische cyclus zich zal herhalen
  •  
  • 18) Welk proces geeft aanleiding tot de vorming van dit kloofdal?
      A. Antecedente dalvorming
      B. Platentektoniek
      C. Regressieve erosie (juist)
  •  
  • 19) Van onder naar boven is een kronkelwaard samengesteld uit…
      A. Grind en zand onderaan, silt en klei bovenaan (juist)
      B. Grind en zand zowel bovenaan als onderaan
      C. Silt en klei onderaan, grind en zand bovenaan
      D. Silt en klei zowel bovenaan als onderaan
  •  
  • 20) Van welke Strahler-stroomorde is het riviersegment dat wordt aangeduid met de pijl?
      A. Eerste orde
      B. Tweede orde
      C. Derde orde
      D. Vierde orde (juist)
      E. Vijfde orde
  •  
  • 21) Dateringen van speleothemen wijzen erop dat de grot van Remouchamps gevormd werd….
      A. In het Paleozoïcum
      B. Tijdens glaciale periodes
      C. Tijdens het Krijt
      D. Tijdens interglacialen (juist)
  •  
  • 22) Canyons zijn kloofvormige valleien die vele karstgebieden kenmerken. Nochtans verdwijnt in karstgebieden vrijwel al het regen- of sneeuwsmeltwater in het gesteente, zodat er meestal geen afgelijnde stroombekkens of rivieren aan het oppervlak zijn. Hoe komt het dan dat we canyons vinden in karstgebieden?
      A. Omdat canyons ontstaan uit de instorting van grotten
      B. Omdat canyons zich in de hydrogeologish verdronken zone bevinden en daarom stromend water bevatten
      C. Omdat het vaak over allogene valleien gaat die hun bron in andere gebieden hebben (juist)
  •  
  • 23) Silex in rivierterrassen van de Schelde is afkomstig van…
      A. Cenozoïsche afzettingen in België
      B. Eolische processen tijdens de IJstijden
      C. Grondverschuivingen
      D. Mesozoïsche afzettingen in Frankrijk (juist)
  •  
  • 24) Wat zal aanleiding geven tot het meest gesorteerde sediment op basis van de korrelgrootte
      A. Eolische processen (juist)
      B. Fluviatiele processen
      C. Massabewegingen
  •  
  • 25) Leem en loëss worden beiden gekarakteriseerd door…
      A. De dominantie van de siltfractie (juist)
      B. De weerbaarheid tegen winderosie
      C. Een microtopografie van eolische reliëfvormen
      D. Het voorkomen in de Vlaamse Ardennen
  •  
  •  
  • Examen 2020-2021
  •  
  • Deel 1
  •  
  • Benoem de vijf fysisch geografische entiteiten die worden aangeduid op de blinde kaart. Rode kleuren geven massieven, gebergtes, vlaktes weer, blauwe keuren rivieren, meren of zeeën. (was een kaart van Noord-Amerika)
  •  
  • Deel 2
  •  
  • Definieer kort de volgende begrippen (schrijf kernachtig en enkel binnen de box):
  •  
  •   - Debiet
      - Erosiebasis
      - Bodemlast
      - Gelifluctie
      - Epigenetisch dal
      - Versnelde erosie
      - Topografische drempelwaarde (ravijnen)
      - Sedimentexport
      - Deflatie
      - Stuifzanden
  •  
  • Deel 3 (meerkeuzevragen)
  •  
  • 1) Welke fractie komt in een stromende rivier nooit tot sedimentatie?
      A. klei (juist)
      B. silt
      C. zand
  •  
  • 2) Waarom daalt de specifieke sedimentexport bij een toename van de bekkengrootte?
      A. Omdat de stroomorde van rivieren groter wordt in grotere bekkens
      B. Omdat er in grotere bekkens meer plaatsen zijn waar sedimentatie kan plaatsvinden (juist)
      C. Omdat in grotere bekkens de drainagedensiteit lager is
  •  
  • 3) Overstromingen in west Europa langs de Atlantische kust komen alsmaar… (Afbeelding)
      A. Later voor, door uitgestelde winterstormen
      B. Later voor, door de toename van temperatuur en de daaraan gekoppelde evapo- transpiratie
      C. Vroeger voor, door het sneller bereiken van bodemvochtmaxima (juist)
      D. Vroeger voor, door de toename van dagen met intensieve neerslag
  •  
  • 4) De insnijding van de Maas in het plateau van de Ardennen kan je verklaren door de vorming van een…
      A. Antecedent dal (juist)
      B. Doorbraak dal
      C. Epigenetisch dal
  •  
  • 5) We beschouwen een landbouwbekken van 200 ha waar de bodems een bulkdensiteit van 2 g cm-3 (of 2 Mg m-3) hebben. In de regio is de snelheid van bodemvorming gelijk aan 1 Mg ha-1 jaar-1. Er doet zich een hevige stortbui voor en deze veroorzaakt een bodemverlies van 50 m³ in het bekken. Hoeveel keer moet dit fenomeen in één jaar minimaal voorkomen alvorens men in het bekken 'versnelde erosie' heeft?
      A. 1 keer
      B. 3 keer (juist)
      C. 5 keer
      D. 7 keer
  •  
  • 6) Een hoefijzermeer ontstaat…
      A. Bij een rivieronthoofding
      B. Door de kruising van rivierterrassen
      C. Na een stortvloed (flash flood)
      D. Wanneer een meanderbocht afgesneden wordt (juist)
  •  
  • 7) Met deze formule (S = 0.012*Q^(-0.44)) kan je
      A. De ratio aan bodemverlies berekenen
      B. De sinuositeit van een rivier bepalen
      C. Het lengteprofiel van een rivier bepalen
      D. Het onderscheidt maken tussen meanderende en vlechtende rivieren (juist)
  •  
  • 8) Op onderstaande foto observeren we dat de akker versneden is door een efemeer ravijn, terwijl dat niet het geval is voor het lager gelegen weiland. Hoe verklaar je dit in termen van de RUSLE?
      A. C-factor is lager in het weiland (juist)
      B. K-factor is lager in het weiland
      C. LS-factor is hoger in het weiland
      D. P-factor is lager in het weiland
  •  
  • 9) Op onderstaande foto is een massabeweging te zien. Volgens welk mechanisme is het ontstaan?
      A. Spreiden
      B. Vallen
      C. Verglijden
      D. Vloeien (juist)
  •  
  • 10) De klimaatsverandering zorgt ervoor dat we meer erosie kunnen verwachten, omdat…
      A. De erodibiliteit van de bodems toeneemt
      B. De lente droger wordt
      C. De neerslagserosiviteit toeneemt (juist)
      D. De zeespiegel stijgt
  •  
  • 11) Aan de kust ontstaan duinpannen door…
      A. Corrasie
      B. Deflatie (juist)
      C. Intergeulerosie
      D. Solifluctie
  •  
  • 12) Welke rivieren heeft recentelijk (ten opzichte van de ontwikkeling van het lengteprofiel op lange termijn) een epirogene opheffing plaatsgevonden?
      A. (NF) John Day
      B. Mainstem Columbia en Snake (juist)
      C. Salmon R. en Pahsimeroi
  •  
  • 13) Het ontstaan van stuifzandcomplexen in de Veluwe gaf aanleiding tot…
      A. De ontwikkeling van landbouw
      B. Een inversie van het reliëf (juist)
      C. Het ontstaan van barchaanduinen
      D. Het ontstaan van een keienvloer
  •  
  • 14) Deze reliëfvorm noemt men een…
      A. Cuesta (juist)
      B. Donk
      C. Monadnock
      D. Peneplain
  •  
  • 15) Welk drainagepatroon verwacht je op een vulkaan (strato-vulkaan)?
      A
      B
      C
      D
      E (juist)
      F
  •  
  • 16) Door welk proces is het rotsfragment op een kleine aarden sokkel komen te staan?
      A. Corrasie
      B. Karst
      C. Solifluctie
      D. Splash erosie (juist)
  •  
  • 17) Welke ingreep op een grondverschuiving onder bos in de Vlaamse Ardennen zal de gevoeligheid voor her-activering van de massabeweging verhogen en kan dus als onveilig beschouwd worden?
      A. Afgraven van de tong (onderste deel) van de grondverschuiving om een weg aan te leggen (juist)
      B. Aanleggen van een drainagebuis die het oppervlakkige water afvoert weg van de grondverschuiving
      C. Aanleggen van een mountainbikeparcours
  •  
  • 18) Vanuit Gent stroomt de Vlaamse Vallei af naar
      A. Antwerpen
      B. Kust (Knokke) (juist)
      C. Kust (via de Panne)
      D. Rijn
  •  
  • 19) Welke letter heeft de hoogste hoogteligging? (Afbeelding)
      A
      B (juist)
      C
      D
  •  
  • 20) Winderosiegevoeligheid in Vlaanderen is het hoogst waar…
      A. Zandgronden voorkomen (juist)
      B. De hellingsgradiënt hoog is
      C. Kleigronden voorkomen
  •  
  • 21) Bij de ontwikkeling van het dwarsprofiel van rivieren is de opvatting dat de 'verwering, hellingsprocessen en fluviatiele erosie in evenwicht zijn met de opheffingssnelheid' gerelateerd aan de ontwikkeling van het dwarsprofiel volgens...
      A. Davis
      B. Dynamische evenwicht (juist)
      C. Penck
  •  
  • 22) Gebaseerd op de dwarssectie (links), welke kaart geeft best de positie van X-Y weer langsheen de meanderende rivier? (Afbeelding)
      A. 1
      B. 2
      C. 3
      D. 4 (juist)
  •  
  • 23) In water kan meer CaCO3 opgelost worden wanneer…
      A. De druk verhoogt (juist)
      B. De fotosysnthese toeneemt
      C. De pH toeneemt
      D. De temperatuur verhoogt
  •  
  • 24) De stenen muurtjes op deze akker verminderen geul- en intergeulerosie, maar bij welke RSLE-factor moet je ze in rekening brengen?
      A. C-factor
      B. K-factor
      C. LS-factor
      D. P-factor (juist)
  •  
  • 25) Wat vormt in het hooggebergte een belangrijke risico voor modderstromen?
      A. Een rotsgletsjer die in een ravijn stort (juist)
      B. Een rotswand die aan hevige vorstverwering onderhevig is
      C. Solifluctie op onbegroeide hellingen
  •  
  •  
  • Examen 2016-2017 2de zit
  •  
  • 1. Benoem de klimaten in Afrika (bijgevoegde kaart) en leg het verband uit met de verschillende types van bodem
  •  
  • 2. Bespreek de belangrijkste kenmerken, de sedimentatie en omgevingsfactoren van meanderend en vlechtende rivieren
  •  
  •  
  • Examen 2015-2016
  •  
  • 1. Geografische identiteiten benoemen op reliefkaart (4)
  •  
  • 2. Multiple choice vragen: (36)
  •  
  • A. Welke kaart met hoogte lijnen past het best bij de getekende rivier: a-d) 4 tekeningen, e) geen van bovenstaande
  •  
  • B. Welke uitspraak klopt over El Nino?
  •  
  • C. Wat veroorzaakt gyres?
  •  
  • D. Welk mineraal staat bekend als een zwellende klei? a) cholier b) illiet c) montmorillonite d) e)
  •  
  • E. Welk soort terras zie je op volgende foto
  •  
  • F. Wat is het verschil tussen een Cfa in China en een Cfb klimaat in Centraal europa?
  •  
  • G. Als bij een As klimaat er door klimaatverandering minder regen zou vallen welk klimaat bekom je dan? a)H b) Cd c) BS d) Aw e) Asa
  •  
  • H. Welke van onderstaande geeft geen inzicht in het onderzoeken van een paleoklimaat? a) paleontologie b)vulkanisme c) geomorfologie d) pollenalanlyse e) zuurstofisotropie
  •  
  • I. Welke van onderstaande uitspraken is fout over verwering? a-e) Sedimentair- , stollings- en/of metamorf gesteente is meer/minder bestand tegen fysische en/of chemische verwering.
  •  
  • J. Wat is een hangend dal?
  •  
  • K. Welk bodemtype vinden we in een D klimaat gordel? a) pedocals b)pedalfers c)regosols d)podzols e)vertisols
  •  
  • L. Het bekken van parijs is een: a-e) Sedimentair opvullingsbekken of -- opgevuld met Tertiaire, Mesozoische of -- afzettingen.
  •  
  • M. In een bekken zoals dat van Parijs vinden we aan het oppervalk de jongste afzettingen en: a) aan de buitenranden van het bekken b) aan de centrum van het bekken c) klopt niet: jongste afzettingen bevonden zich diep onder het oppervlak d) nergens anders e)...
  •  
  • N. Welke opsomming van onderstaande gassen en dergelijke hebben een invloed op het klimaat en is volledig? a) CH4 NH3 O2 O3 b) aerosolen H2O CO2 O3 c)...
  •  
  • O. Als we de erosiesnelheid van een landschap becijferen zijn we bezig met: a) denudatie b) lateralisatie c) illuviatie d) elluviatie e)...
  •  
  • P. Wat hebben volgende schilden gemeen, Afrikaans schild etc? a) ze zijn alle 4 kratons b) het zijn alle 4 geen kratons c) ze hebben alle vier nog nooit epriogenese of orggenese ondergaan d) Ze hebben alle vier enkel epirogenetische ophefing ondergaan sinds het Precambruim e) -- sinds het Fanerozoicium
  •  
  • Q. Waarom zijn verweringsbodems met lateriet steeds rood? a) omdat rood het prominente kleur is in elke verweringsbodem b) lateriet bevat veel hematiet met geoxideerd ijzer c) omdat het enkel gibbsiet bevat d-e) ...
  •  
  • R. Waarvoor zorgt vorstverwering in een gebergte? a) voor hoekige vormen b) voor grote spleten c) voor grotvorming d) voor dolinevorming e) voor gletjers
  •  
  • S. Vraag over het calciumgehalte in de zee
  •  
  • T. Bij onderstaande foto (foto van een pediplain met klein stomp bergje) welke vorm(en) van verwering gelden hierbij? a) alluviale verwering en massatransport b)massatransport c) chemische verwering d)
  •  
  • U. Bij welk fenomeen komt progressieve sortering voor? a) rivierstelsel b) gletjers c) ...
  •  
  • V. Op volgende foto (afrikaans land) is er een kleiafzetting in vlechtpatroon tussen een grintafzetting. Hoe kan dit hier gekomen zijn? a) meanderende rivier die plots stil viel b) meanderende rivier die doorbrak en uitdroogde c) vlechtende rivier met debiet verlaging d) oude gletjers e) gelifluctie
  •  
  • W. Waar vind illuviatie plaats? a) A horizont b) humuslaag c) E horizont d) B horizont e) C horizont
  •  
  • X. Bij welk klimaat komen pedalfers voor?
  •  
  • Y. Wanneer blijft een kleifractie in suspensie? Als de snelheid a) minimaal over de tweede kritische snelheid is b) minimaal over de eerste kritische snelheid is c) minimaal 2/3 over de compentent snelheid is d) minimaal over de eerste kritische en de competente snelheid is e) minimaal over de competente snelheid is
  •  
  • Z. Wanneer zal een rivier zich niet opnieuw insnijden? a) als er epirogenetische daling is b) als de erosiebasis verhoogt c-d) e) in alle vier de gevallen
  •  
  •  
  • Oudere vragen
  •  
  • Wat is cross-stratification? a) scheve gelaagdheid b) gekruiste lagen c) kruisgelaagdheid d)?
  •  
  • Waar kan chemische verwering het grootste effect hebben? a)Ruhrgebied b) Amozonebekken (vermoedelijk correct) c) woestijn d) Antarctica
  •  
  • De Congo-stroom heeft het hele jaar door een constant debiet, dit komt doordat: a) er in de Congo-stroom zowel rivieren uit noordelijk als zuidelijk halfrond invloeien (correct) b)...
  •  
  • Wat is een intermitterende rivier? a) rivier verdwijnt op sommige plaatsen in kalkrijke ondergrond b) niet het hele jaar door water c)heeft geen meanders d)...
  •  
  • Waardoor ontstaan badlands? Hoe noemt men de losstaande rotsen in morenen? a) drumlins b) dood-ijs-gaten c) ...
  •  
  • Van welke grootte-orde is de permafrost (dikte)? a) 0,1m b) 1 m c) 10m d) 100m
  •  
  • Een Lapiez ontstaat door a) mechanische verwering b) oplossingsprocessen (correct?) c) winderosie d) ...
  •  
  • Wat is ecosystem services? a) mens die diensten aan ecosysteem levert b) een onderdeel van een Amerikaans agency van iets c)...
  •  
  • Waarom zijn er geen weerverschijnselen in de stratosfeer? a) men kan het daar niet meten b) de temperatuur stijgt met toenemende hoogte c) de temperatuur daalt met toenemende hoogte d) weinig zuurstof en water
  •  
  • De indeling van de klimaten van Koppen (A tot E) is ingedeeld van: a) evenaar naar polen b) warm naar koud c) droog naar vochtig d) ...
  •  
  • Waarom is er een hoog zoutgehalte in de Middellandse Zee? a) ingesloten zee met veel verdamping b) toevoer van zout water via Suez-kanaal c) toevoer van zout door de monding van de Nijl d)...
  •  
  • Wat is golfrefractie?
  •  
  • Wat is GEEN parameter voor een paleoklimaat? a) zuurstofisotopen b) geomorfologie c) vulkanisme (geen parameter) d) levende organismen
  •  
  • Wat zijn geosynlinalen?
  •  
  • Wat kan men NIET aflezen op een ombrothermische curve? a) gemiddelde jaarneerslag b) klimaatveranderingen c) pieken in neerslag (regenseizoen of niet...) d) verandering in temperatuur
  •  
  • Wat ontstaat door vorstverwering in een gebergte? a) ijs-wiggen b) ... De taiga-grens schuift op naar het noorden, hierdoor verkrijgt men: a) verhoogd albedo en dus opwarming van de aarde b) verhoogd albedo en dus afkoeling van de aarde c) verlaagd albedo en dus opwarming van de aarde (correct) d) verlaagd albedo en dus afkoeling van de aarde
  •  
  • rode laag lateriet bestaat uit: a) aluminium en ijzer b) aluminium c)...
  •  
  • Ribbels in het zand worden gevormd door: a) saltatie van zand (grootte van de sprongen die het zand maakt) b) de amplitude van de golven c) ...
  •  
  • Uit wat bestaan oeverwallen? a) zand b) klein c) kan men niet weten d) ...
  •  
  • Wat geeft een hypsometrische integraal weer? a) geeft dreinagedensiteit weer b) geeft waterscheiding en stroomgebieden weer c) ...
  •  
  • Een inselberge bestaat uit graniet, gneis, doleriet, ..., wat zijn ze? a) tropische karstverschijnsel b) rest van vulkanisme c) residuaire berg d)...
  •  
  • waarom is het slecht om alle stenen van een akker te rapen => bodemerosie
  •  
  • wat kan niet voorkomen bij eolisch transport => oplossing
  •  
  • Wat gebeurt er als ‘the west antarctic sheet’ losscheurt van antartica => zee spiegel zal stijgen
  •  
  • Als het waterpijl van een vlechtende rivier stijgt => dan zal het stroombekken telkens veranderen
  •  
  • Uit wat bestaat een oeverwal voornamelijk => zand
  •  
  •  

Bachelor - Jaar 2

Optische mineralogie en petrografie

Docent

Veerle Cnudde

Prof. Cnudde is een heel vriendelijke prof. Ze legt het grondig uit en herhaalt de belangrijkste dingen op het einde van de les. Je kan bij haar uiteraard terecht om vragen te stellen. Voor dit vak geeft ze heel snel les en kan je vaak een halfuurtje eerder weg.

Cursus

Het eerste deel gaat over de optische mineralogie, de kenmerken, verschillende soorten mineralen en hoe je ze microscopisch kunt herkennen. Daarna komt nog een stukje petrografie die je toelaat de mineralen onder de microscoop te beschrijven. De cursus bestaat uit ongeveer 110 pagina's.

Werkcolleges

Practica

Elke week mineralen leren herkennen onder de microscoop. Je krijgt elke week een paar slijpplaatjes met mineralen voorgeschoteld. Je krijgt ook een boekje waar je je waarnemingen kunt noteren. Dat moet je indienen op het examen en telt mee voor 1 punt van de 20. Het practicumexamen staat op evenveel als de theorie. Dit is erg belangrijk dus! Het is dan ook de bedoeling dat je goed oplet en meedoet anders kan het zijn dat je mineralen pas voor het eerst ziet op het examen...

Buis-o-meter

Het theoretisch examen is niet zo moeilijk als je het gestudeerd hebt. Je moet het goed kunnen uitleggen, maar de nadruk ligt vooral op het praktische: het herkennen van mineralen. Je krijgt twee slijpplaatjes met daarin een aantal mineralen die moet je beschrijven (zoals je leert in de practica). De naam van het mineraal is niet het belangrijkste, gok dus niet, maar ga systematisch te werk en zoek de kenmerken. Hier mag je ook je mineralenboek en je boekje waar je in geschreven hebt, gebruiken.

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2020-2021
  •  
  • 1. Leg uit: dispersie bij optisch éénassige mineralen (bespreek + geef grafiekjes)
  •  
  • 2. Geef het verband tussen dichtheid en brekingsindex in mineralen + leg uit aan de hand van een voorbeeld
  •  
  • 3. Enkele meerkeuze vragen: - geef de wet van Snellius - geef formule voor de brekingsindex - positief reliëf betekent dat mineraal hogere brekingsindex heeft dan omgeving: waar/fout en leg uit
  •  
  • 4. reliëf van calciet kan verschillen: leg uit
  •  
  •  
  • Examen 2019-2020
  •  
  • 1. Bereken dikte gipsplaatje met dubbelbreking gips = 0,01 /1
  •  
  • 2. In welke vlakken beweegt licht bij 2-assige mineralen /1
  •  
  • 3. Bespreek Olivijn + optisch gedrag /6
  •  
  • 4. Hoe varieert de symmetrie bij alkaliveldspaten /1
  •  
  • 5. Wat gebeurt er met de kleur van een kleurloos mineraal bij niet-selectieve absorptie van licht bij bestraling met wit licht? /0,5
  •  
  • 6. Hoe hoger de polymerisatie, des te hoger/lager de brekingsindex (schrap wat niet past) /0,5
  •  
  •  
  • Examen 2018-2019
  •  
  • 1. Leg uit: xenomorf, cumulaten, elongatie, chromatisch dispersie, melatoop.
  •  
  • 2. Geef de optische 2-assige stelsels
  •  
  • 3. Bespreek invloed van ketenstructuur op brekingsindex
  •  
  • 4. Bespreek olivijn en optische eigenschappen
  •  
  • 5. Welke materialen hebben isotroop midden
  •  
  • 6. Verschillen tussen gewone en buitengewone straal geven
  •  
  • 7. Bepaal dubbelbreking met standaard slijpplaatje en interferentiekleur met golflengte 450 nm.
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018
  •  
  • Theorie
  •  
  • 1. Bespreek de systematiek van de brekingsindex a.d.h.v bariet, anhydriet en celestien
  •  
  • 2. Bespreek plagioklaas
  •  
  • 3. Welke kristalstelsel zijn 2 assig
  •  
  • 4. Indicatrix toegepast op calciet en kwarts. Bespreek en teken. Bespreek indicatrix in het kristal
  •  
  • Practicum
  •  
  • 1. (zonder practicum notas) Mineraal omcirkelt op plaatje beschrijf de kenmerken.
  •  
  • 2. slijplaatje 1 (met practicum notas)
  •  
  • A. kleurloze mineralen: beschrijf kenmerken + teken
  •  
  • B. gekleurde mineralen kiezen, beschrijf kenmerken en teken
  •  
  • C. metamorf, plutonisch, vulkanisch of sedimentair?
  •  
  • D. fenomeen in slijplaatje, welkeen en welke mineralen? (omzetting biotiet nr chloriet)
  •  
  • 3. slijplaatje 2 (met practicum notas)
  •  
  • A. 2 kleurloze mineralen, 1 is muscoviet, wat is de ander? Kenmerken en tekening.
  •  
  • B. meerkeuze wat zie je op foto (texturen!)
  •  
  • C. aantal reeks mineralen, welk mineraal past er niet in.
  •  
  • D. chemische vergelijken. Welke vergelijking past bij welke foto.
  •  
  •  
  • Examen 2016-2017
  •  
  • Theorie versie 1 (40%)
  •  
  • 1. Leg uit: cumulaten, hyalien, anhedrisch, indicatrix, melatoop (10pt)
  •  
  • 2. Leg de systematiek uit van de brekingsindex toegepast op anhydriet, celestiet en bariet. (geef de chemische formules) (6pt)
  •  
  • 3. Geef de formule van plagioklaas en geef adhv de formule de optische eigenschappen (4pt)
  •  
  • 4. Hoe kunnen we een opaak en een isotroop mineraal onderscheiden van elkaar en waarom? (2pt)
  •  
  • 5. Welke mineraalstelsels zijn optisch twee-assig? (3pt)
  •  
  • 6. Bereken de dubbelbreking van een mineraal met gekend gangverschil bij een standaard dikte slijpplaatje. Geef de gebruikte formule (2pt)
  •  
  • 7. Geef het verband tussen het petrogenetisch proces en de mineralogische/texturele kenmerken van een gesteente, 1 voorbeeld naar keuze (3pt)
  •  
  • Theorie versie 2
  •  
  • 1. Bespreek de brekingsindex van Al2SiO5 polymorfen Kyaniet, Andalusiet Sillimaniet
  •  
  • 2. Alkaliveldspaten: Mengreeks tussen ... en ...
  •  
  • 3. Leg uit: Dispersie, Cryptokristallijn, Subhedrisch, Scheve uitdoving, Isochromen
  •  
  • 4. Olivijn optische kenmerken adhv samenstelling
  •  
  • 5. Dubbelbreking berekenen
  •  
  • 6. Een-Assige Kristalstelsels
  •  
  • 7. Verband tussen petrogenetisch proces en mineralogische/texturele kenmerken: 1 voorbeeld naar keuze
  •  
  • Practicum (60%)
  •  
  • 1ste slijpplaatje: Bespreek (en identificeer), 1 kleurloos isotroop, 1 kleurloos anisotroop en 1 gekleurd anisotroop mineraal. Granaat,Cordierier/Microclien en Hoornblende). Welk soort gesteente denk je dat dit is?
  •  
  • 2de slijpplaatje: Dit plaatje toont een fijne matrix met grote kleurloze klasten. Bespreek dit kleurloos mineraal (en identificeer). (Leuciet) Er is ook nog een (volledig) isotroop mineraal, bespreek (en identificeer) dit mineraal. (Noseaan)
  •  
  •  
  • Examen 2015-2016
  •  
  • Theorie (45%)
  •  
  • 1. Leg uit: ooiden, heteroblastisch, scheve uitdoving, subhedrisch, brekingsindex
  •  
  • 2. 6 waar-of-niet-waar-vragen, en leg uit indien niet waar
  •  
  • 3. Je krijgt een mineraal met dubbelbrekingskleur 400 nm, het heeft negatieve elongatie, welke kleur (nm) zie je als je het gipsplaatje inbrengt
  •  
  • 4. Waarvoor gebruik je de lens van Bertrand?
  •  
  • 5. Formule van 3 mineralen: anorthiet, calciet en forsteriet (in de andere groep was dit kwarts, een kaliveldspaat, en nog 2 andere mineralen)
  •  
  • Practicum (50%)
  •  
  • 1ste slijpplaatje: Identificeer en bespreek ten minste 4 hoofdmineralen, waaronder 2 met een duidelijke eigen kleur. Identificeer ook nog een mineraal dat minder voorkomt, en eerder klein is, en geef ook de naam voor dit soort mineralen. (Bij onze groep denken we dat dit hoornblende, biotiet (ev. omzetting naar chloriet), plagioklaas en sanidien of orthoklaas was) (34pt)
  •  
  • 2de slijpplaatje: In dit plaatsje zitten 2 hoofdmineralen: identificeer en bespreek ze. (In onze groep was dit kwarts en calciet, in de andere groep olivijn en clinopyroxeen) (16pt)
  •  
  •  
  • Examen 2013-2014
  •  
  • 1. Geef definitie Brekingsindex
  •  
  • 2. Teken Optisch 1-assig negatief
  •  
  • 3. Geef bewijs van Gangverschil
  •  
  • 4. Bespreek Microklien en sandinien
  •  
  • 5. Hoogste brekingsindex? Bariet of anhydriet? Soro of cyclo-silicaat?
  •  
  •  
  • Examen 2012-2013
  •  
  • 1. Waar of niet waar (en verbeter indien nodig)
  •  
  • A. De brekingsindex is de verhouding van de lichtsnelheid in vacuum en de lichtsnelheid in het materiaal.
  •  
  • B. Positieve elongatie is als de kortste as van de ellips parallel ligt aan de langste as van het mineraal. En negatieve elongatie is het omgekeerde.
  •  
  • C. Alkaliveldspaat is een mengreeks tussen albiet en anorthiet.
  •  
  • D. Lijn van Becke wordt toegepast met gekruiste polarisatoren.
  •  
  • E. Microkristallijn is een synoniem van afanitisch.
  •  
  • 2. Bespreek dubbelbreking
  •  
  • 3. Bespreek het reliëf van een mineraal
  •  
  • 4. Bespreek dispersie bij optisch éénassige mineralen
  •  
  •  
  • Examen 2008-2009
  •  
  • 1. Figuur van relief (die ook in de slides staat) waar je de stralen door uw mineraal ziet gaan en een brekingsindex van materiaal errond. Hoort de gegeven brekingsindex bij het kitmiddel? Is de brekingsindex van het mineraal groter of kleiner? Definitie brekingsindex geven.
  •  
  • 2. Gewoon licht, lineair gepolariseerd licht. Leg uit
  •  
  • 3. Waarom gebruikt men geen kwarts als dekglaasje of draagplaatje
  •  
  • 4. Je krijgt een wigkristal van een bepaald monochromatische lichtstraal(violet) en jij moet de wig tekenen voor rood
  •  
  • 5. Je krijgt een mineraalbeschrijving van iemand en je moet zeggen waarom er twijfel is over de juistheid van dat mineraal
  •  
  • 6. Je krijgt en mineraalnaam (vb. Glaucofaan), ze zegt dat MG5 in die mineraalformule vervangen wordt door....en je zo een ander mineraal krijgt. Geef de formule, de groep waartoe het behoort, heetf dit mineraal een hoge of lage brekingsindex en heeft dit mineraal een sterkere of zwakkere kleur dan glaucofaan?
  •  
  • 7. Je krijgt een figuur zoals in het practicumboek; geef kristalstelsel, elongatie,... welke kleur verkrijg je op snede met max. interferentiekleur?
  •  
  • 8. Je krijgt die twee figuren van tweetallige assenbeeld , een zonder en met gipsplaat( azo met die gele en blauwe isogyre), wat kan je hieruit weten?
  •  
  • 9. 10 woordjes: oomold, opaciet, micrografische, adcumulaat, amygdaloidai, unduleuze uitdoving, poikiloblast, subofitisch, enstatiet,...?
  •  
  • 10. Sneeuwbal granaat, hoe wordt dit gevormd?
  •  
  • 11. Leg uit sutuurconact, + Maak figuur
  •  
  •  

Plantenpaleontologie

Docent

Stephen Louwye

Dit vak wordt gegeven door Professor Louwye, die je ongetwijfeld nog kent van “Systeem Aarde: Geologie”. Hij probeert zijn lessen graag interactief te maken, waarbij hij al eens vragen durft te stellen aan zijn de aanwezigen, die dus best aandachtig de les volgen. Hij heeft het graag dat studenten vragen stellen, dus als je extra uitleg of verduidelijking wil, is dat geen enkel probleem bij de lessen van Louwye. Zoals de naam van het vak al doet vermoeden, zal je de evolutie van de planten in chronologische volgorde zien. De cursus is, zoals je dit al van vorig jaar gewoon bent bij Louwye, zeer gestructureerd en dus zeer handig om te gebruiken bij het studeren.

Practica

De practica worden begeleid door Pjotr, het komt erop neer dat je elk practicum een aantal plantenfossielen zal moeten overtekenen en de gekende onderdelen zal moeten aanduiden. Het is best belangrijk dat je dit duidelijk doet, want deze tekeningen staan op 2 van de 20 punten. Tijdens sommige practica zal je wel serieus moeten doortekenen om alles binnen de voorziene tijd gedaan te krijgen.

Buis-o-meter

  •  
  • TWIEOOS
  • Herexamen 2021-2022
  •  
  • 1. (30)
    a) Bespreek de paleobiologie van de Bryophyta (systematiek, habitat, morfologie, stratigrafisch voorkomen,...)
    b) Bespreek de fylogenetiek van de Bryophyta
  •  
  • 2. (20)
    a) Bespreek de massa-extinctie events en geef ook de gevolgen
    b) Wat was het verschil in de dierenwereld en de plantenwereld en waarom
  •  
  • 3. Bespreek volgende vijf begrippen in maximum een tiental lijnen, eventuele tekeningen mogen gemaakt worden in de marge (20)
  •  
  •   - Duripartische bewaring
      - Prototaxites
      - Acritarch
      - Calamites
      - Ginkgoales
  •  
  • 4. mondeling: drie fossielen (20)
  •  
  •   - Solenapora (roodwier)
        * waarom ziet het er zo uit
        * hoe zie je het verschil tussen een roodwier en een stromatoliet
        * wat is de habitat van dit roodwier
        * wat is de andere bekende soort roodwier (coralinaceae)
  •  
  •   - Diatomiet
        * vertel eerst wat je weet over diatomeeën
        * wat is de morfologie van een diatomee
        * wat is de habitat van een diatomee
        * komt het enkel voor in zout water of ook in zoet water
        * wanneer kwamen de eerste diatomeeën voor
        * hoe vormt zich een diatomiet
  •  
  •   - Lepidodendron
        * welk deel van de lepidodendron zie je
        * hoe wordt dit zo gefossiliseerd
        * hoe groot is een lepidodendron
        * wat is de habitat van een lepidodendron
        * hoe zien de steenkoolmoerassen eruit, welke planten kom je er tegen
        * stel ik ga straks een broodje halen en ik kom een lepidodendron tegen, hoe zou ik hem herkennen
  •  
  • 5. practica: indienen nota's (10)
  •  
  •  
  • Examen 2020-2021
  •  
  • 1. Bryophyten uitleggen
  •  
  • 2. Veranderingen tussen het Midden-Devoon en het Pennsylvaniaan
  •  
  • 3. 5 woorden uitleggen: Stromatoliet, Dasycladales, Gyngoniet, Bennattidales en nog een 5e
  •  
  • 4. Mondeling: Archeopyeris, Calamites en Glossopteris
  •  
  •  
  • Examen 2018-2019
  •  
  • 1. Bespreek de charofyta. (Morfologie, stratigrafie,..., geologisch nut).
  •  
  • 2. Bespreek volledig de sphenopsida. (Taxonomie, morfologie, stratigrafie...).
  •  
  • 3. In het §um werd het continent nog niet gekoloniseerd door planten onder andere doordat het milieu het niet mogelijk maakte. Bespreek alle essentiële veranderingen (dus qua milieu en planten) er nodig waren om de kolonisatie van het land mogelijk te maken.
  •  
  • 4. Verklaar de termen: cementatie, Dasycladales, dinoflagellata, cycadales en gunflint iron formatie.
  •  
  • 5. Mondeling: bij de prof bespreken, de stukken waren diatomiet, stromatoliet en stigmaria.
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018
  •  
  • 1. Van blad naar fossiel (geef het schema) (20)
  •  
  • 2. Milieuveranderingen van het midden Devoon tot Pennsylvaniaan. (20)
  •  
  • 3. Bryofyta (20)
  •  
  • 4. woordjes: prototaxis, psaronius, bennettitales, cordaites en ginkgopsida (10)
  •  
  • 5. mondeling: rhinia (sph...), calamites, archaeopteris. (20)
  •  
  • 6. ingediende tekeningen (10)
  •  
  •  
  • Kijk zeker ook eens op de oude wiki bij paleontologie 1 en 2
  •  
  •  

Sedimentologie

Docent

Maarten van Daele & Vanessa Heyvaert

Voor de meeste lessen zal je Maarten van Daele hebben als prof, hij is een zeer vriendelijke prof die steeds vol enthousiasme lesgeeft. Je kan hem steeds vragen stellen op het einde van de les en als hij het antwoord niet zeker weet zal hij het tegen de volgende les zeker uitleggen.

Cursus

Je kunt een boek kopen waarop de slides zijn gebaseerd, daar staat alles (weliswaar in het Engels) goed uitgelegd. De leidraad voor het examen zijn wel voornamelijk de slides die na elke les op ufora zullen staan.

Practica

Dit is één van de leukste practica van dit semester. Je gaat in het begin van het jaar één dag op excursie naar Damme, waar je staalnamen van grondboringen verzamelt. Je zult je enkele keren (4 namiddagen ongeveer) bezighouden met de stalen te verwarmen en te filtreren in het labo in de S8. Nadien is het de bedoeling dat je hier een verslag over maakt. Je doet dit alles in groepjes van 3-4 personen en je moet per groep ook indelen wanneer je jullie practica willen uitvoeren. Voor het verslag helpen ze je goed op weg en -indien je het voor een bepaalde datum indient- krijg je met je groep zeer volledige feedback.

Buis-o-meter

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2020-2021
  •  
  • gesteentencyclus aanvullen op afbeelding
  •  
  • - zeggen wat er op de afbeeldingen staat en uitleggen (HCS, styloliet en iets anders)
  •  
  • - vragen over een lagune
  •  
  • - verschil tussen chemische en fysische verwering, van elk 3 voorbeelden geven
  •  
  • - termen uitleggen ( anastomoserende rivier, imbricatie en ...)
  •  
  • - grenzen van klei, silt en zand aanduiden op korrelgrotteverdeling en phi schaal erbij zetten + zeggen van welke afzettingen de verdelingen kunnen zijn
  •  
  • - 3 soorten van transport geven en zeggen wat de invloed van korrelgrootte is
  •  
  • - de 3 soorten ribbels geven
  •  
  • - sedlogs tekenen van 2 locaties (meer en in een fjord) bij een terugtrekkende gletsjer
  •  
  • - iets met progradatie en sedlogs schetsen op 3 locaties
  •  
  •  
  • Examen 2019-2020
  •  
  • 1) Wat is een lagune? wat zijn de typische kenmerken? Hoe heet een hypersaliene lagune en welke mineralen komen hier voor?
  •  
  • 2) De vulkanische naam van zand, klei, ...
  •  
  • 3) Hjölstrom diagram uitleggen.
  •  
  • 4) Foto's van hummock-swales cross stratification, dropstones en nog andere
  •  
  • 5) 3 woorden uitleggen
  •  
  • 6) Je krijgt 5 foto's van een ijskap dat terugtrekt doorheen de tijd en je moet een log tekenen van de plaats die aangeduid is op de foto's.
  •  
  • 7) Je krijgt 3 curves over de korrelgrootte verdeling en je moet daar de grens tussen klei, silt en zand op aanduiden. Op een van de curves moet je ook de mode, mediaan en gemiddelde aanduiden plus een phi schaal aanvullen. Daarna moet je ook zeggen waar het staal eventueel genomen zou kunnen zijn
  •  
  •  
  • Examen 2018-2019
  •  
  • 1. Hoe pyroclastic flow zich over topografie verhoudt + korrelgrootte van pyroclastic flow.
  •  
  • 2. Sedimentaire log geven van progradatie bij submarine fans.
  •  
  • 3. Hoe kan stratificatie in een zoetwatermeer transport en afzetting beïnvloeden in dat zoetwatermeer?
  •  
  • 4. Bij welke temperatuurs- en drukomstandigheden komt diagenese voor? En wat gebeurt er bij veen na begraving en diagenese?
  •  
  • 5. Foto van een sterduin; van welke kant komt de voornaamste windrichting en in welke omgevingen komen deze voor?
  •  
  • 6. Foto met laagjes; wat is dit; hoe wordt de structuur genoemd? Waar komt dit voor, in wat voor omgeving? Hoe worden de donkere laagjes genoemd? -- leek op warven of getijdebundels
  •  
  • 7. Foto van ribbels; zeggen welke het zijn en op welke diepte ze ongeveer voorkomen en wat de richting is van de golven of stroom.
  •  
  • 8. Hoe men de sterkte van zeebodemstromingen kan achterhalen uit het verleden aan de hand van sedimentaire archieven.
  •  
  • 9. Wat is het verschil tussen weathering en erosie? Geef een voorbeeld van een plaats waar chemical weathering kan voorkomen en van waar physical weathering kan voorkomen?
  •  
  • 10. Vraag over de korrelgrootteverdeling; phi schaal aanduiden + de grenzen met klei, silt en zand aanduiden; er zijn 2 korrelgrootteverdelingen gegeven en je moet zeggen in wat voor afzettingsomgeving deze typisch voorkomt?
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018
  •  
  • Versie 1
  •  
  • 1. Verschillen en gelijkenissen in golfribbels in hoog en laag energetisch milieu?
  •  
  • 2. Type meer voor organische productie in interglacialen en glacialen, waarom?
  •  
  • 3. Ice rafted debris mineralogie, waarom? evolutie in functie van de afstand tot bron?
  •  
  • 4. Puimsteen en zand in meer, waar afgezet?
  •  
  • 5. 2 delta's (foto's), welke? Omgeving? korrelgrootte en gradiënt van subaquatisch deel?
  •  
  • 6. Hoe kan men de snelheid van diepzee stromingen afleiden?
  •  
  • 7. Aan de hand van Loess afzettingen, glacialen en interglacialen afleiden?
  •  
  • 8. Foto van afzetting met donkere en lichte lagen, naam? omgeving van afzetting? naam donker laag?
  •  
  • 9. Hummocky cross stratification, waar en waarom?
  •  
  • 10. Vermindering porositeit bij siliciclastische sediment, redenen?
  •  
  • Versie 2
  •  
  • 1. Wat zijn de 3 types van transport in water?
  •  
  • 2. In welke meren verwacht je de minste sedimentatie?
  •  
  • 3. Teken de curve van loess op de phi-schaal
  •  
  • 4. Hoe ga je tephra afzettingen correleren dat over lange afstanden is verspreid? (Welke analyse, welke korrelgrootte en waarom)
  •  
  • 5. Vind je meer of minder flood turbidites in zoutwater meren dan in zoetwater meren?
  •  
  • 6. Wat is de facies associatie van een terugtrekkende gletsjer
  •  
  • 7. Prentje van een dubmarine canyon en rivier met 1 punt erop aangeduid (1) waarom is de canyon zo diep ingesneden hoewel het debiet laag is (2) wat zijn de afzetting in punt 1 (3) hoe ga je in punt 1 de aardbeving van 2010 (die een beetje verder was) zien in je sediment records?
  •  
  • 8. Wat is een crevasse splay? (Hoe gevormd, korrelgrootte)
  •  
  • 9. Hoe zijn de quartaire loess afzetting in Belgie ontstaan?
  •  
  • 10. Hoe herken je een mature zandsteen? (textural/composional)
  •  
  •  
  • Examen 2016-2017
  •  
  • 1. Verschil tussen proximale en distale turbidieten?
  •  
  • 2. Foto van dropstone, wat is dit en waar komt het voor?
  •  
  • 3. Bespreek de densiteit in meren
  •  
  • 4. Waarom komen Tidal flats niet bij elk kustmilieu voor?
  •  
  • 5. Verschil tussen debris flow en turbidity flow
  •  
  • 6. Lagoonfacies v.s. meerfacies
  •  
  • 7. Gegeven een grafiek met 2 korrelgrootte-verspreiding curves op: teken eronder de phi schaal, duid de klei, silt en zandgrenzen aan en tracht af te leiden wat beide curves zijn waar ze afgezet zijn
  •  
  • 8. Hummocky cross-stratification wat is het, waar komt het voor en hoe wordt het gevormd
  •  
  • 9. Hoe verhoudt pyroclastic fall zich t.o.v. de topografie en wat is de gemiddelde korrelgrootte van pyroclastic fall?
  •  
  • 10. Herringbone cross stratification, waar en leg uit hoe
  •  
  • 11. Foto van afwisselende zwarte en lichtere laagjes met 1 grote brok in, wat is het, hoe afgezet, welke omgeving,...
  •  
  • 12. Waarom worden er niet overal wadden gemaakt?
  •  
  •  
  • Examen 2015-2016
  •  
  • 1. Prograding delta, welke faciës?
  •  
  • 2. Wat is het verschil tussen proximale en distale turbidieten?
  •  
  • 3. Wat is een river levee? Hoe wordt deze gevormd en uit welke lithologie bestaat een river levee?
  •  
  • 4. Foto van een sterduin gegeven: wat is dit en vanwaar komt de dominante windrichting?
  •  
  • 5. Chemical en physical wheatering: wat is hier het grote verschil tussen? Geef de processen van Chemical Wheatering samen met hun lithologie.
  •  
  • 6. Hoe verloopt het transport in een fjord waar het sediment wordt aangevoerd door een rivier (niet door gletsjer!!)
  •  
  • 7. Wat zijn contourites? Hoe onstaan ze? Geef hun morfologie.
  •  
  • 8. Hoe verloopt de pyroclastic flow naargelang de topografie? Wat is de samenstelling van zo'n pyroclastic flow?
  •  
  • 9. Wat is het verschil tussen clastic varves en organic varves? Hoe worden deze gevormd?
  •  
  • 10. Hummocky cross-stratification: waar? Hoe gevormd?
  •  
  •  

Stratigrafie

Docent

Thijs Vandenbroucke

Thijs Vandenbroucke is een sympathieke prof die verwacht dat je oplet, en ook dat je antwoordt op de vragen die hij stelt tijdens zijn lessen. Hij benadrukt welke zaken hij belangrijk vindt, dus dat kan zeker handig zijn. Begin op tijd met het leren van de chronostratigrafische tabel. Dit vergt wel wat werk, maar ook in andere cursussen zullen proffen er vanuit gaan dat je dit kent, dus maar beter even de korte pijn dan. Elk examen wordt hier wel iets over gevraagd, dus als je dit kent, is het echt een puntenpakker. Stratigrafie heeft een nauwe verwantschap met sedimentologie, en je zal af en toe misschien enige overlap bemerken, maar de proffen van beide vakken proberen het herhalen van al gekende leerstof wel te vermijden.

Buis-o-meter

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2020-2021
  •  
  • 1) 2 logs geven, geef de naam. de namen van de grenzen van de eerste log. mogelijke zandlagen aanduiden. type boormodder belangrijk? waarom?
  •  
  • 2) 5 boornkernen + fossiele ranges gegeven: chronozone aanduiden, current range zone, stratigrafisch fenomeen geven.
  •  
  • 3) sequentie: welke tract? (hst), hoe gevormd+ interactie + sedim patronen + aanduiden op SL curve. welke tract hierna + schets + aanduiden op SL+ geef naam opp tussen twee tracts.
  •  
  • 4) curve stabiele isotopen: auteur + in welk materiaal + events/gebeurtenissen (naam geven) + geef chronostratigrafische termen + vraagjes over de tempertauuras.
  •  
  • 5) meerkeuze: ediacariaan + LO/HO voorspellen (welke methode) + correcte uitspraken.
  •  
  • 6) definities: Formatie + MIS + Astronomical Tuning + wet Walthe
  •  
  • 7) termen uit ICS + onderverdeling Siluur
  •  
  •  
  • Examen 2019-2020
  •  
  • 1. Sequentiestratigrafie: vergelijken tracts waar meeste sediment afgezet door siliciklastisch of carbonaatsysteem (eerst beschrijven, dan verschillen met ander systeem ook geven). Aanduiden op zeespiegelgrafiek en op blokdiagram waar de afzettingen gebeuren. /20
  •  
  • 2. Biostratigrafie: problemen/complicaties en de 2 oplossingen /20
  •  
  • 3. Grafiek met magnetostratigrafie op horizontale as en 18O-isotopen op verticale as /15
  •  
  • a. Welke chronostratigrafische eenheden stellen de extremen in de zuurstofisotopen voor?
  •  
  • b. In welk materiaal worden de zuurstofisotopen vooral gemeten?
  •  
  • c. Geef numerische schaal bij de magnetostratigrafie (hoeveel tijd vertegenwoordigd door onderverdelingen?) + hoe weet je dat?
  •  
  • 4. Afbeelding van een ontsluiting. Bespreken en historisch belang geven (Siccar point) /15
  •  
  • 5. Meerkeuzevragen /25
  •  
  • a. GSSP discussie Ediacariaan
  •  
  • b. Iets met fouten bij datering zirkonen
  •  
  • c. Welke uitspraak is juist?
  •  
  • d. Wat betekent een positieve excursie in 18O?
  •  
  • e. Via welke methode voorspel je best die biostratigrafische ranges bij een boring ofzo?
  •  
  • f. Boven/boven/Laat/laat Krijt invullen in zin
  •  
  • g. 5 chronostratigrafische eenheden in volgorde van langste naar kortste tijdsperiode plaatsen
  •  
  • h. Periode obliquiteit
  •  
  • i. Polariteit aanduiden op foto
  •  
  • j. Wat zie je op figuur (onlap)
  •  
  • k. Stages boven jura
  •  
  • l. Stages in volgorde zetten
  •  
  •  
  • Examen 2018-2019
  •  
  • 1. Prent gegeven met gamma ray log en ernaast parasequenties (driehoeken) en dat moest je uitleggen (20pt).
  •  
  • 2. Grafiek 18O trend op y-as en magnetostratigrafie op x-as en dat moest je uitleggen en de waarden voor de eenheden bij de magnetische schaal schatten (10pt).
  •  
  • 3. Vraag met 2 coupes waarbij de ranges van verschillende soorten verschillend waren, zeg wat de oorzaken hiervoor kunnen zijn en wat mogelijke oplossingen zijn zodat biostratigrafie wel een goede methode is (25pt).
  •  
  • 4. De 3 astronomische parameters geven met hun periodes en hoe dit kan gebruikt worden in de stratigrafie? (5pt).
  •  
  • 5. Voor en nadelen magnetostratigrafie geven (5pt).
  •  
  • 6. Definities gssp, petm, wet van walter, falling stage systems tract (10pt).
  •  
  • 7. 10 namen weggelaten uit chronostratigrafische tijdsschaal (20pt).
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018
  •  
  • 1. vraag over sequentiestratigrafie van de siliciclastische gesteenten. Tekening is gegeven van een hele sedimenten sequentie (afbeelding staat ook in boek/ppt). Wat is de groene afzetting? (TST) Wat zijn de grenzen van deze afzetting? Duid aan op een RSL-grafiek. (15p)
  •  
  • 2. Afbeelding van een klif (staat ook in ppt). Duid hier de TR-verdeling op aan. (5p)
  •  
  • 3. Gegeven zijn 2 afbeeldingen van 2 coupes (grens-stratotype) met 4 taxa's in weergegeven. De 2 coupes zijn verschillend en een collega wil hiermee aantonen dat biostratigrafie geen goede tool is. Waarom is biostratigrafie wel goed en kan dit dus wel degelijk gebeuren in het echt? Wat zijn de oorzaken en hoe kan je het oplossen? (20p)
  •  
  • 4. Voor- en nadelen van biostratigrafie, chemostratigrafie en magnetostratigrafie (onderling) vergelijken en geef een oplossing. (10p)
  •  
  • 5. 2 grafieken gegeven over chemostratigrafie. Leg KORT uit en wat staat er op de horizontale as? (Grafiek van 18O ifv magnetostratigrafie, en grafiek Sr isotopen verhouding) (15p)
  •  
  • 6. Kleine vraagjes ivm kennis: Hoge of lage resolutie van methodes, periodes obliquiteit en pressecie geven, grensverlegging bij GSSP Carboon. (10p)
  •  
  • 7. 10 random etages/series uit de CSC. (10p)
  •  
  •  
  • Examen 2016-2017
  •  
  • 1. Een prentje van eenheidstratigrafie en het alternatief. Wat is dit? Wat is het beste? Leg dit uit. (20p)
  •  
  • 2. Carbonaten en siliciklastische gesteenten hebben een verschillende cyclus voor de afzettingen bij veranderende zeespiegel. (20p)
  •  
  • 3. Bespreek voor elk van de twee cyclussen wanneer er het meest sediment wordt afgezet. Leg dit deel van de cyclus gedetailleerd uit, duid het aan op de grafiek en duid de belangrijkste verschillen aan tussen de twee. (15p)
  •  
  • 4. a) Wat is het verschil tussen een biozone, chronozone en een (bio)chron? Leg kort uit (zeer weinig plaats om te antwoorden) en maak een tekening. Waar zou je op de tekening de ideale GSSP leggen? b) Wat is het beste om aan geochronologie mee te doen? Een graniet of een bentoniet? c) Een collega vind een organisme in een laag van het Cambrium dat na datering ouder blijkt te zijn? Moet men de grens van het Cambrium nu verleggen of niet?
  •  
  • 5. a) Verschillende dateringsmethoden: zuurstofisotopen, eccentriciteitscycli, precessiecycli, Strontium isotopen, landtetrapoden uit Mesozoïcum, Zirkoonkristallen,... Wat is het beste om mee te dateren? Rangschik alles op nauwkeurigheid. b) Vul aan met boven/Boven/laat/Laat. Een zin met 2 woorden weggelaten (15p)
  •  
  • 6. 10 random tijdsvakken uit de ICC elk op 2 ptn
  •  
  •  
  • Examen 2015-2016 1ste zit
  •  
  • 1. Je krijgt 2 tekeningen, een boundary stratotype en een unit-stratotype, leg het verschil uit. Welke verkiest men? Leg uit waarom. (15p)
  •  
  • 2. Je krijgt een tekening van een sequentie afzetting, welk systems tract is het en leg deze uit. (15p)
  •  
  • A. Welke system tract komt hierna en leg deze ook uit.
  •  
  • B. Wat is de grens tussen deze twee systems tracts en leg deze uit.
  •  
  • C. Wat is het verschil tussen een silica en een carbonaat systems tract?
  •  
  • 3. Leg aan de hand van een tekening en een beetje uitleg het verschil tussen biochron, biozone en chronozone uit. (6p)
  •  
  • 4. Wat zijn good fossils en bad fossils en geef enkele voorbeelden. (4p)
  •  
  • 5. Wat zijn de 3 kenmerken van cyclostratigrafie geef hun perioden en leg uit waarom men dat kan gebruiken in de stratigrafie. (5p)
  •  
  • 6. De chronostratigrafische kaart, 10 dingen ontbreken welke? (15p)
  •  
  •  
  • Examen 2015-2016 2de zit
  •  
  • 1. Geef alle stages en series van het Paleogeen zoals weergegeven op de Chronostratigrafische kaart. (12p)
  •  
  • 2. Geef alle stages van het Onder-Devoon. (3p)
  •  
  • 3. Geef kort en bondig het verschil tussen Chonostratigrafie en Geochronologie. (5p)
  •  
  • 4. Wat is het best te gebruiken om de geochronologische tijdschaal te maken: isotopenstratigrafie van basaltische intrusies of bentonieten en waarom. (2p)
  •  
  • 5. Wat gebruik je het best biostratigrafie of chemostratigrafie voor een tijdschaal te maken en waarom is het nog altijd beter om ze alle twee te gebruiken. (3p)
  •  
  • 6. Je krijgt een grafiek zoals die van in de ppt over parasequenties en gammaray logs en je uitleggen wat de driehoeken betekenen, wat het precies voorstelt, ... . (10p)
  •  
  • 7. Je krijgt een tekening van alle sedimentafzettingen in een sequentie en je moet alle system tracks, MS en SB erop aanduiden. Je hebt ook een golf gekregen en je moet ze daar ook op aanduiden. (9p)
  •  
  • 8. Geef de definitie van GSSP, PETM, Matuyamachron en astronomische tijdschaal (of zo iets). (8p, elk woordje op twee)
  •  
  • 9. Kleine vraagjes over de laatste hoofdstukken. (8p)
  •  
  •  

Structuurchemie

Docent

Richard Hoogenboom

Richard Hoogenboom is een jonge, joviale prof. Zoals zijn naam doet vermoeden, is hij een Nederlander. Dat is niet zo erg, want hij kan het wel allemaal goed en begrijpbaar uitleggen.

Cursus

Moet je zelf in pakketjes afdrukken (elk hoofdstuk komt op ufora te staan). De cursus is een van de dunste die je in je carrière zal tegenkomen… Er zijn ook powerpoints die hij tijdens les overloopt, het meeste staat in de cursus, als dat niet het geval is vermeldt hij dit wel duidelijk. Vergeet dus zeker niet om ook die onderdelen te studeren.

Werkcolleges

Voor dit vak zijn er niet veel werkcolleges en wordt ook steeds een stuk van de oefeningen gezien in de hoorcolleges herhaald. Ze zijn wel zeer nuttig, vooral omdat je zelf je moleculen kan in elkaar steken wat kan helpen om je alles sneller te kunnen inbeelden. De werkcolleges worden niet door de prof zelf gegeven.

Buis-o-meter

1 mondelinge (grote) vraag, waarbij je een uur krijgt die schriftelijk voor te bereiden. Daarna komt hij deze vraag ophalen en gaat hij de volgorde af van hoe je zit. Je kan dan al werken aan de 5 (kleinere) schriftelijke vragen, die testen of je alles begrijpt. Het zijn vooral oefeningen, terwijl je praktisch geen enkele oefening in de cursus maakt.

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2020-2021
  •  
  • Dankzij corona geen mondeling deel
  •  
  • Vraag 1
  •  
  • Lijnvoorstellingen getekend van 2,2,3,3-tetramethylbutaan; 3-methylheptaan en octaan
  •  
  • 1a geef de systematische naam van de structuren (1pt)
  •  
  • 1b bespreek hoe het kookpunt toeneemt tussen deze 3 structuren (1.5 pt)
  •  
  • 1c bespreek hoe het smeltpunt toeneemt tussen deze 3 structuren (1.5 pt)
  •  
  • Vraag 2
  •  
  • Lijnvoorstellingen getekend van E(entgegen) en Z(zusammen) vorm van but-2-een
  •  
  • 2a teken de hybride molecuulorbitalen van deze structuren volgens de Valence Bond Theory (2pt)
  •  
  • 2b bespreek aan de hand van de tekeningen uit 2a welke soort isomeren het zijn (1 pt)
  •  
  • Vraag 3
  •  
  • Lijnvoorstelling getekend van 5-methylcyclohexa-1,3-dieen
  •  
  • 3a leg uit hoe de pi-orbitalen de stabiliteit van de molecule verhogen (2pt)
  •  
  • 3b deze molecule reageert met HCl, schrijf het reactiemechanisme uit, geef de eindproduct(en) en ook hun systematische IUPAC naam, en eventuele R/S toekenning (4pt)
  •  
  • Vraag 4
  •  
  • Lijnvoorstelling getekend van methylcyclohexaan
  •  
  • 4a deze molecule reageert met Br2 onder UV-bestraling, schrijf het reactiemechanisme uit, geef de mono-gesubstitueerde eindproduct(en) en ook hun systematische IUPAC naam, en eventuele R/S toekenning (4pt)
  •  
  • 4b leg uit hoe de verschillende reactieproducten zich verhouden bij een temperatuur van 600°C (1pt)
  •  
  • 4c leg uit hoe deze verhouding verandert bij kamertemperatuur (2pt)
  •  
  •  
  • Examen 2016-2017
  •  
  • 1. Mondelinge vraag, 1 uur voorbereiding: Geef de nieuwe structuur als HCl reageert met 1, 4 dimethyl cyclohex-1-een en leg het reactiemechanisme uit. Geef eventuele isomeren. Teken van de bekomen vorm de uiterste vorm in 3D (stoelvorm dus) en de newmanprojectie en leid hieruit af wat het meest stabiel is. (6p)
  •  
  • 2. Geef de hybridisatietoestand van de C en N atomen in CH3CH2NH2 en CH3CN. Teken dit ook
  •  
  • 3. Geef de Fischerprojectie van deze structuur: 1-broom pentan-4-ol
  •  
  • 4. Geef van deze structuur een keten-, structuur- en functionele groep isomeer
  •  
  • 5. Leg aan de hand van de structuur van volgende moleculen het verloop van het kookpunt en het smeltpunt uit.
  •  
  • 6. Leg uit hoe Br2 reageert met deze structuur en geef eventuele isomeren. (Voorbeeld waar Broomgas aanvalt op een dubbele binding)
  •  
  •  
  • Examen 2015-2016
  •  
  • 1. Bespreek aromaciteit van volgende verbindingen (hoofdvraag mondeling)
  •  
  • 2. Hybridisatie geven van C en O atomen / teken orbitalen /leg uit verschil in structuur of vorm
  •  
  • 3. Fischerprojectie 2S/3R + willekeurig diasteriomeer + plaatsisomeer + ketenisomeer + functionele groepisomeer
  •  
  • 4. Boot- en stoel-configuratie van cyclohexaan teken Newmanprojectie en lijnvoorstelling. verklaar stabiliteit en zet op volgorde
  •  
  • 5. Reactie
  •  
  •  
  • Examen 2012-2013 2de zit
  •  
  • 1. a) bespreek de synthese van 2-bromopropaan via een radicalair proces b) bespreek de synthese van 2-bromopropaan via een kationisch proces c) welke van de 2 krijgt je voorkeur
  •  
  • 2. Stereogene C-atomen en hybridisatie aanduiden + 2-pentanon : molecuulorbitalen tekenen en wignotatie
  •  
  • 3. Fisherprojectie van 2,3-pentaaldiol + een diastereomeer, keten,plaats en functionele groep isomeer ervan tekenen
  •  
  • 4. Bespreek de in(stabiliteit) bij cyclobutadieen, cyclohexadieen & cyclooctadieen.
  •  
  • 5. Additie van H2 met 1,3,5-trimethylhexadieen, welke reactieproducten? En geef IUPAC naam.
  •  
  •  
  • Examen 2012-2013 1ste zit
  •  
  • 1. Oxidatie van 1-methyl-1-cyclohexeen met permanganaat: uitleggen (mondeling)
  •  
  • 2. Stereogene C atomen en hybridisatie in molecule aanduiden
  •  
  • 3. Methanolamine: molecuulorbitalen tekenen en wignotatie
  •  
  • 4. Fisherprojectie van 2,3-pentaaldiol + een diastereomeer, keten,plaats en functionele groep isomeer ervan tekenen
  •  
  • 5. Kook-en smelttemperatuur bij alkanen verklaren
  •  
  • 6. 1,3-hexadieen + HX: reactie vervolledigen en uitleggen
  •  
  •  

Wiskunde 3 en geostatistiek

Docent

Lieven Clement, Bart De Bruyn en Thomas Hermans

Het gedeelte statistiek is de grootste brok en telt mee voor 2/3 van de punten, waarbij 1/3 op de theorie staat en 1/3 op de oefeningen. De oefeningen worden begeleid door Hans. Als je geen gigantische computerfan bent, zal je dit gedeelte waarschijnlijk niet super tof vinden. Je hebt de kans om vragen te stellen of om samen te werken, maar het is niet vergelijkbaar met de oefeningen van wiskunde 1 en 2, waar je gewoon moest overschrijven wat er op het bord werd geschreven. Op het examen zal dit deel echter vrij goed meevallen, aangezien je ook een soort van formularium mag gebruiken.

Cursus

Voor beide is het een cursus van een middelbaar niveau: niet teveel tekst en alles wel treffelijk uitgelegd. Het deel wiskunde 3 bouwt verder op wat je hebt gezien in het middelbaar, de geostatistiek is toch wel nieuw. Probleem hierbij is dat het nogal abstracte leerstof is en dito geschreven werd. Formules die erin voorkomen dienen niet echt gekend te zijn, maar hoe meer je erin weet te proppen, hoe completer je examen zal zijn.

Buis-o-meter

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2017-2018
  •  
  • Statistiek
  •  
  • 1. Vergelijk werking gps met betrouwbaarheidsinterval
  •  
  • 2. Vraag over een test. afleiden welke test je wil gebruiken
  •  
  • 3. H0 en HA uitleggen
  •  
  • 4. Power en p-waarde uitleggen
  •  
  • 5. PCA toegepast op heptathlon, 3 eenheidsmatrices gegeven. Leg uit wat het verband is met de verschillende diciplines, waarom kiezen we 3 componenten.
  •  
  • 6. Basis kansrekening oefening
  •  
  • PC-deel Statistiek gelijkaardig aan voorbeeldexamen gemaakt in de laatste les
  •  
  • Geostatistiek
  •  
  • 1. Voorwaarden kringing
  •  
  • 2. Tekening variogram: leg range, sill en nugget effect uit
  •  
  • 3. C=1-y(h) leg uit waarom dit zo is
  •  
  • 4. Vergelijking voor lambda afleiden (letterlijke afleiding zoals in les)
  •  
  • 5. Berekenen: Z en lambda 1&2
  •  
  • 6. Stel een vergelijking (gegeven). bereken.
  •  
  • Wiskunde 3
  •  
  • 2 oefeningen, kromme en fourrier, zie vorbeeldexamen op Minerva
  •  
  •  
  • Examen 2016-2017 2de zit
  •  
  • Statistiek
  •  
  • 1. Definieer de nulhypothese en de alternatieve hypothese. Geef een voorbeeld uit uw eigen domein.
  •  
  • 2. Leg uit wat de p-waarde is. Wat betekent p = 0.032?
  •  
  • 3. Gegeven : Een 95% betrouwbaarheidsinterval met de lengte = L = 2*1.96*(sigma/sqrt(n)) met n = aantal observaties. Bespreek welke invloed n en sigma hebben op de lengte van het interval. Pas dit toe op een voorbeeld uit de praktijk.
  •  
  • 4. Een grafische voorstelling van PCs. Bespreek.
  •  
  • Oefeningen
  •  
  • 1. Een hypothese over molens met n = 5 en 2 variabelen.
  •  
  • A. Welk soort test zou je gebruiken? Beargumenteer.
  •  
  • B. Beschrijf de Ho en Ha
  •  
  • C. Geef de assumpties voor de test
  •  
  • D. 10% BI : bereken de test statistiek
  •  
  • E. Bereken de p-waarde
  •  
  • F. nog enkele kleine vraagjes
  •  
  • 2. Kansrekenen : basisoefening
  •  
  • Wiskunde 3
  •  
  • 1. Bereken de arbeid van de driehoek met opgegeven hoeken in x-y vlak
  •  
  • 2. Gegeven functie: A. Is deze functie even /oneven /geen van beide? B. Bereken bn >= 1. C. Bepaal het convergentiegebied in 5 verschillende punten.
  •  
  • Geostatistiek
  •  
  • 1. Gegevens over een experimenteel variogram: A. Bereken het relatief nugget effect. B. Bespreek de ruimtelijke structuur.
  •  
  • 2. Wat is Kruis validatie?
  •  
  • PC-deel Statistiek gelijkaardig aan voorbeeldexamen gemaakt in de laatste les
  •  
  •  
  • Examen 2016-2017 1ste zit
  •  
  • Statistiek
  •  
  • 1. Leg uit aan de hand van een tekening wanneer de nulhypothese het snelst verworpen wordt als je vriend een significantieniveau van 0.05 heeft en jij van 0.10. De p-waarde is 0.026 welke van de twee nulhypotheses wordt verworpen.
  •  
  • 2. Leg het begrip Power uit adhv van type I en type II fouten.
  •  
  • 3. PCA
  •  
  • 4. Als je 100 procent van de variantie wilt verklaren hoeveel componenten heb je nodig
  •  
  • 5. Wat is de S en R matrix, wanneer gebruik je wat
  •  
  • 6. De eerste 3 componenten geven 68 procent van de variantie, de eerste 4 geven 75 procent van de variantie en de eerste 5 componenten geven 85 procent van de variantie. Hoeveel componenten kies je
  •  
  • Oefeningen
  •  
  • 1. a) Welke test wordt hier gebruikt. b) Geef de H0 en Ha. c) Hoeveel vrijheidsgraden zijn er en hoe weet je dit. d) Interpreteer de p-waarde
  •  
  • 2. Kansrekenen: gegeven de kans op gebeurtenis 1 en op gebeurtenis 2. Geef de kans van 1 na 2 en van 2 na 1
  •  
  • Wiskunde 3
  •  
  • 1. Bereken de arbeid van de kromme bij een gegeven r(x) en F-veld
  •  
  • 2. Geef de fouriercoefficienten van de reeks en bespreek de convergentie
  •  
  • Geostatistiek
  •  
  • 1. Gegeven een variogram, wat is het best passende model, wat zijn twee oorzaken van dit verschijnsel
  •  
  • 2. Gegeven een A, B en lambda matrix met bepaalde waarden niet ingevuld. Gegeven een tekening met de afstanden tot x0 en een tabel met de semivarianties voor h = 1 tot 9m. Vul de matrix aan en bereken de voorspelde waarde voor x0
  •  
  • PC Practicum: Beschrijvende statistiek, ANOVA en lineaire regressie
  •  
  •  
  • Examen 2015-2016
  •  
  • Statistiek
  •  
  • 1. Waarom hebben we een betrouwbaarheidsinterval nodig, ook al hebben we de geschatte waarde van het gemiddelde en de mediaan?
  •  
  • 2. Leg uit : H0 en HA hypothese?
  •  
  • 3. Je krijgt een oefening met enkele ongekende waarden: Leg uit welk soort toets je zou gebruiken en waarom? Bereken de p - waarde. Beschrijf het 95 % significatie interval
  •  
  • 4. Enkele kleine oefeningen op kansrekenen
  •  
  • 5. Oefening op hypotheses : 2 gegeven testen die je moet vergelijken met elkaar en de waarden verklaren. Welke test van de 2 zou het beste resultaat geven voor de opgave? Vergelijk de p-waarden? Wat kan je zeggen over de p-waarde?
  •  
  • Geostatistiek
  •  
  • 1. Vergelijk het Kriging-algoritme met het algoritme van de inverse afstandsweging voor het punt-interpolatie probleem. Leg het concept uit aan de hand van de berekening van de gewichten van de meetpunten en toon de verschillen tussen de concepten aan
  •  
  • 2. Een toepassing op het punt-kriging systeem: Je krijgt een variogram met de gekende varianties in een tabel weergegeven. Je krijgt ook een grafiek met 4 gekende meetpunten binnen het interpolatievenster en 1 te interpoleren punt op een bepaalde x waarde. Vul de getallen in matrix A en matrix B verder aan (door berekening). De matrix met de gewichten lamda (i) is reeds gegeven. Bereken de geschatte waarde Z*(x0) en de variantie
  •  
  • Wiskunde 3
  •  
  • 1. Bereken de arbeid van Kromme K met r(t) = (cos(pi)t , t^2, sin(pi)t) en een vectorveld (x, y, z) --> (x, y, z)
  •  
  • 2. Gegeven : f(x) = -3/2 als -(pi) < x <= 0 f(x) = 1/2 als 0 < x <= pi met T = 2pi en interval ]-pi , pi] A. Is deze functie even of oneven? B. bereken bn, n >= 1. C. Bepaal de convergentie in de punten -pi, -pi/2, 0, pi/2, pi"
  •  
  •  
  • Examen 2014-2015
  •  
  • Statistiek
  •  
  • 1. Bereken de power
  •  
  • 2. Gegeven: een ingevulde tabel: Bereken de proporties voor dag en nacht personen die tevreden zijn (tevreden > 5)
  •  
  • 3. Je krijgt een tabel met scores die 3 assistenten gegeven hebben. Voer een variantieanalyse uit, hebben alle assistenten even streng verbetert?
  •  
  • Wiskunde 3
  •  
  • 1. F: R² → R²: (x,y) → (y,-x) bereken de arbeid F voor: A. Lijnstuk dat (1,0) en (0,-1) verbindt. B.Driekwart cirkel met r(t) = (cos(t),sin(t)) en t […,…] (interval niet gegeven)
  •  
  • 2. Fourrier: f = 0 als –pi < x < 0 en f = (1/2)cos²(x) als 0 <= x <= pi. A. Bereken bi componenten voor i >=1 (bi formule niet gegeven). B. Convergentie bepalen in –pi, -pi/2, 0, pi/2, pi
  •  
  • Geostatistiek
  •  
  • 1. Waarom is de (populatie)variantie niet genoeg voor de geostatistiek? Beschrijf de component voor autocorrelatie
  •  
  • 2. Wat is het verschil tussen punt- en blokkriging? Beschrijf de component en maak hier een tekening bij
  •  
  •  
  • Examen 2012-2013
  •  
  • Geostatistiek
  •  
  • 1. Geef de 4 verschillende meetschalen en leg uit.
  •  
  • 2. Geef vier eigenschappen van eigenwaarden en eigenvectoren die van belang zijn voor principale componenten analyse.
  •  
  • 3. Leg de 3 parameters van een typisch variogram uit.
  •  
  • 4. Welke aanpassingen gebeuren er bij overgang van punt kriging naar block kriging voor het systeem en de variantie?
  •  
  • 5. T-test of F-test?
  •  
  • 6. Vergelijken van 3 gemiddelden - verhogen van orde in trendoppervlak - significantie van de correlatie - onderzoek van de scheefheid en platheid van een distrubutie
  •  
  • 7. Geef de drie kwadratensommen gebruikt om de significantie van regressie te testen + geef bij elke kwadratensom een grafiek. Hoe bepalen we aan de hand van deze kwadratensommen de determinatiecoefficient en wat geeftdeze weer? Welke termen verschillen tussen een lineair en kwadratisch trendoppervlak? Waarom is R^2 geen goede maatstaaf om verschillende orde trendoppervlakken te vergelijken en wat kunnen we dan wel gebruiken?
  •  
  • Wiskunde 3
  •  
  • 1. Gegeven een vectorveld F (x - z^2, y - x^2, z - y^2). Bereken de arbeid volgens volgende krommen die die punten (0,0,0) en (1,1,1) verbinden: A. de kromme (t, t^2, t^3) voor t [0,1]. B. het lijnstuk dat beide punten verbindt
  •  
  • 2. Een kromme heeft in het interval [-pi, pi] als vergelijking e^x + e^-x. deze heeft een fourierreeks. Bepaal de som van de fourierreeks in de punten -pi, -pi/2, 0, pi/2, pi - is deze functie even of oneven? - bepaal an voor n>=0
  •  
  •  

Analytische chemie

Docent

Mieke Adriaens

Practica

Deze gaan door op de S12 in het labo op het gelijkvloers. De resultaten worden steeds geëvalueerd en al deze quoteringen samen tellen voor 1/5 van de 20 punten. Twee gouden tips hierbij: let op de beduidende cijfers én hoe meer je knoeit, hoe beter de punten zullen uitvallen! Dat geldt niet voor de titraties, hier is precies werken wél wenselijk. De andere practica moet je per twee afwerken en daarin mag je spelen met uiterst dure analytische toestellen. Een gevolg van die dure apparatuur, is het feit dat je wel eens een uurtje (of drie in het slechtste geval) zal mogen wachten en zorg er dus voor dat je wat om handen hebt. Geknoei in het labo kunnen de, overigens behulpzame, assistenten namelijk ietwat minder verdragen. Vergeet nooit het nummer van het moster waarop je hebt gewerkt op je verslag te schrijven, want dan is de quotering circelvormig! Ook hier zijn er nog enkele werkcolleges die door de prof zelf gegeven worden. Hier maak je oefeningen uit het boek en ook hier hunkert hij naar repons uit de klas, iedereen zal ook minstens één oefening aan het bord moeten uitschrijven. Er moeten tevens enkele oefeningen (echt) individueel gemaakt en ingediend worden ter quotatie en dit telt mee als één extra practicumverslag, dus doe toch maar je best.

Buis-o-meter

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2018-2019
  •  
  • Theorie
  •  
  • 1. Veel van de analysetechnieken, gezien in de cursus, zijn gebaseerd op de analyse van oplossingen. Meeste geologische stalen zijn echter niet onmiddellijk beschikbaar als oplossing. Welke oplossingsprocedures zijn er voor handen? (2pt)
  •  
  • 2. Onderstaande figuur (fig van 4 vormen straling: emissie, absorptie,...) geeft een schematische voorstelling van vier verschillende stralingsprocessen.(i)Identificeer elk proces.(ii) Wat verstaat men onder “gekwantificeerde” stralingsprocessen en beschrijf kort hoe deze karakteristiek benut kan worden in een optische analysetechniek. (2pt)
  •  
  • 3. De bepaling van geologische tijdschalen doet men doorgaans aan de hand van nauwkeurige isotopenverhoudingen.Welke technieken, gezien in de cursus, kunnen hiervoor gebruikt worden? Verklaar uw antwoord (2pt)
  •  
  • 4. Uitleg over pollutie in lucht en hoe dat het monster wordt verwerkt tot een oplossing met paarse kleur... Geef een schets van de analyse techniek die je gaat gebruiken en leg elk onderdeel uit. (dus UV-VIS: bron, dispersiesysteem, monster, detectie, bij elk een voorbeeld uitleggen) (2pt)
  •  
  • 5. Leg uit wat de discipline Analytische chemie inhoud en waarom het belangrijk is binnen de geologie. (2pt)
  •  
  • Oefeningen
  •  
  • 1. Een base met Kb gegeven a. bereken als concentratie 0.01M is, b. bereken als de oplossing 1000 maal wordt verdund (1.75pt)
  •  
  • 2. Concentratie van zink2+, EDTA en NH3 bij pH = 10. a. wat is de concentratie aan vrij zink bij EP? b. Waarom titratie in NH3 (omdat hulpcomplexvormer is) (1.25pt)
  •  
  • 3. een distributiegrafiek gegeven, van H2S, HS- en S2- . De max concentratie van H2S in een meer voordat het toxisch is voor vissen is gegeven. De totale concentratie in een meer is gegeven. Welke is de pH waarde om niet toxische te zijn voor vissen. (alpha0 berekenen en dan ph aflezen van grafiek) (1pt)
  •  
  • 4. a) Gegeven concentratie sample in mg/g, het sample wordt aangelengd tot 1000ml. 5ml hiervan wordt gebruikt om te verdunnen. Je hebt maatkolven van 10,20,25,50,100,250,500,1000ml beschikbaar. welke maatkolf gebruik je om een goede nauwkeurige waarde te bekomen? concentraties van standaarden zijn ook gegeven waarmee een ijkcurve werd opgesteld. b) 10 waarden en een mu gegeven. Evalueer de accuratesse (= T-test) op een significantieniveau van 95procent. c) Indien van het standaardstaal (mu) 50mg genomen wordt en aangelengd wordt tot 1000ml, zal de methode nog accuraat zijn? (totaal op 3pt).
  •  
  •  

Fysica 3

Docent

Stefaan Cottenier

Buis-o-meter

Dit is de moeilijkste van de drie fysica's dat je in deze richting zal hebben.

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen
  •  
  • Korte vragen
  •  
  • 1) Een metaal geleidende bolschil met homogeen verdeelde lading q, bevat ein het midden een lading Q. De elektrische flux door het binnen- en buiten oppervlak zijn x en y (sorry ik ken de getallen niet meer). Hoeveel bedraagt q?
  •  
  • 2) Een magneet valt door de ring (zie tekening). Geef de magnetische flux en de geïnduceerde stroom i.f.v. de tijd weer in een grafiek; het nul punt van de grafiek komt overeen met het moment wanneer het middelpunt van de magneet het vlak van de ring staat
  •  
  • 3) Norm van magnetisch veld berekenen ofzo van onderstaande kring met r1, r2, en lengte l. (Tekening is niet helemaal juist, maar zoiets in die aard)
  •  
  • 4) Welk segment heeft het grootste elektrisch veld? Geef een formule voor het elektrisch veld voor een segment. (Figuur)
  •  
  • 5) De condensatoren worden opgeladen, daarna wordt de batterij losgekoppeld, daarna wordt het diëlektricum van condensator 1 naar condensator 2 verplaatst, hoeveel lading wordt er verplaatst? (gaat van 1 naar 2)
  •  
  • Grote vragen
  •  
  • 1) Gegeven is een afbeelding waarbij gevraagd wordt om alle stromen te berekenen.
  •  
  • 2) Gegeven twee geleidende staven met verwaarloosbare dikte (doorsnede), lengte l en ladingsdichtheid λ. Zie figuur.
     a) Bereken het elektrisch veld veroorzaakt door de rechter staaf op een punt links van deze staaf op een afstand z van de x-as. Druk dit uit ifv a,b en λ
     b) Bereken de kracht op deze staaf veroorzaakt door de rechterstaaf
     c) Bewijs dat voor l veel kleiner dat r de kracht gelijk wordt aan de kracht op twee puntladingen.
  •  
  •  
  • Examen 2016-2017 2de zit
  •  
  • Theorie
  •  
  • 1. Een deeltje beweegt met snelheid v, E staat loodrecht op v, B maakt een hoek van 45° met v. Hoe moet de verhouding E/B zijn opdat het deeltje een eenparige rechtlijnige beweging maakt?
  •  
  • A. v*sqrt(2)
  •  
  • B. v/sqrt(2)
  •  
  • C. v*2
  •  
  • D. ???
  •  
  • 2. Een bolschil met staal 20 cm en een bol met staal 10 cm, beide geleiders, zijn verbonden met een lange geleidende draad. In de bolschil bevind zich een lading +q. het geheel is neutraal geladen. Wat is de lading op de bolschil Q1 en op de bol Q2?
  •  
  • A. Q1 = q/3, Q2 = q/3
  •  
  • B. Q1 = q/2, Q2 = q/2
  •  
  • C. Q1 = 2q/3, Q2 = q/3
  •  
  • D. Q1 = q/3, Q2 = 2q/3
  •  
  • 3. Condensator met positieve plaat beneden en de negatieve boven met afstand d tussen de platen, elektrisch veld wijst naar boven toe (van pos naar neg). Een lading q beweegt van de positieve naar de negatieve plaat. Wat is de arbeid die de elektrische en de gravitationele kracht samen uitoefenen?
  •  
  • A. W = (-qE - mg)d
  •  
  • B. W = (-qE + mg)d
  •  
  • C. W = (qE - mg)d
  •  
  • D. W = (qE +mg)d
  •  
  • 4. Elektrische component van een elektromagnetische golf is gegeven. Op welk punt komt de magnetische component uit het blad (z-as)?
  •  
  • A. 0
  •  
  • B. π
  •  
  • C. 3π/2
  •  
  • D. π/4
  •  
  • 5. RC schakeling met spanningsbron, schakelaar condensator en weerstand in serie geschakeld. De condensator is initieel ongeladen, als de schakelaar gesloten wordt loopt een stroom I door de condensator. Als een tweede condensator parallel geschakeld wordt aan de eerste en de schakelaar wordt gesloten, wat is de stroom die door de condensatoren loopt? (beide initieel niet geladen)
  •  
  • A. I
  •  
  • B. I/2
  •  
  • C. 2I
  •  
  • D. ???
  •  
  • 6. Je hebt 2 lampen met dezelfde weerstand een een spanningsbron, hoe moet je de lampen aansluiten om zo lang mogelijk licht te hebben?
  •  
  • A. serie
  •  
  • B. parallel
  •  
  • C. maar 1 lamp aansluiten
  •  
  • 7. Twee koperen draden die wisselstroom genereren zitten in een kabel, wat is de gemiddelde magnetische kracht die ze uitoefenen op elkaar?
  •  
  • A. Afstoting
  •  
  • B. Aantrekking
  •  
  • C. Geen kracht
  •  
  • 8. Een materiaal wordt blootgesteld aan een uitwendig magnetisch veld B0, in het materiaal wordt een magnetisch veld B geïnduceerd, evenwijdig aan B0. grafiek B ifv temperatuur T daalt lichtjes, gaat bij bepaalde T naar nul. Welk soort magnetisme komt hiermee overeen?
  •  
  • A. Diamagnetisme
  •  
  • B. Paramagnetisme
  •  
  • C. Ferromagnetisme
  •  
  • 9. Een stroomvoerende draad komt uit het blad (•), recht ervan staat een staafmagneet met het noorden naar beneden. In welke richting werkt de kracht op de magneet?
  •  
  • A. Boven
  •  
  • B. Onder
  •  
  • C. Links
  •  
  • D. Rechts
  •  
  • 10. Onregelmatig gevormde condensator (2 horizontale boogjes) er zit een lading rechts. naar waar wijst de kracht op de lading.
  •  
  • A. Links
  •  
  • B. Rechts
  •  
  • C. Rechts indien v > 0
  •  
  • D. Rechts indien v < 0
  •  
  • 11. 0,1 mol/L NaCl geeft een potentiaalverschil V. Wat is het potentiaalverschil als er 0,1 mol/L MgF door de buis gestuurd wordt?
  •  
  • A. V
  •  
  • B. V/2
  •  
  • C. 2V
  •  
  • 12. Stroomkring met 2 wisselstroom bronnen. I1 = I0 cos (2πft) I2 = I0 cos(2πft + ø) bepaal ø zodat er geen stroom door de kring loopt
  •  
  • 13. Kring met 2 inductiespoelen met zelfinductie L, parallel geschakeld met wederzijdse inductie M. Wat is de equivalente zelfinductie van de schakeling?
  •  
  • A. L + M
  •  
  • B. L/2 + M/2
  •  
  • C. L + M/2
  •  
  • D. ???
  •  
  • 14. Stroomlus waarin de stroom wijzerzin loopt. Door de lus valt een staafmagneet met de noordpool naar bededen. Hoe verloopt de stroom I ivf de tijd (4 grafieken)
  •  
  • 15. Bij welke velden kunnen veldlijnen gesloten lussen vormen?
  •  
  • A. Elektrisch, niet magnetisch
  •  
  • B. Niet elektrisch en niet magnetisch
  •  
  • C. Magnetisch, niet elektrisch
  •  
  • D. Elektrisch en magnetisch
  •  
  • 16. 3 positieve ladingen en 1 negatieve. Op welke plaats heeft de negatieve lading het grootste potentiaal. de 4 plaatsen waar ladingen kunnen staan: ° ° ° ° ?
  •  
  • 17. Welke pijl tussen de uitspraken is correct "De elektrische flux door een gesloten oppervlak is nul" ??? "Er bevind zich geen lading in het oppervlak"
  •  
  • A. <=>
  •  
  • B. =>
  •  
  • C. <=
  •  
  • D. <≠>
  •  
  • 18. Een bundel elektronen wordt afgevuurd op een koperen draad. Hoe wordt de bundel afgebogen?
  •  
  • A. Naar de draad toe
  •  
  • B. Weg van de draad
  •  
  • C. Niet afgebogen
  •  
  • 19. Vraag over wervelstromen (moesten we eigenlijk niet kennen)
  •  
  •  
  • Examen 2016-2017 1ste zit
  •  
  • Theorie
  •  
  • 1. Gegeven een bolschil hangende via een geleider in en aan een geleidende kooi. In de bolschol zit een puntlading +q. Alle metalen delen hebben een nettolading samen van 0C. Wat is de nettolading van de bolschil. (gegeven tekening).
  •  
  • 2. Gegeven; tekening van een gelijkstroom antenne met stroomzin aageduid. Gevraagd; welk veld is E en welk is B.
  •  
  • 3. wee geleidende bollen zijn verbonden met elkaar via een geleider, ver genoeg van elkaar om inductie tussen de twee te vermeiden. Een positieve lading wordt naast een van de bollen gehouden. Gevraagd de juiste tekening aanduiden die de ladingsverdeling weergeeft.
  •  
  • 4. Een lamp heeft een vermogen van 30W en schijnt naar rechts. Wat is de kracht uitgeoefend op de lamp afkomstig van de ladingsdruk?
  •  
  • A. 0N
  •  
  • B. -0.7N
  •  
  • C. +0.7N
  •  
  • D. +0.007N
  •  
  • 5. Gegeven; een schakeling van een gelijkspanningbron in parallel met tweemaal een serieschakling van 2 lampen (lamp A en B samen, en lamp C en D samen). Tussen de spanningsbron en de 2 lampen C en D van de eerste parallel keten staat een schakelaar. Beschijf de verandering in vermogen van de spanningsbron en die van lamp A als de schakelaar wordt aangezet.
  •  
  • 6. Gegeven een lus met stroom I2 waardoor langs de as in het middelpunt een draad ligt met stroom I1. Als I1 vergroot dan zal I2?
  •  
  • A. Verkleinen
  •  
  • B. Vergroten
  •  
  • C. Niet veranderen
  •  
  • 7. Een postieve lading valt tussen twee geladen platen naar beneden (bovenste negatief en onderste positief geladen). Beschrijf de arbeid.
  •  
  • A. We en Wz postief
  •  
  • B. We negatief en Wz positief
  •  
  • C. We positief en Wz negatief
  •  
  • D. We en Wz negatief
  •  
  • 8. Een cilindervormige weerstand wordt uitgerokken zodanig dat L' = 4L. Als nadien de vorm en volume ongewijzigd blijven. Wat is dan R'?
  •  
  • A. 2R
  •  
  • B. 4R
  •  
  • C. 8R
  •  
  • D. 16R
  •  
  • 9. Een geleidende staaf zit in een veld. Voor welk van onderstaande velden zal er in deze staaf eenzelfde soort veld geinduceerd worden in tegengestelde richting?
  •  
  • A. Elektrisch, niet magnetisch
  •  
  • B. Niet elektrisch en niet magnetisch
  •  
  • C. Magnetisch, niet elektrisch
  •  
  • D. Elektrisch en magnetisch
  •  
  • 10. Van een perfecte solinoide wordt de diameter verdubbeld. Hoe veranderd dan de tijdsconstante (LR-schakeling)?
  •  
  • 11. Een koperen venster beweegt van links naar rechts in een magnetisch veld (uit het blad gericht). Naar welke kant zal de kracht wijzen die aangrijpt in het centrum van het venster?
  •  
  • A. Rechtonder
  •  
  • B. Rechtsboven
  •  
  • C. Linksonder
  •  
  • D. Linksboven
  •  
  • 12. Gegeven drie draden met een stroom gericht uit het blad (driehoekopstelling). Het gevolgde pad gaat rond de drie draden maar zit ertussen gevlochten (2 keer wijzerzin, 1 keer tegenwijzersin). Wat is de grootte van het magnetisch veld? (keuze uit 4 formules)
  •  
  • 13. Gegeven drie gaussische oppervlakken A in B in C. in A zit een puntlading >Q. op de grens van B en C is er een staaf met homogene verdeling van een lading -Q. Geef de juiste volgorde van grootte van elektrisch flux in deze drie oppervlaktes.
  •  
  • A. Flux A < flux B < flux C
  •  
  • B. Flux A < flux C < flux B
  •  
  • C. Flux C < flux B < flux A
  •  
  • D. Flux B < flux A < flux C
  •  
  • 14. Een geladen deeltje zit in een veld waar magnetische en elektrische veldlijnen parallel staan tegenover elkaar. Beschrijf de verandering van de snelheid v en de kinetische energie T als het deeltje vrij kan bewegen.
  •  
  • A. v veranderd, T niet
  •  
  • B. T veranderd, v niet
  •  
  • C. v en T veranderen allebei
  •  
  • D. v en T veranderen allebei niet
  •  
  • 15. Een lamp is in serie aangesloten met een gelijkspanningsbron en een wisselspaningsbron. De spanning over de lamp is gegeven door V = V0 + V1cos(wt). Wat is het gemiddelde vermogen van de lamp. (keuwe uit 4 formules)
  •  
  • 16. Wat is de stabielste opstelling voor 2 identieke dipolen op vast afstand d verbonden met het middelpunt?
  •  
  • A. Beide plat met - polen naar elkaar
  •  
  • B. Beide plat met tegengestelde polen naar elkaar
  •  
  • C. Beide loodrecht op verbindingslijn d met negatieve polen omhoog
  •  
  • D. Beide loodrecht op verbindingslijn d met tegengestelde polen omhoog
  •  
  • 17. Hoe moeten 4 platen geschakeld zijn met een gelijkspanningsbron om een maximale capacitiet te bekomen?
  •  
  • A. 1 en 2 met +pool , 3 en 4 met -pool
  •  
  • B. 1 en 3 met +pool , 2 en 4 met -pool
  •  
  • C. 1 met +pool , 4 met -pool en 2 en 3 niet geschakeld
  •  
  • D. 1 en 4 met +pool , 2 en 3 met -pool
  •  
  • 18. Gegeven; een regelbare condensator met 8 platen (figuur 24.36). Wat is de richting van de kracht op de platen?
  •  
  • A. Wijzerzin voor V<0, anders omgekeerd
  •  
  • B. Wijzerwin voor V>0, anders omgekeerd
  •  
  • C. Wijzerzin
  •  
  • D. tegenwijzerzin
  •  
  •  

Geologie van België

Docent

Stijn Dewaele & Marc De Batist

Dit vak wordt gegeven door Prof. Dewaele en door Prof. De Batist, beide zal je de komende jaren nog vaak terugzien. Prof. Dewaele is een rustige kerel maar legt veel te snel uit en geeft eveneens enorm veel info op korte tijd. Zijn lessen waren nu in zijn eerste jaar vrij saai en monotoon. Op excursie vraag je hem best persoonlijk wat je nog wilt weten of wat niet duidelijk is want voor een groep praat hij iets wat te snel. Prof. De Batist is echt een toffe kerel, zeker om mee om excursie te gaan en gaat opmerkelijk jong gekleed voor een prof. Zijn lessen zijn geregeld niet echt boeiend, maar zijn enthousiaste manier van lesgeven maakt dat weer goed.

Cursus

Alles staat erin, meestal klaar en duidelijk. Het grootste deel bestaat echter uit droge opsommingen van de lithologie of andere kenmerken van een bepaalde formatie of een zeker lid. Weer het principe van een deel tekst en een deel figuren. Je kan dan ook best veel naar de lessen gaan om de figuren te begrijpen (en om het volgende hoofdstuk in ontvangst te nemen bij prof De Batist). In het begin van het semester heb je tevens de mogelijkheid om een geologische kaart van België en het boek “Geologica Belgica” te kopen. Twee aanraders, zowel voor het examen of taken als voor pure interesse.

Excursie

Voor dit vak moet je gewoon ook eens gaan zien hoe dat er nu op het veld uitziet, met de bedoeling om toch een groot deel van ‘onze’ geologie door te hebben achteraf. Er zijn vier excursies gepland: twee keer een maandag én een tweedaagse door het Paleo- en het Mesozoïcum met Verniers en een dag Cenozoïcum (losse sedimenten dus) met De Batist (en assistent Lieven!). De dagen met Verniers zijn meestal lang, met vooral vele uren op de bus. Sommigen zien dit dan ook als het ideale moment om het tekort aan nacht-slaap aan te vullen. Toch zijn de excursies interessant en aangenaam, je mag ook vaak zelf op zoek naar fossielen of mineralen. Verder is er ook nog een dag voorzien om de voorgelegde taak uit te voeren. Deze dag bestaat uit een halve dag naar geologische kaarten kijken op de S8 en een halve dag naar de Belgische Geologische Dienst in Brussel.

Buis-o-meter

Dit is één van de zwaarste blokvakken uit je carrière! En zoals het een blokvak betaamt, kan dit een struikelblok vormen. Als je de meeste formaties echter kent en er iets zinnigs over weet te vertellen, moet je er niet al te veel vrees voor hebben: zoals reeds gezegd, de proffen zijn zeker niet van de slechtste mensen die er rond lopen.

  •  
  • TWIEOOS
  • Vaak gestelde vragen!
  •  
  • Grote vragen
  •  
  • 1. Bepreek de … (Ieper, Zenne…) Groep.
  •  
  • 2. Bespreek de afzettingen van het Tertiair/Paleogeen.
  •  
  • 3. Bespreek het Onder-Carboon/Onder-Devoon.
  •  
  • 4. Vertel schematisch over het Massief van Brabant.
  •  
  • 5. Geef een overzicht van de afzettingen in het Givetiaan en het Frasniaan.
  •  
  • 6. Bespreek het Famenniaan volledig en geef het verband met de Famenne.
  •  
  • Kleine vragen
  •  
  • 1. Geef de geologie (groepen tot leden, kenmerken en diepte) onder de S8, tot de sokkel.
  •  
  • 2. Duid de plaatsen die het meest seismisch gevoelig zijn aan op een kaart + bespreek.
  •  
  • 3. Wanneer vinden we eolische sedimenten in het Cenozoïcum?
  •  
  • 4. Bespreek de Cu- of de grindontginning.
  •  
  • 5. Bespreek de formatie die vanaf het Romeinse Rijk gebruikt werd als bouwsteen.
  •  
  • 6. Bespreek de geologie van de gasopslagplaats rond Loenhout.
  •  
  • Denkvragen
  •  
  • 1. Dateer en bespreek de situatie aan de hand van een blinde kaart van Europa.
  •  
  • 2. Het Cenozoïcum bestaat uit een afwisseling van subsidentie en opheffing. Vind je dit evenwicht ook terug in de stratigrafie en de eenheden?
  •  
  • 3. Bespreek het verschil tussen de Formatie van Diest en de Formatie van Brussel.
  •  
  • 4. Geef de omstandigheden waardoor grote pakketten krijt afgezet werden in het Boven-Krijt, over grote delen van Europa.
  •  
  • 5. België is gekend voor de typische kalkriffen in het frasniaan en het Dinantiaan. Bespreek diens verschillen en gelijkenissen.
  •  
  • 6. Vergelijk het Fammeniaanbekken en het huidige Zuidelijke Noordzeebekken.
  •  
  • Excursievragen
  •  
  • 1. Bespreek de coupe Halle-Mons.
  •  
  • 2. Bespreek het Dinantiaan langs de Maas.
  •  
  • 3. Bespreek de coupe Tielt-Antwerpen
  •  
  • 4. Bespreek de groeve in Egem/Kruibeke.
  •  
  •  
  • Examen 2021-2022
  •  
  • 1) Hoofdvragen (40)
  •  
  • - Bespreek de Rupel Groep
  •  
  • - Een bevriende geoloog van buiten Europa komt op bezoek en wil iets weten over de paleogeografie en geodynamiek die geleid heeft tot de Caledonische gebergtevorming. Bespreek aan de hand hiervan de afzettingen van het massief van Brabant.
  •  
  • 2) Denkvragen (25)
  •  
  • - Geef de ondergrond onder de S8 met formaties, leden, lithologie, ouderdom, dikte...
  •  
  • - Waarom is er geen Onder Devoon te vinden ten noorden van de Condroz?
  •  
  • 3) Excursievragen (25)
  •  
  • - Bespreek het SW-NE transect van Tielt naar Boom. Verklaar de geomorfologie die je tegenkomt
  •  
  • - Teken een schematische doorsnede van Tielt tot Antwerpen. Duid de excursiepunten aan en verklaar de morfologie van het landschap.
  •  
  • - Bespreek het metamorphisme van de Variscishe orogenese a.d.h.v excursie stops (van zuiden Massief van Brabant tot zuiden van het land).
  •  
  • 4) Kleine vragen (10)
  •  
  • - Wat weet je over het conglomeraat van Burnot? Geef de samenstelling en verklaar daarmee de afzettingsomstandigheden.
  •  
  • - Wat kan je afleiden uit de afzetting(en) van het krijt in de hoge venen (welke afzetting + interpretatie)?
  •  
  •  
  • Examen 2019-2020
  •  
  • Hoe was het magmatisme is het paleozoicum (pre-perm) , de types en hoe verklaren ze de geodynamiek
  •  
  • Vertel iets over de conglomeraat van Burnot, ouderdom, lithologie en dag kana je hier uit afleiden.
  •  
  • In de fm van Boom heb je de septaria, wat is het hoe werd het gevormd
  •  
  • De 4 grote afzettingen van het krijt bepalen aan de hand van een afbeelding, en door welke globale en regionale aspecten ervan
  •  
  • Bespreek de rupelgroep en hun afzettingsomstandigheden, laterale facies (40)
  •  
  • Hoe komt het dat er geen onderdevoonafzettingen aanwezig zijn in het noorden van de condroz (25)
  •  
  • Bespreek de afzettingen van het Belgisch Lotharingen en hoe de geologie invloed heeft op de geomorfologie (25)
  •  
  • Geef het ontstaan van het bekken van mons en de waarnemingen die de theorie bevestigen (10)
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018
  •  
  • 1. Vergelijk de Carboon riffen met de Frasniaan riffen.
  •  
  • 2. Bespreek het geomagnetisch en gravimetrisch veld van Belgie. Welke inzichten kregen we met diepe seismiek in het Massief van Brabant
  •  
  • 3. Bespreek Belgies Lotharingen aan de hand van de excursiestop.
  •  
  • 4. Bespreek het Krijt in de Hoge Venen en wat vertellen de afzettingen je over de omstandigheden.
  •  
  •  
  • Examen 2016-2017
  •  
  • Versie 1
  •  
  • 1. Een geoloog van buiten Europa komt op bezoek en wil iets weten over de Caledonische gebergtevorming in België (grote vraag, 40p)
  •  
  • 2. (excursievraag, 25p) maak een schematische doorsnede van Tielt naar Kruibeke. Verklaar de morfologie van het landschap
  •  
  • 3. (denkvraag, 25p) Beschrijf de lithologie onder de s8 tot aan de sokkel (samenstelling, eenheden, dikte, ouderdom,...)
  •  
  • 4. (kleine vraag, 10p) Wat weet je over het conglomeraat van Burnot? Wat is de samenstelling en wat vertelt deze jou als geoloog over de afzettingsomstandigheden?
  •  
  • Versie 2
  •  
  • 1. Bespreek de geomagnetisme geogravematrie in België en wat kunnen we hier uit afleiden, diepe seismiek op MvBrabant (40)
  •  
  • 2. Belgiës Lotharingen leg uit (25)
  •  
  • 3. Verschillen en gelijkenissen tussen de Devoon en Carboon riffen (25)
  •  
  • 4. Hoe is het bekken van Mons ontstaan (10)
  •  
  •  
  • Examen 2015-2016
  •  
  • Versie 1
  •  
  • 1. Grote vraag (40p, Verniers): Bespreek het Midden-Devoon en Frasniaan in België
  •  
  • 2. Kleine vraag (10p, Verniers): Waar komt ons drinkwater vandaan?
  •  
  • 3. Excursievraag (25p, De Batist): Bespreek de groeve in Kruibeke (formatie, leden, ouderdom, lithologie, bandenstructuur verklaren, septaria uitleggen)
  •  
  • 4. Denkvraag (25p, De Batist): Bespreek de geologie onder de S8 vanaf het oppervlak tot op de sokkel (formaties, leden, ouderdom, dikte, samenstelling)
  •  
  • Versie 2
  •  
  • 1. Korte vraag: Bespreek de afzettingsomsomstandigheden,.... van de Iguanodons van Bernissart
  •  
  • 2. Denkvraag: vergelijk de riffen van onder-carboon met frasniaanriffen
  •  
  • 3. Excursievraag: bespreek de excursiepunten in Belgisch Lotharingen
  •  
  • Versie 3
  •  
  • 1. Bespreek Midden-Devoon en Frasniaan volledig (40p)
  •  
  • 2. Van waar komt het drinkwater in Belgie? (10p)
  •  
  • 3. Bespreek de groeve van Kruibeke (die verschillende banden en septaria) (25p)
  •  
  • 4. Wat ligt er onder de S8 (lithologie, ouderdom, dikte...) (25p)
  •  
  •  
  • Examen 2014-2015
  •  
  • Versie 1
  •  
  • 1. Rupelgroep uitleggen (40p)
  •  
  • 2. Ontstaan van bekken van mons (aan wat zien we dit) (10p)
  •  
  • 3. Excursie coupe Halle-Mons (25p)
  •  
  • 4. Vergelijk Famenniaan Zee met huidig Zuidelijk Noordzeebekken (25p)
  •  
  • Versie 2
  •  
  • 1. Leg uit: onder-carboon (40p)
  •  
  • 2. Ontginning van drink- en industriewater (waar, geologie). (10p)
  •  
  • 3. Groeve van Egem uitleggen (excursievraag) (25p)
  •  
  • 4. Leg uit hoe het krijt verspreid is in belgie aan de hand van de 4 grote groepen die er zijn. Wat had daar een invloed op en hoe zie je dit terug in de formaties? (25p)
  •  
  • Versie 3
  •  
  • 1. Excursie Maasvallei (25p)
  •  
  • 2. Door middel van gravimetrie, aeromagnetisme en diep seismische reflectie de opbouw massief van Brabant verklaren (40p)
  •  
  • 3. Verschil Formatie van Brussel en Fm Diest en ontstaan van geulen (25p)
  •  
  • 4. Verschil sedimentatiecyclus massief van brabant, condroz en ardeense massieven (10p)
  •  
  •  
  • Examen 2012-2013
  •  
  • Versie 1
  •  
  • 1. Bespreek het Mioceen (speciale aandacht voor de afzettingsomstandigheden) (40p)
  •  
  • 2. Bespreek de geologie langs de Maas met behulp van de geziene excursiepunten (25p)
  •  
  • 3. Bespreek de gelijkenissen en de verschillen van Caledonische en Variscische orogene (qua tijd, soort vervorming, zones, ...) (25p)
  •  
  • 4. Bespreek de omstandigheden waardoor grote pakketten krijt afgezet werden in het Boven-Krijt, over grote delen van Europa & België (10p)
  •  
  • Versie 2
  •  
  • 1. Bespreek Onder-Devoon, max 4p (40p)
  •  
  • 2. Bespreek de groeve van Kruibeke (excursievraag) (25p)
  •  
  • 3. Bespreek de formaties onder de S8 tot aan de sokkel (25p)
  •  
  • 4. Bespreek de ontginning van drink-en industriewater (10p)
  •  
  •  

Geologische kartering A

Docent

Marc De Batist

Excursie

1 dag naar het Zwin, waar je de sedimentaire processen moet waarnemen en noteren. Na afloop maak je hiervan een faciëskaart. Goed aanduiden waar je wat gezien hebt is de boodschap! De tweede dag is een excursie naar Egemkapel (nabij Tielt), dezelfde als een stoppunt bij excursies van Geologie van België waar je een litholog maakt van de groeve. Hier moet je dus alles goed meten en de verschillende lithologiën herkennen en benoemen. Daarna volgen nog 3 dagen naar de Hoyoux-vallei. De eerste dag daarvan verblijf je in een zandsteengroeve en moet je daar tevens een litholog van produceren. De andere twee dagen moet je echter karteren : langs een oud spoor verschillende lithologiëen onderscheiden om daar later een kaart van te maken. Het eindproduct van die kartering is een composietlog van het transect.

Buis-o-meter

Bijna niemand buist voor dit vak.

  •  
  • TWIEOOS

Inleiding topografie en geografische informatiesystemen

Docent

Alain De Wulf, Haosheng Huang & Nico Van de Weghe

Voor dit vak zijn er maar liefst 3 verschillende proffen : Alain De Wulf (deel Topo), Nico Van de Weghe (deel GIS) en Haosheng Huang (deel cartografie). De Wulf zijn examens niet niet zo zeer moeilijk, de vragen komen uit een lijst die op de website te vinden zijn. De lessen GIS zijn niet zo erg bijster interessant. Het wordt echter wel goed uitgelegd en de dia's zijn een goede leidraad voor wat gekend moet worden.

Cursus

Practica

Zowel voor Topo als voor GIS zijn er practica. De practica topografie zijn landmeten, waar je na elk practicum een verslag moet indienen. Dit wordt ook gequoteerd en tellen mee voor een aantal punten (wordt terloops in de les eens gezegd). De practica GIS zijn niet verplicht en daar heb je enkel een computer voor nodig (dit kan m.a.w thuis gebeuren). Hier los je enkele oefeningen op die a.d.h. van weblectures worden uitgelegd. Op het einde van het semester is er dan een praktisch examen met soortgelijke oefeningen. Bereid je maar voor op de tofste practica van je loopbaan...

Buis-o-meter

Het examen Topo en GIS bestaat uit enkele vragen van elke prof. Topografie zijn ongeveer 2 à 3 vragen en zijn standaardvragen (zoals hieronder weergegeven, let wel de lijst van vragen is in de loop der jaren geslonken en niet alle vragen zouden gesteld kunnen worden), doch is het best je antwoorden te formuleren met details (zoals de nauwkeurigheden van de meettoestellen). De GIS-vragen zijn een beetje denkvragen waar je de cursus moet kunnen toepassen (bv figuren uitleggen). Geodesie en Cartografie zijn eerder reproduceer vragen.

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2021-2022
  •  
  • Deel Cartografie
  •  
  • 1) Definieer geoïde en ellipsoïde, waarom is dat belangrijk binnen de geodesie?
  •  
  • 2) Coördinaten in graden gegeven, is dit coördinatenpaar eenduidig? Motiveer je antwoord.
  •  
  • Deel GIS
  •  
  • 1) Verschil tussen 2,5D en 3D
  •  
  • 2) Leg uit: rubber sheet geometrie
  •  
  • 3) Waarom wordt een digitaliseringstablet nog zelden gebruikt?
  •  
  • 4) Wat is een low pass filter?
  •  
  • 5) Wat is een dubbelvlakke helling?
  •  
  • 6) Verschil tussen lossless en lossy compressie?
  •  
  • 7) Wat is ruimtelijke convolutie?
  •  
  • 8) Wat is de output bij een zichtbaarheidsanalyse?
  •  
  • Deel Topografie
  •  
  • 1) Hoek van 5 mil omzetten naar (a) minuten (360-delig stelsel) (b) gon (c) radialen (d) seconden (360-delig stelsel)
  •  
  • 2) Afstand van 50m opmeten met een nauwkeurigheid van ongeveer 2mm. Bespreek de methoden van afstandsmeting en welke zijn geschikt in deze situatie
  •  
  • 3) Hoogtemeting: stel de formule op voor hoogtemeting met de correctie voor de aardkromming en refractie.
  •  
  •  
  • Examen
  •  
  • Deel topografie
  •  
  • 1. Hoeveel is een hoek van 0,5 dmgon in (a) gon (b) in mil (c) in zestigdelige graden (d) in radialen ? (4 pt.)
  •  
  • 2. Welk zijn de fouten die bij rechtstreekse afstandsmeting kunnen optreden ? (8 pt.)
  •  
  • 3. Een hoogteverschil van ca. 5 m over een horizontale afstand van ca. 10 m dient gemeten met een nauwkeurigheid van 2 mm. Welke methoden geven welke nauwkeurigheid en welke zou u uiteindelijk aanraden ? (8 pt.)
  •  
  • Deel GIS
  •  
  • Vraag 1: In een GIS wordt zowel gebruik gemaakt rastergeometrie als van vectorgeometrie. Bespreek uitgebreid het verschil tussen beide. Maak in je antwoord ook zeker gebruik van figuren.
  •  
  • Vraag 2: Leg kort uit (maximum 5 lijnen en 1 figuur per begrip)
     - bodembedekking
     - digitaliseerfout
     - filter
     - frechet afstand
     - kwadrantenboom
  •  
  • Deel cartografie
  •  
  • 1. EN: What are the types of map projections if classified according to map distortion? Please mention their names and briefly mention their characteristics. (10 points)
    NL: Wat zijn de soorten kaartprojecties, ingedeeld volgens de kaartvervorming? Noem hun namen en vermeld kort hun kenmerken.
  •  
  • 2. EN: Someone gives you a latitude/longitude coordinate of (50°23'50"N, 02°45'50"E). Is the coordinate unambiguous to identify a location? Please briefly describe your arguments. (10 points)
    NL: Een positie gegeven met coördinaten 50°23'50" N en 02°45'50" E is dit éénduidig? Verklaar je stelling.
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018
  •  
  • Deel De Wulf
  •  
  • 1. Omrekeningsvraag: Wat is hoek van 5 minuten in dmgon en mil
  •  
  • 2. Een afstand van 20m dient gemeten te worden met een nauwkeurigheid van 2mm. Welke methoden van afstandsmetingen zijn er? En welke komen in aanmerking voor deze meting uit te voeren [nauwkeurigheden en afstanden erbij zetten]?
  •  
  • 3. Wat zijn de fouten bij waterpassing? Vertrek eerst vanuit de basisformule voor hoogteverschilmetingen van waterpassing [met figuur].
  •  
  • Deel Van de Weghe
  •  
  • 1. Wat zijn de verschillen tussen vector en raster GIS?
  •  
  • 2. Wat is topologie en waarom is het belangrijk voor een GIS?
  •  
  • 3. Leg uit: filters. Wat is het verschil tussen Low pass filter en High pass filter?
  •  
  • Deel De Maeyer
  •  
  • 1. Bespreek wat een cartografisch syteem is.
  •  
  • 2. Verduidelijk de grafische 6 + 1 + 1 variabelen. Pas toe op de chrono-stratigrafische eenheden van een geologische kaart.
  •  
  • 3. Is deze stelling waar of vals en verklaar: de hoogte met GPS gemeten stemt noodzakelijkerwijze overeen met de ware hoogte.
  •  
  •  
  • Examen 2016-2017
  •  
  • 1. Wat is topologie en waarvoor is het belangrijk voor een gis?
  •  
  • 2. Leg modifiable areal unit problem uit
  •  
  • 3. Wat is een high-pass filter?
  •  
  • 4. Leg uit hoe men van de werkelijkheid tot een fysisch gegevensmodel geraakt
  •  
  • 5. Wat is de mercatorprojectie en wat zijn zijn eigenschappen?
  •  
  • 6. Wat is een loxodrome en orthodrome en hoe zien deze eruit op een mercatorprojectie?
  •  
  • 7. Een geoloog in verre kontrijen komt wel eens een andere mercatorprojectie tegen. Welke en wat is de oorsprong en de eigenschappen?
  •  
  • 8. Areaalkaart van ertsen. Welke grafische variabelen kan men gebruiken om de verspreiding van de ertsen aan te duiden?
  •  
  • 9. Geef de basisformule voor het hoogteverschil bij waterpassing (+tekening en aardkrommingscorrectie)
  •  
  • 10. Voor wat zou je gnss gebruiken boven een totaalstation en omgekeerd?
  •  
  • 11. Wat kan je gebruiken om een afstand van 200m te meten met een precisie van 2mm, ga na voor elke methode.
  •  
  •  
  • Examen 2014-2015
  •  
  • 1. Bespreek het verschil tussen VectorGIS en RasterGIS (max. 2 pagina’s)
  •  
  • 2. Wat is kaartalgebra? (max. 2 pagina’s)
  •  
  • 3. Zijn de fouten bij EDM (elektromagnetische afstandsmeting) constant, nemen ze lineair of kwadratisch toe bij een toenemende afstand? Verklaar.
  •  
  • 4. 4 woordjes GIS uitleggen: lossy compression, NGI, sliver, voxel
  •  
  • 5. Zet 6 dmgon om in a) mil en b) minuten. Als de standaardafwijking van een totaalstation 5” is, wat is dan de laterale afstandsfout over een viseerafstand over 100m?
  •  
  • 6. Een afstandsmeting over 200m meten met 3mm nauwkeurigheid, welke methoden ken je en welke komen hier in aanmerking? Verklaar.
  •  
  • 7. Bespreek de geologische kaarten van België (Wallonië en Vlaanderen) met semiologie.
  •  
  • 8. Leg het begrip cartografisch systeem uit aan de hand van Lambert72 en Lambert 2008.
  •  
  •  
  • Examen 2012-2013
  •  
  • 1. Bespreek 2 methodes van hoe de verspreiding van sinkholes voorkomt rond het centrum van Hillsburough
  •  
  • 2. 2 foto’s. Welke techniek wordt gebruikt? (filter)
  •  
  • 3. Bespreek 2 methoden van datacompressie (en toon aan bij welke de techniek het makkelijkst toegepast kan worden (2 foto’s worden gegeven))
  •  
  • 4. 2 projecties weergeven: a) Bespreek zo ver mogelijk / b) Leid de formule af / c) Teken hoe deze tot stand komt/ d) vervormingseigenschappen / e) indicatrix van Tissot (tekenen op projectie & vorming) / f) ? /g) Wat is het verband tussen beide projecties?
  •  
  • 5. Bespreek het kleurengebruik van de geologische kaarten (Vlaanderen en Wallonië) in functie van de semiologische betekenis.
  •  
  • 6. Bespreek de fouten op elektro-magnetische afstandsmeting.
  •  
  • 7. Een hoogtemeting op 500 meter afstand, met een hoogteverschil van 50 meter. Welke soort methode(n) raad je aan?
  •  
  •  
  • Examen 2010-2011
  •  
  • 1. Welke fouten hebben betrekking tot het materiaal van de meetband
  •  
  • 2. Is hydrostatische of trigonometrische hoogtemeting het nauwkeurigst? Leg uit+ motiveer
  •  
  • 3. Hoe werkt elektro optische ... met een totaalstation
  •  
  • 4. Bespreek geocodering versus georefereren
  •  
  • 5. Coordinaten: Bespreek UTM. Bespreek Lambert 72 en 08. Leg uit waarom men deze overgang (72 naar 08) heeft doorgevoerd
  •  
  • 6. Wat is een filter in GIS: Bespreek een filter zijn werkingsmechanisme (juist terminologie gebruiken). Werk een concreet vb uit met toepassing op een high pass filter (een vraag over filters en Lambert zijn al 3 jaar na elkaar voorgekomen)
  •  
  •  
  • Algemene vragen
  •  
  • topografie
  •  
  • 1. Bespreek de fouten bij waterpassing
  •  
  • 2. Bespreek de fouten bij trigonometrische hoogtemeting
  •  
  • 3. Bespreek de richtnauwkeurigheid van een kijker
  •  
  • 4. Reken om tussen hoekeenheden (bvb.: hoeveel seconden is een hoek van 1 mil?)
  •  
  • 5. Bespreek de fouten bij rechtstreekse afstandsmeting
  •  
  • 6. Bespreek het principe van satellietplaatsbepaling
  •  
  • 7. Bespreek de collimatorkijker
  •  
  • 8. Bespreek het omkeerprisma van Wild
  •  
  • 9. Bespreek de stadimetrische afstandsmeting volledig
  •  
  • 10. Geef de basisformule voor hoogteverschilberekening door waterpassing (+fig)
  •  
  • 11. Geef deze voor hoogteverschilberekening door trigonometrische hoogtemeting (+fig.)
  •  
  • 12. Pas de basisformule voor waterpassing aan voor controle van vlakheid van plafonds
  •  
  • 13. Geef de principes van electro-magnetische afstandsmeting (EDM)
  •  
  • 14. Bespreek de fouten bij EDM
  •  
  • 15. Geef en bespreek de soorten rechtstreekse afstandsmeting
  •  
  • 16. Hoe kan het “benaderend” richten worden uitgevoerd
  •  
  • 17. Wat zijn de gebruikte hoekeenheden in de topografie
  •  
  • 18. Hoe werkt autofocus bij topografische instrumenten?
  •  
  • 19. Welke methoden van absolute hoogtebepaling bestaan er?
  •  
  • 20. Welke methoden van relatieve (=differentiële) hoogtebepaling bestaan er?
  •  
  • 21. Wat is een alignementsfout bij EDM?
  •  
  • 22. Wat is een alignementsfout bij rechtstreekse afstandsmeting?
  •  
  • 23. Hoe werkt reflectorloze EDM?
  •  
  • 24. Wat is het verschil tussen nauwkeurigheid en precisie?
  •  
  • 25. Afstand “x”m moet gemeten met nauwkeurigheid “y”cm.Welke methoden gebruik je?
  •  
  • 26. Wat is het verschil tussen geodesie en topografie?
  •  
  • 27. Is iets van “x” m diameter op afstand “y” m zichtbaar met het oog of een kijker?
  •  
  • 28. Wat is het minimum aantal satellieten nodig voor GPS en waarom?
  •  
  • 29. Hoe controleer je een buisniveau? Hoe meet je de helling van een quasi-horizontaal vlak?
  •  
  • 30. Wat zijn de opstellingseisen voor een theodoliet?
  •  
  • GIS
  •  
  • 1. Bespreek Slivers – AGIV – NAA – Zonering/Segmentatie – Metadata - Tiling
  •  
  • 2. Bespreek de diverse schalen in een GIS
  •  
  • 3. Bespreek het verschil en de gelijkenissen tussen geocoding en georeferentie
  •  
  • 4. Hoe worden geografische oppervlakken opgeslaan?
  •  
  • 5. Wat bereik je met een low-passfilter?
  •  
  • 6. Bespreek de verschillen tussen vector- en rastergis
  •  
  •  

Structurele geologie met geologische kaartoefeningen

Docent

Marc De Batist

Cursus

De cursus bestaat uit slides waar alles wel goed uit af te leiden is. In de les zitten om te weten waar de nadruk wordt opgelegd is aan te raden. Prof. De Batist zegt af en toe wel eens dat dit voor hem heel belangrijk is of dat een goed geoloog dit moet kunnen... Voor kaartoefeningen is er geen cursus, daarbij is het dus nodig om het meeste op te schrijven (hoe je berekeningen doet etc..) zodat je nog weet tegen het examen. Op de slides die op minerva komen, staat er helaas ook niet erg veel theorie.

Practica

Voor beide delen zijn er aardig wat practica voorzien en zeker voor ‘Kaartoefeningen’ is dit geen overbodige luxe. Dit vraagt echt véél oefening, probeer het dan ook goed bij te houden en de taken zo correct mogelijk op te lossen en in te geven. Ook hier is het toch spijtig dat deze middagen al vroeg in het semester stoppen en dat je het meestal al verleerd bent tegen het examen zelf. Na elke les van ‘Structurele Geologie’ volgt ook een practicum, waarin praktische toepassingen, die nauw aansluiten op de les die je net gekregen hebt, opgelost moeten worden. Je zal al snel een groot verschil ervaren tussen de assistenten van de beide onderdelen van deze cursus: een soms wat onbeholpen uitleg tegenover echt vakkennis.

Buis-o-meter

Enkele dagen blokken en dan zal je geen problemen ondervinden met Structurele Geologie. Meestal zijn de vragen gewoon dezelfde als alle vorige jaren. Wat altijd terugkomt is de vraag "Bespreek de structurele geologie van België", waar het nodig is om uit te wijden over geziene plaatsen bij excursies Geologie van België. Ook wordt er sowieso een stereoplot gevraagd! Voor de kaartoefeningen is goed om de kaarten eens te hermaken. Het examen is net dat tikkeltje moeilijker, maar aan het einde van de practicareeks krijg je een oude examenvraag, probeer deze dan ook te maken (je kan ook uitleg vragen).

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2021-2022
  •  
  • 1) Tekening met gelaagdheid en assenvlaksplijting: maak de plooistructuur af
  •  
  • 2) Stereoprojectie met daarop plooiprofiel, assenvlak, vlakkenpolen en plooias. Leid hieruit het soort plooi uit af (hoekige/afgeronde, symmetrisch/asymmetrisch, steilheid van de plooi, duikende plooias, overhellende/liggende/normale plooi) en leg uit
  •  
  • 3) Bespreek foto van porfiroklast in shear-zone: leg bewegingsrichting, type vervormingsvleugels en waaruit de vervormingsvleugels bestaan uit
  •  
  • 4) Begrippen
     - M en QF domeinen
     - zacht gelinkte breuk
     - mullions
     - plooiprofiel
     - schijnbare hellingshoek
  •  
  • 5) Typische vraag over soorten fracturen die gevormd worden bij welke soort spanning: kubus is gegeven en daarop de spanning aanduiden en uitleggen
  •  
  •  
  • Examen
  •  
  • 1) Gegeven een figuur met een hellende laag met omgekeerde polariteit en een splijting met een andere helling. Bepaal op basis van deze figuur de ruimere context. (Waar ligt de plooi...) (25/100)
  •  
  • 2) Stereoplot oefening: gegeven een stereoplot met:
     - plooi-as
     - assenvlak
     - plooiprofiel
     - vlakkenpolen van de lagen.
  •  
  • => Multiple choice vragen: is dit een rechte plooi? is de plooi-as duikend? is het een symmetrische plooi? is de plooi afgerond? is het een steile plooi? (25/100)
  •  
  • 3) Bespreek de evolutie van splijting, beginnend bij simpele laagvlaksplijting tot schistositeit. Geef een schatting van de diepte en de temperatuur. Leg uit wat er op microscopisch niveau gebeurt. (25/100)
  •  
  • 4) leg volgende 5 begrippen uit (25/100)
     - plooiprofiel
     - M- en QF-domeinen
     - schijnbare helling
     - breukpoeder
     - antithetische breuk
  •  
  •  
  • Examen 2019-2020
  •  
  • 1. aanvullen van figuur over assenvlaksplijting waarbij splijting en gelaagdheid gegeven zijn (H8)
  •  
  • 2. stereoplot: meerkeuzevraag: juiste antwoord aanduiden en kort uitleg bij geven
  •  
  • 3. verschillen en overeenkomsten geven van fracturen en vervormingsbanden en uitleg geven over hoe ze fluid flow beïnvloeden
  •  
  • 4. woordjes: pitch, laagvlakstructuren, breukpoeder, plooi-attitude en styloliet
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018
  •  
  • Versie 1
  •  
  • 1. (verise 1) Je krijgt de 3 grafieken van elasticiteit; en beschrijf de reologie die hierbij hoort (zie hoofdstuk 2).
  •  
  • 1. (versie 2) Je krijgt de figuur van ‘fracturen: samenvatting’ (zie hoofdstuk 5). Schrijf bij de (rode) pijlen welke sigma het is (1/2/3) en zeg waarom en hoe de bijstaande structuren hiermee te verklaren zijn.
  •  
  • 2. Woordjes: Laagvlakstructuren, Pitch, Breukpoeder, Plooiprofiel, Flinn-diagram, Kwart-structuren, Schmidt net, S/C-structuren, Schijnbare laagscheiding
  •  
  • 3. Stereoplot: Grote cirkel op stereoplot gegeven en via meerkeuze juiste antwoord aanduiden.
  •  
  •  
  • Examen 2016-2017
  •  
  • 1. Bespreek secundaire folliatie: types/ vormingsomstandigheden. (30p)
  •  
  • 2. Welk vlak is weergegeven op het stereoplot, meerkeuze uit 4 notaties. Eventueel argumenteren. (30p)
  •  
  • 3. Woordjes (40p): Bèta-diagram, breukpoeder, slickenlines, plooiattitude, mullions, buckling, S-C-structuren, crenulatiesplijting, diaklaas
  •  
  •  
  • Examen 2014-2015
  •  
  • 1. Definities : Kataklasiet, Buckling, Spanning, Overschuiving, Splijtingsrefractie, gesteenmaaksel, flinn diagram, bisk constructie
  •  
  • 2. Vervolledigen van een coupe waarvan soms splijting en gelaagdheid gegeven waren in sommige punten
  •  
  • 3. Relatieve chronologie van afzetting bepalen
  •  
  • 4. Bespreek diaklazen
  •  
  • 5. Geef de kwantitatieve vervorming (+ 3 voorbeelden)
  •  
  • 6. Stereoplot
  •  
  •  
  • Examen 2012-2013 (Prof. Verniers)
  •  
  • 1. Bespreek structurele geologie van België (40p)
  •  
  • 2. Hoe bereken je de décollement bij plat en vlak breuk? (10p)
  •  
  • 3. Bespreek shear bij brittle en ductile gesteenten (bij kneedbaar-breekbaar gedrag) (15p)
  •  
  • 4. Bespreek de rheologie in functie van vervormingssnelheid, temperatuur en compressie /extensie. (15p)
  •  
  • 5. Stereoplot (20p)
  •  
  •  
  • Examen 2010-2011 (Prof. Verniers)
  •  
  • 1. Bespreek schematisch de structurele geologie van België (2 à 3 paginas) aan de hand van observaties, geziene structuren op excursies, vb uit de cursus en geef bewijzen! Geen afzettingsgeschiedenis geven van België. Informatie uit verschillende vakken halen ( dus hij bedoelt geologie van belgie (40p) komt elk jaar terug
  •  
  • 2. Geef 3 vb van hoe je plastische gesteente kunt kwantificeren (oriëntatie en grootte) (10p)
  •  
  • 3. Bespreek de diaklazen (20p)
  •  
  • 4. Bespreek de rheologie in functie van .... (10p)
  •  
  • 5. Stereoplot (plotten, plooias, soort plooi, relatie s0/s1, antiform of synform en waarom) (20%)
  •  
  •  

Bachelor - Jaar 3

Dierenpaleontologie

Docent

Thijs Vandenbroucke

Buis-o-meter

  •  
  • TWIEOOS
  • Herexamen 2021-2022
  •  
  • 1) Welke drie Cnidaria ordes komen meest voor in de fossiele inventaris, vergelijk adhv tabel.
  •  
  • 2) LIP's leiden niet altijd tot extincties wat zijn de hypotheses die deze verschillen verklaren
  •  
  • 3) Wat zijn de grote vernieuwing die opkwamen tijdens het Ediacara, geef schematisch weer
  •  
  • kleine vragen:
      a) Aegirocassis benmoulae, waarom is dit fossiel paleologisch belangrijk.
      b) Rangschik volgens ouderdom: Rudist, uitsterven Conodonten, radiatie Chondreichtyes, radiatie
      planktonische Graptolieten, Archaeocyath riffen.
      c) Geef het schema dat de grote groepen Diapsida weergeeft, geen uitleg nodig.
  •  
  • Mondeling: Ammoniet, Trilobiet, Stromatopoor
  •  
  •  
  • Examen 2020-2021
  •  
  • 1) bespreek de arthropoda (morfologie, voorkomen, stratigrafie, ...) (20p)
  •  
  • 2) LIPs zijn dodelijk, maar soms ook niet, hoe komt dit? geef een voorbeeld (10p)
  •  
  • 3) pas het jester court model toe op de GOBE (15p)
  •  
  • 4) waarom is het Precambrium ondervertegenwoordigd aan fossielen? (4p)
  •  
  • 5) Wat is de invloed van .... (vage latijnse naam) op de paleonologische kennis van de biostratigrafie (4p)
  •  
  • 6) geef het diapsiden diagram (3p)
  •  
  •  
  • Examen 2019-2020
  •  
  • 1. Bespreek de Cephalopoda (+ situeren in tijd) (op 15 ptn)
  •  
  • 2. Bespreek de evolutionaire ontwikkelingen in het ediacaraan (met voorbeelden van fossielen) (op 10 ptn)
  •  
  • 3. Enkele kleinere vraagjes (allemaal tezamen op 20 ptn):
  •  
  • 3a. Pas het court jester model toe op de GOBE
  •  
  • 3b. Wat is het Signor lipps effect en situeer
  •  
  • 3c. Wat zijn apomorfe kenmerken en situeer
  •  
  • 3d. Bespreek de Agnatha (en situeer in tijd)
  •  
  • 3e. Geef de fylogenetische boom van de diapsida zonder uitleg
  •  
  • 4. Mondeling op 50 ptn (een tabulaat koraal rn een irregulaire echinoidea bespreken en dan een rynchonellide brachiopode en dan nog enkele fossielen in stratigrafische volgorde leggen (een hexacoralia, een nummuliet, een behalve, graptolieten, de trilobiet paradoxides, en een steen met trilobieten, brachiopode en zeelelies in)
  •  
  • 5. Permanente evaluatie (presentaties) op 5 ptn
  •  
  •  
  • Examen 2018-2019
  •  
  • Schriftelijk examen
  •  
  • 1. 2 macro-evolutionaire systemen uitleggen en toepassen op het Cambrium (10p).
  •  
  • 2. Geef de fylogenetische boom van de diapsiden. zonder extra uitleg (8p).
  •  
  • 3. (gegeven grafiek Lip's tov uitgestorven families doorheen tijd) Bespreek de ultimate killers adhv deze grafiek. dus Lip's, pangea, meteorieten,.. Niet 1 per 1 bespreken maar door elkaar (12).
  •  
  • 4. Geef de 3 soorten ammonieten, schets hun sutuurlijn en geef de periode waarin ze voorkwamen (6p).
  •  
  • 5. Verschillende woorden zijn gegeven zet ze in de (gegeven) stratigrafische tabel (14) (alle rifbouwers uit het fylum Porifera en Mollusca en benoem ze, radiatie van teleost, bloeiperiode placodermi, Acanthostega, voorkomen zoogdier achtige reptielen zoals cynodonten en pelycosaurus, eerste voorkomen Chondrichtheiyes, dickinsonia, planktonische foraminifera, die zeeschorpioen, ...)
  •  
  • Mondeling examen
  •  
  • Brachiopode, Rugosa (2 verschillende doorsnedes), onderkaak rund en kanonbeenderen ervan. Alles bespreken wat er over in de cursus staat (45p)!!
  •  
  •  
  • Oudere vragen
  •  
  • Kijk zeker ook eens op deze en deze pagina voor oudere vragen van toen de vakindeling nog anders was.
  •  
  •  

Geofysica

Docent

Marc De Batist & David Van Rooij

Er zijn twee proffen voor dit vak, die je allebei al kent van de vorige jaren : Prof. Van Rooij en prof. De Batist. De Batist is een rustiger type. Het is wel een fijne kerel en de lessen zijn zeer ontspannen.

Buis-o-meter

Als je de cursus hebt geblokt mag het examen geen probleem zijn. Bovendien geven beide proffen redelijk veel punten.

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2020-2021
  •  
  • Deel van prof De Batist:
  •  
  • 1) Verschil geven tussen precessie van de rotatie-as van de Aarde en de precessie van de nachteveningen en het verschil in hun effecten
  •  
  • 2) Wat is de oorzaak van de variaties in het magneetveld van de Aarde/Wat is het verschil met het zwaarteveld van de Aarde?
  •  
  • Deel van prof Van Rooj
  •  
  • 3) Woordjes:Akoestische impedantie, , mb, resistiviteitssonderingen, tektonothermale ouderdom
  •  
  • 4) Hoe moet je een ééndimensionale golfvergelijking opstellen, tot en met de voortplantingssnelheid van de golf?
  •  
  •  
  • Examen 2019-2020
  •  
  • Deel van prof De Batist:
  •  
  • 1) Verschil geven tussen precessie van de rotatie-as van de Aarde en de precessie van de nachteveningen en het verschil in hun effecten
  •  
  • 2) Een kaart gegeven met breuken op aangeduid met strandbaldiagrammen en dat wat uitleggen
  •  
  • Deel van prof Van Rooj
  •  
  • 3) Woordjes: Wet van Hooke, impedantie, kubische dilatatie, interferogram
  •  
  • 4) Isostasieprincipe uitleggen en de verschillende modellen geven en isostatische anomalieën uitleggen
  •  
  • 5) Tijdsafhankelijke ééndimensionale warmtestroom afleiden en toepassen op het koelingsprofiel van een oceanische lithosfeerplaat
  •  
  •  
  • Examen 2018-2019
  •  
  • Deel De Batist
  •  
  • 1. Bespreek het verschil tussen precessie van de rotatieas van de Aarde en precessie van de nachteveningen en het verschil in hun effecten. (5p)
  •  
  • 2. Haardmechanismen: Hoe bepaalt men de locatie van de aardbevingshaard, en het haardmechanisme? Hoe gebeurt de constructie van een strandbaldiagram? Schets dit voor een normale (dip-slip) breuk met strekking N45°E en helling 80°E. (5p)
  •  
  • Deel Van Rooij
  •  
  • 1. Woordjes: Sferische divergentie, impedantie, Mw en geassocieerde veeltermen van Legendre. (4p)
  •  
  • 2. Geef de soorten correcties die moeten worden toegepast na een gravimetrische meting en leg uit hoe ze berekend worden. (3p)
  •  
  • 3. Bereken de eendimensionale tijdsafhankelijke warmtestroom. Hoe wordt dit toegepast in het koelingsprofiel van een oceanische lithosfeerplaat? (3p)
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018
  •  
  • Deel De Batist
  •  
  • 1. Bespreek precessie van de rotatieas van de aarde en precessie van de baan van de aarde om de zon. Geef de verschillen van hun oorzaak en hun effect. (5p)
  •  
  • 2. Gegeven een diagram van spreidingsrug (net zoals cursus). Geef de correcte strandbaldiagrammen en bespreek kort. (5p)
  •  
  • Deel Van Rooij
  •  
  • 1. Woordjes: M0, karakteristieke diffusiviteitsafstand, impedantie, tesserale harmonieken. (4p)
  •  
  • 2. Wat veroorzaakt een afname van amplitude en energie in een golf en leg uit. (3p)
  •  
  • 3. Wat is isostatie, geef de modellen (+bespreek) en wat zijn isostatische anomalien. (3p)
  •  
  •  
  • Examen 2016-2017 2de zit
  •  
  • Deel De Batist
  •  
  • 1. Bespreek de 4 mogelijke oorzaken voor de seculiere afname van de aardrotatiesnelheid. Welke zijn op termijn de effecten hiervan?
  •  
  • 2. Paleomagnetisme : Geef de definities van thermoremanente magnetisatie, PTRM, relaxatietijd en bespreek welke stappen je uitvoert om de primaire remanentie magnetisatie van een basalt te bepalen
  •  
  • Deel Van Rooij
  •  
  • 1. Woordjes :Wet van Fourier, MSK schaal, diffusie afstand, tektonothermale ouderdom
  •  
  • 2. Geef de soorten correcties die moeten worden toegepast na een gravimetrische meting en leg uit hoe ze bepaald worden.
  •  
  • 3. Waarvoor ontstaan amplitude - en energieverlies bij een elastische golf?
  •  
  •  
  • Examen 2016-2017
  •  
  • 1. Variaties in aardmagnetisch veld, verschil met zwaartekrachtveld + hoe rekening houden bij prospectie
  •  
  • 2. Kaartje met breuken en strandbaldiagrammen: bespreken, hoe orientatie en verschuivingsrichting bepalen
  •  
  • 3. Geoide theoretisch bepalen adhv gravitatieversnelling en gravitatiepotentiaal
  •  
  • 4. Woordjes: methode van hammer, curve van Parson, amplitude en fazenspectra, kwaliteitsfactor Q
  •  
  • 5. De verschillende schalen voor sterkte van aardbevingen, op wat zijn ze gebaseerd en hoe kan je ze meten?
  •  
  •  
  • Examen 2015-2016
  •  
  • Deel De Batist
  •  
  • 1. Bespreek de 4 mogelijke oorzaken voor de seculiere afname van de aardrotatiesnelheid. Welke zijn op termijn de effecten hiervan? (5p)
  •  
  • 2. Haardmechanismen (5p): Hoe bepaalt men de locatie van de aardbevingshaard, en het haardmechanisme? Hoe gebeurt de constructie van een strandbaldiagram? Schets dit voor een normale (dip-slip) breuk met strekking N45°E en helling 80°E.
  •  
  • Deel Van Rooij
  •  
  • 1. Woordjes: Schaal van Mercalli, Bandbreedte versus signaallengte, geassocieerde veeltermen van Legendre, sferische divergentie. (4p)
  •  
  • 2. Bespreek isostasie. Welke modellen zijn er, wat zijn de gevolgen? Welke zijn de gravimetrische toepassingen? (3p)
  •  
  • 3. Bereken de eendimensionale tijdsafhankelijke warmtestroom. Hoe wordt dit toegepast in het koelingsprofiel van een oceanische lithosfeerplaat? (3p)
  •  
  •  
  • Examen 2013-2014
  •  
  • 1. Bespreek de Chandler Wobble beweging of vrije nutatie. Oorzaken?
  •  
  • 2. Strandbaldiagrammen bespreken op een geologisch kaartje (roermond), welke richting?
  •  
  • 3. 4 woordjes : - geassocieerde veeltermen van Legendre, astatsische gravimeter, akoestische impedantie, sferische divergentie
  •  
  • 4. Bespreek isostasie, welke gevolgen? En hoe bespreek je dit in een gravimetrische context?
  •  
  • 5. Bereken de afgeleiding voor warmtegelieding in ééndimensionale, tijdsafhankelijke stroom + Hoe toepassen op koelingsprofiel van lithosferische oceaanplaat?
  •  
  •  
  • Examen 2012-2013
  •  
  • Deel De Batist
  •  
  • 1. Geef de variaties van het aardmagnetisch veld in de tijd. Wat is het verschil met deze van het gravitatieveld en hoe moet men daarmee rekening houden bij prospectie?
  •  
  • 2. Figuur waar de strandbaldiagrammen moeten getekend worden (5x) en uitleg erbij.
  •  
  • Deel Van Rooij
  •  
  • 1. Woordjes: MSK-schaal, isostatisch overcompensatie, fouriertransformatie, elasticiteitsmoduli
  •  
  • 2. Eendimensionale tijdsafhankelijke stroming voor warmtegeleiding en wat is het geodynamisch nut ervan
  •  
  • 3. Afleiden van de eendimensionale golfvergelijking en hoe komt men daarna aan het begrip seismische snelheid?
  •  
  •  
  • Oudere Vragen
  •  
  • Bespreek “elastic rebound”
  •  
  • Bespreek geoïdeanomalieën
  •  
  • Bespreek stick-slip
  •  
  • Bespreek de aardse bewegingen voor een waarnemer buiten de aarde
  •  
  • Bespreek het Vening-Meinesz-model
  •  
  • Woordjes : lithosfeer, Bouguer-correctie, Hobble-constante, diamagnetisme, excentriciteit, Chandler Wobble, vrije-luchtanomalie, Jeffrey’s-Bullen, Milankovich, ...
  •  
  • De stappen in de afleiding van de vergelijking van Parson & Sclater kort beschrijven (engelse tekst gegeven)
  •  
  • Geef de variasties van het aardmagnetisch veld in de tijd. Wat is het verschil met deze van het gravitatieveld en hoe moet men daarmee rekening houden bij prospectie?
  •  
  • Geef en bespreek alle stappen van het opstellen van een voetbaldiagram
  •  
  • Hoe werkt een seismometer? Wat is een bouger anomalie en hoe komt men daartoe, vanaf de veldmetingen? Wat voor een bougueranomalie krijg je onder de Alpen en onder Scandinavie, en waarom?
  •  
  • Hoe verloopt de thermische flux in de oceaanbodem? Wat heeft men opgemerkt ivm de thermische flux aan spreidingsassen? Hoe bepaal je daar de thermische flux?
  •  
  • Afleiden van de eendimensionale golfvergelijking en hoe komt men daarna aan het begrip seismische snelheid?
  •  
  •  

Hydrogeologie

Docent

Thomas Hermans

Buis-o-meter

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2020-2021 Versie 1
  •  
  • Part 1: woordjes
  •  
  • storage coefficient, difference (un)confined aquifer, principle of diffusion, specific yield en specific retention, principle of cation exchange processes, nog drie woorden waar ik niet meer opkom
  •  
  • Part 2: vraag of stable isotopes of oxygen en hoe origin van groundwater daardoor bepalen
  •  
  • Part 3: oefening met de een aquifer en draining river:
  •  
  • a) wat is Keq en wat is de echte water tafel
  •  
  • b) what time it took for spill to get in river, with and with fault zone
  •  
  • Part whatever:
  •  
  • zo die enen oefening van het voorbeeldexamen met die hot vs cold slug teste en het wat is het verschil daartussen en pumping tests.
  •  
  • Part 4:
  •  
  • oefening over aquifer, uit omschrijving kunnen bepalen of het confined/unconfined is en daardoor de juiste formules gebruiken. Gevraagd: K, T, s en R aka Thiem-dupuits toepassen
  •  
  •  
  • Examen 2020-2021 Versie 2
  •  
  • Theorie
  •  
  • 1. Words/Explain (10 in total): Aquitard, Artesian Well, Difference AEVT & PEVT, Conal Depression, Draw isopiezometric lines of a draining river, How does Redox-potential change with depth, Difference hydraulic conductivity and intrinsic permeability, The effect from mobile/immobile water on solute, Tracing test, and one more word.
  •  
  • 2. Give Terzaghi's principle. Explain sigma - sigma' for an unconfined aquifer with water level drop. Make a sketch. Which hydraulic factor belongs to this principle Explain.
  •  
  • Denkvragen
  •  
  • 1. Zie vraag 2 denkvragen 2017-2018
  •  
  • Oefeningen
  •  
  • 1. Darcy's law (vergelijkbaar met oefening van het voorbeeld examen, practica)
  •  
  • 2. Piper Diagram + Charge Balance error (one time without K, one time without Na; discuss the effect and your solution). Na and K were determined together, why is this not so good?
  •  
  •  
  • Examen 2018-2019
  •  
  • Theorie
  •  
  • 1. 9 definities (absorption/disorption, mechanical dispersion, intrinsic permeability + unit, difference AEVT en PEVT, CBE, link between recession curve and the base flow of a river, perched aquifer, ...).
  •  
  • 2. The limitations of Darcy's law with a large hydraulic conductivity?
  •  
  • 3. Theis's formula given
  •  
  • A. 5 assumptions that have to be true for this method?
  •  
  • B. Derivation of jacob approximation?
  •  
  • C. Jacob approximation for 3 wells?
  •  
  • Denkvragen
  •  
  • 1. Hydraulic conductivity of a confined aquifer was estimated using slug tests. In a first step, the slug test was performed in normal conditions (T = 12°C). In a second step another slug test was performed at the end of this experiment with hot water. In a third step, a pumping test in steady-state conditions was performed in the well and monitored using neighboring wells (distance from 5 to 50 m). Explain the differences in the values of hydraulic conductivity obtained with the different tests. Define all the concepts you use in your explanations.
  •  
  • 2. You're working for a coastel hydraulogical company in a coastal environment. Potential sandstone aquifer with clay lenses.
  •  
  • A. What are the two main risks?
  •  
  • B. Which test would you use to make sure it is maintainable?
  •  
  • Oefeningen
  •  
  • 1. Drawing of an unconfined aquifer and a poluted confined aquifer (1030 kg/m3), 2 wells and hydraulic head given.
  •  
  • A. raw the distribution of the hydrostatic pressure through the aquifer and calculate the hydrostatic pressure at the bottom of both aquifers.
  •  
  • B. Is there a risk of polution of the confined aquifer through vertical flow?
  •  
  • C. A few months later the hydraulic head is higher, will the risk be different?
  •  
  • 2. Drawing sandstone aquifer with clay fault and draining river. delta h, afstanden tussen plaatsen, K en ne (600 m sand, 100m fault, 200m sand ) and spilled NO3 given
  •  
  • A. Calculate equivalent K and draw the water table.
  •  
  • B. What would be the travel time for the polutant to travel to the river?
  •  
  • C. What would be the travel time without the fault?
  •  
  • 3. Anions and cations given mg/l
  •  
  • A. Calculate the CBE
  •  
  • B. Plot in a piper diagram and give the water type
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018
  •  
  • Theorie
  •  
  • 1. 10 juist/fout vragen (bvb: Een siltlaag van 10m is een ideale aquifer. In een confined aquifer is de hydraulic head hoger dan de bovenkant van de aquifer.)
  •  
  • 2. Afleiding van de formule van de hydraulische conductiviteit (formule gegeven) bij een confined
  •  
  • 3. Geef de drie hoofdprocessen van mass solute transport. Leg ze uit en geef de formules
  •  
  • Denkvragen
  •  
  • 1. Gegeven de hydraulische conductiviteit K bij a) een slugtest bij temperatuur 12 graden, b) een slugtest bij temperatuur 35 graden en c) bij een pumpingtest. Leg de verschillende testen uit en waarom de K-waardes zo variëren
  •  
  • 2. Een punctuated spill met hogere densiteit dan water boven een unconfined aquifer die licht afloopt naar rechts naar een rivier. Links staat een pumping well voor drinkwater met de cone of influence verder dan het diepste punt van de aquifer. Beschrijf de flow van de pollutant. Hoeveel controleputten heb je minimaal nodig om deze verontreiniging te monitoren?
  •  
  • Oefeningen
  •  
  • 1. Gegeven de gemeten stijghoogtes in een pumping well, en twee controleputten, met telkens twee meettijden. Bij de tweede meettijd veranderd de dichtheid van 1000 naar 1025. Bereken de freshwater hydraulic head en teken de waterflow op piezometric map
  •  
  • 2. Karakteristieken van Boom formatie gegeven (effectieve porositeit, etc... geen formules), bereken de K waarde, bereken de REV van de laag met hydraulic head difference 7m over 2km. Is de werkelijke snelheid van een deeltje sneller of trager?
  •  
  • 3. Chemische analyse van een waterstaal gegeven, bereken de ionic balance error en interpreteer de waarde + plot in Pipper diagram en geef de watersoort.
  •  
  •  

Petrologie van kristallijne gesteenten

Docent

Stijn Dewaele

Buis-o-meter

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2019-2020
  •  
  • Theorie
  •  
  • 1. Woordjes; adiabatische decompressie, lanthaniden contractie, kalkalkalische trend, chadacryst, wadsleyiet
  •  
  • 2. De PGE groep uitleggen (alle elementen met hun afkorting en voluit) en ook waarom ze nuttig zijn om te bestuderen
  •  
  • 3. Figuur uitleggen van de Gibbs-vrije energie en oppervlakte energie voor kristalvorming
  •  
  • 4. Kaliumtrend bij subductie uitleggen
  •  
  • 5. MORB s hebben qua spreidingssnelheid 2 types: a) Wat zijn de types en maak een schets, b) Wat zijn de eigenschappen (petrologisch, morfologisch...) van de verschillende types, c) Wat is de samenstelling van een typische MORB, als je in realiteit kijkt is er dan iets speciaals op te merken? (vermoedelijk werd hier serpentinitisatie bedoeld)
  •  
  • 6. Schema uitleggen bij metamorfisme (driehoekdiagram) van een systeem x, y en z waarop mineralen A, B, C en D op aangeduid staan (en met het gesteente Jan en Klaas in de cursus) hoe het systeem en de samenstelling van een gesteente zou evolueren als bij een metamorfe reactie A+B zou omzetten naar C + D
  •  
  • 7. Je krijgt een periodiek systeem en de samenstelling in gewichtsprocent van een gesteente, plot het gesteente in het driehoeksdiagram voor metamorfe gesteenten (groenschist, amfiboliet en granuliet facies - de diagrammen zijn gegeven, behalve dat de ACF hoekpunten niet benoemd zijn): a) benoem het diagram en leg de eindleden uit b) wat zou het gegeven gesteente als mineraalassemblage kunnen hebben als het tot in het granulietfacies zou komen c) wat als het pas tot in het amfibolietfacies zou komen
  •  
  • Practicum
  •  
  • 1. 2 slijpplaatjes beschrijven textureel etc en gesteente benoemen en mogelijke geologische context geven
  •  
  • 2. 2 handstukken beschrijven en benoemen en geologische context geven
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018
  •  
  • Theorie (14p)
  •  
  • 1. Woordjes: ASI, orthocumulaat, kalkalkalische trend, adiabatische decompressie, ringwoodiet
  •  
  • 2.Leg uit REE en geef elementen met afkortingen, eventueel enkele diagrammen om je antwoord te schetsen
  •  
  • 3. Beschrijf subductiemagmatisme en bespreek de K-trend
  •  
  • 4. Bespreek de twee manieren hoe granitische magma's gevormd worden en bespreek de gevormde mineralogie
  •  
  • 5. Oefening op metamorfe reacties. Gegeven de geochemische tabel met gewichtsprocenten van de oxides van een basaltisch gesteente, het periodiek systeem en ACF-diagrammen van het groenschist-, amfiboliet en granulietfacies. Als het gesteente in het granulietfacies terechtkomt, welke mineraalassemblage kan je verwachten en geef de reacties. (plot het gesteente in het diagram). Geef de naam van de gegeven diagrammen en verklaar de drie eindleden en geef de mineraalreacties hoe deze mineralen vormen. Wat als het gesteente maar tot in het amfiboliet geraakt, bespreek mineralogie (verschillende mineraalassemblages mogelijk?) en mineraalreacties
  •  
  • Practicum (6p)
  •  
  • 1. Beschrijf twee slijpplaatjes (mineralogie, geodynamische context, textuur..) (4p)
  •  
  • 2. Mondelinge bespreking van een gesteente bij de prof (2p)
  •  
  •  

Programmeren

Docent

Peter Dawyndt

Werkcolleges

Hier kan je naartoe gaan voor de oefeningen samen met medestudenten te maken. Er is ook altijd een assistent aanwezig in het lokaal waar je vragen aan kan stellen voor moest je vastzitten bij een oefening of niet echt snappen hoe je aan de oefening moet beginnen.

Buis-o-meter

Voor dit vak is het principe oefenen en nog eens oefenen. Elke week moet je 6 oefeningen indienen via Dodona, waarvan je de oplossing van de eerste altijd al op voorhand krijgt. Hierdoor zal je doorheen het semester verplicht worden om voor dit vak te oefenen (wat echt nodig is). Ook zijn er doorheen het semester twee evaluaties, die volgen na 5 oefeningenreeken en tellen elk voor 2 van de 20 punten mee (in totaal dus 4 punten). Het is ook belangrijk dat je de oefeningen op tijd indient tegen de volgende week omdat voor elke niet ingediende oefening de score van de evaluaties 'minder waard worden' (lees alles zeker eens na op Dodona bij eindscoreberekening).

  •  
  • TWIEOOS
  • 3 Oefeningen, 1 op loops, 1 op tekstbestanden en 1 op klassen. Alle examenvragen van de vorige jaren kan je op Dodona terugvinden
  •  
  •  

Sedimentaire geochemie

Docent

Maarten Van Daele

Buis-o-meter

  •  
  • TWIEOOS
  • Inhaalexamen 2020-2021
  •  
  • 1. a) je wilt een A-CN-K diagram opstellen van een rivier, bespreek staal name, methode, techniek, apparatuur. b) stel het moedergesteente in de rivier was graniet, plot in onderstaand A-CN-K diagram a) moedergesteente, b) chemisch verweerde graniet, c) elementen in suspensie en d) opgeloste elementen duid ook de CIA schaal aan en geef de chemische formules c) is er een verschil in samenstelling met een rivier (ergens in) Afrika en Patagonië + mogelijke oorzaken.
  •  
  • 2. a) in een rivier zit Al (3+) en Si, waarom zit Al minder in de oplossing dan Si terwijl bindingssterkte zwakker is.b) grafiek van hoeveelheid Ca en Na in verschillende rivieren is gegeven, waarom zo een verschillen. (evaporatie en verwering)
  •  
  • 3. .a) in kernwoorden conservatief en niet-conservatief bespreken b) welk zijn de meest voorkomende conservatieve elementen en waar komen ze het meest voor
  •  
  • 4. Leg Rayleigh distillatie uit adhv waterstofisotopen en geef tekening.
  •  
  • 5.a) Delta 13C toont jaarlijkse variaties, geef verklaring.b) Delta 13C heeft ook meer jaarlijkse variatie oiv uitstoot van fossiele brandstoffen, stel dat deze uitstoot enkel bestond uit aardgas, wat zou het effect dan zijn. c) welke massaspectrometrie wordt er gebruikt om delta 13C te analyseren, geef werking MS en hoe het geanalyseerd wordt. (tekeningen waar nodig)
  •  
  • 6. a) Terrestrisch OM en aquatisch OM bij C/N kan gemakkelijk onderscheiden worden, waarom moet er toch nog vaak een oorsprong/kalibratie onderzoek gedaan worden bij lacustrien-/oceaanomgeving. b) welke andere techniek kan er gebruikt worden om beide te onderscheiden van elkaar.
  •  
  • 7. hefboomregel oefening (practicum), van een gebied waarbij op twee momenten metingen zijn gedaan. verschillende bijdragen bepalen van beide momenten, wat zouden de mogelijke oorzaken kunnen zijn (het kunnen er meerdere zijn) voor deze verschillen. (staat op 20% van de punten)
  •  
  •  
  • Examen 2020-2021
  •  
  • 1.Meet de CIA in riviersedimenten, hoe pak je dit aan? Welke materialen worden er gebruikt? Welke voorbereidingen moet men treffen?
  •  
  • 2. Plot de gesteenten op een A-CN-K diagram (graniet, chemisch verweerde graniet, riviersedimenten en ionen in oplossing), geef ook de benaming van elk hoekpunt (mineraalformule)
  •  
  • 3. Wat is de invloed van fossiele brandstoffen op delta 13C waarden in atmosferisch koolstof? Wat zou er gebeuren als deze brandstoffen uit C14 planten zou bestaan?
  •  
  • 4. Met welke massa-spectrometer wordt delta 13C gemeten en hoe werkt het princiepe hiervan?
  •  
  • 5.Hoe worden terristrische en aquatische planten van elkaar gescheiden? Leg de C/N verhouding hiervan uit en bedenk nog een andere manier om deze te onderscheiden.
  •  
  • 6. Wat is het verschil tussen conservatieve en niet-conservatieve elementen + voorbeeld
  •  
  • 7. Wat is een rayleigh destillatie?
  •  
  • 8. Waarom zit ijzer na verwering niet in oplossing na verwering?
  •  
  • oefeningmet delta N & delta O waarden, plotten op een driehoek en % meten van aandeel oceaan, rivier en afvalwater. Interpreteer de uitkomst en vergelijk de waarden in de winter en de zomer. Wat is de oorzaak in het verschil?
  •  
  •  
  • Examen 2019-2020
  •  
  • 1. Rivieren voeren Na en Si in ongeveer gelijke mate opgelost aan aan de oceaan, verklaar waarom de concentratie aan opgelost Na zoveel hoger is in de oceaan dan die van opgelost Si? + Wat is het verloop van de concentratie van Na en Si doorheen de waterkolon?
  •  
  • 2. Je krijgt de curve van stijgende CO2 en dalende delta 13C en verklaar waarom dit de laatste 200 jaar een knik vertoont en vul de assen aan
  •  
  • 3. Hoewel er geen fosfor of stikstof tekort is in de oceaan op hoge breedtegraden in de zuidelijke hemisfeer, is er toch een lage productiviteit, hoe komt dit?
  •  
  • 4. Curve van de global meteoric water line, waarom is het bereik van delta D ongeveer 190 permil en van delta 18O maar 25 permil? En duid op de curve de punten aan die overeen komen met een hogere breedtegraad en deze die met een lagere breedtegraad overeen komen en leg uit.
  •  
  • 5.A-CN-K diagram, waarom plotten Afrikaanse stalen zo hoog in het diagram? Schat hun gemiddelde CIA in en waar zouden waterstalen (de dissolved fraction) van diezelfde Afrikaanse stalen plotten?
  •  
  • 6. Je krijgt een oefening net als het tweede practicum met 3 bronnen van N en C isotopen en moet de fractie van elke bron berekenen voor 2 verschillende samples van op dezelfde plaats maar een ander tijdstip en dan verklaren waarom er een verschil is tussen de samples (meerdere verklaringen mogelijk)
  •  
  •  
  • Examen 2018-2019
  •  
  • 1. Wat zijn de twee meest voorkomende elementen in regenwater en waarom? Wat is het verschil met rivierwater?
  •  
  • 2. Er is een terrestrisch organisme gevonden met N isotopen van 12 promille. Is dit afkomstig van een herbivoor of carnivoor, en waarom?
  •  
  • 3. Pb-concentraties in geologische archieven: welke 3 archieven zijn dit en met welke methoden zou je stalen uit deze 3 verschillende archieven analyseren?
  •  
  • 4. Welke methode gebruik je om de proportie van C3 en C4 planten te berekenen.
  •  
  • 5. Plot 4 dingen in een A-CN-K diagram: graniet, fysiek verweerde graniet, chemisch verweerde graniet, interstitial water.
  •  
  • 6. Al in rivierwater en isotopisch koolstof in de bodem: geef sample preparation, instrumentanalyse en waarom?
  •  
  • 7. Wat is de invloed van Si verwering op atmosferische concentratie van CO2 op de geologische tijdsschaal.
  •  
  • 8. Oefening: gegeven zijn 2 waardes/fracties van O en N isotopen (Zomer en Winter). Je moet de percentages berekenen van de invloed van 3 bronnen (rivier-, oceaan- en rioolwater). [Net als oefening met driehoek in grafiek en hefboomregel]. Wat is de verklaring voor het verschil tussen zomer en winter, verschillende verklaringen zijn mogelijk.
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018
  •  
  • 1. A. Wat zijn de bronnen van het Cl in het oceaanwater? B. Hoeveel bedraagt de gemiddelde concentratie van opgelost Cl in ppm in de oceaan? C. Hoe is de concentratie in vergelijking met de andere opgeloste elementen? D. Wat is de variatie van de concentratie doorheen de waterkolom?
  •  
  • 2. Gegeven: Een bodemprofiel met onderaan graniet. Duidt de trend aan van de concentratie Ti, Na, Al en de CIA en schrijf op de x-assen de benaderende waarden.
  •  
  • 3. Leg uit welke monstervoorbereiding en welke techniek je zou gebruiken om: a. Al-concentratie te bepalen in rivierwaterstalen, b. de CIA waarden te berekenen van bodemmonsters vanuit de hele wereld.
  •  
  • 4. Wat is het verband met de ∂13C van het atmosferisch CO2 en de verbranding van fossiele brandstoffen?
  •  
  • 5. Pb-vervuiling in de atmosfeer: welke geologische archieven kunnen gebruikt worden en waarop moet je letten bij elk van hen.
  •  
  • 6. Welke methode zou je gebruiken en wat zou je meten in meersedimenten om de invloed van C3 en C4 planten te weten? Wat zegt dit over het klimaat?
  •  
  • 7. Oefening: Gegeven twee stalen van oceaanwater en drie mogelijke bronnen met hun ∂13C- en ∂15N-waarden, ook een tekening van de kustlijn met de plaats waar de stalen genomen zijn. Bereken voor elke locatie de invloed van elke bron. Waarom zijn er verschillen tussen beide locaties?
  •  
  •  

Bachelorproject

Docent

David Van Rooij

  •  
  • TWIEOOS

Geologische kartering B

Docent

Stijn Dewaele

Buis-o-meter

Voor dit vak buist bijna niemand.

  •  
  • TWIEOOS

Isotopengeologie

Docent

Johan De Grave

Buis-o-meter

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2021-2022: 1e zit
  •  
  • Theorie:
  •  
  • 1) Leg het p-proces uit.
  •  
  • 2) Leg deze woorden uit:
  •  
  •  - HIMU-basalten
  •  
  •  - Electronenvangst
  •  
  •  - BABI
  •  
  • 3) CHUR beschrijven
  •  
  • 4) Rb-Sr toepassing bij metamorfose uitleggen.
  •  
  • Oefeningen:
  •  
  • 1) Bij een basalt zijn volgende verhoudingen gemeten
  •  
  •   - Plagioklaas: 143Nd/144Nd = 0,512365 en 147Sm/144Nd = 0,1727
  •  
  •   - Pyroxeen: 143Nd/144Nd = 0,513861 en 147Sm/144Nd = 0,2434
  •  
  •   => Wat is de ε-CHUR?
  •  
  • 2) Het lood van een recent afgezette galeniet afzetting geeft volgende geologische geschiedenis ondergaan: Beginnende op de ouderdom van de aarde tot 2Ga heeft het geëvolueerd in een reservoir met mu = 8,9. Bij 2Ga is de mu veranderd naar 12 en dat is ook de huidige waarde nu.
  •  
  • a) Wat zouden de gemeten 206/204 Pb en 207/204 Pb verhoudingen zijn van de galeniet?
  •  
  • b) Als we zouden aannemen dat het éénfasig model hiervoor telt, welke ouderdom zou het lood dan opleveren en wat kan je daar dan uit concluderen?
  •  
  •  
  • Examen 2020-2021: 2e zit
  •  
  • 1) U/Pb ouderdommen in Apatiet (discussie moet gaan over Tera-Wasserberg concordia!)
  •  
  • 2) Korte definities:
  •  
  •  - Hertzsprung-Russel diagram
  •  
  •  - Seculair evenwicht
  •  
  • 3) Bespreking crustale ouderdom
  •  
  •  
  • Examen 2020-2021: 1e zit
  •  
  • 1) Isotopendilutie; uitleggen en afleiden formules
  •  
  • 2) 3 begrippen + formules:
  •  
  •  - Mantelreeks
  •  
  •  - Tera-Wasserburg
  •  
  •  - Wetmatigheid van Oddo-Harkins
  •  
  • 3) Opstellen van menghyperbool
  •  
  • 4) Uitwerken Holmes-Houtermans model
  •  
  •  
  • Examen 2019-2020
  •  
  • 1. Leg het principe uit in verband met de crustale verblijfsouderdom in een pelitisch gesteente. Geef indien nodig formules en figuren.
  •  
  • 2. Leg uit in ongeveer 10 regels met indien nodig berekeningen, formules en schets:
  •  
  • - Seculair evenwicht
  •  
  • - R-proces
  •  
  • 3. Leg het principe uit van de menghyperbool met indien nodig formules en figuren.
  •  
  • 4. Vraagstuk/oefening: Het lood van een recent afgezette galeniet afzetting geeft volgende geologische geschiedenis ondergaan: Beginnende op de ouderdom van de aarde tot 2Ga heeft het geëvolueerd in een reservoir met mu = 8,9. Bij 2Ga is de mu veranderd naar 12 en dat is ook de huidige waarde nu.
  •  
  • a) Wat zouden de gemeten 206/204 Pb en 207/204 Pb verhoudingen zijn van de galeniet
  •  
  • b) Als we zouden aannemen dat het éénfasig model hiervoor telt, welke ouderdom zou het lood dan opleveren en wat kan je daar dan uit concluderen?
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018
  •  
  • Versie 1
  •  
  • Theorie
  •  
  • 1. Bespreek Holmes-Houtermans + figuur, en hoe kan men hiervan de ouderdom van de aarde mee bepalen? (15pt)
  •  
  • 2. Bespreek Concordiadiagram. (15pt)
  •  
  • 3. Vier woordjes: Isotopendilutie, Sr geochemie in carbonaten, J-factor en Crustale verblijfsouderdom. (20pt)
  •  
  • 4. Bespreek het r-proces bij nucleosynthese. Situeer en geef een schets. Bespreek de reactie van 65 Cu naar 70 Zn. (10pt)
  •  
  • Oefeningen
  •  
  • 1. Twee galenietafzettingen met hun isotopische samenstelling van lood gegeven. Erts1: 206/204 = 16,50; 207/204 = 15,80. Erts2: 206/204 = 14,85; 207/204 = 15,46.
  •  
  • A. Bereken de ouderdom als je mag aannemen dat hun vorming beantwoord aan het eenfasig HH (met ouderdom van de aarde T=4,55Ga)
  •  
  • B. Onderzoek de µ-waarde of ze al dan niet komen uit een geochemisch identiek reservoir.
  •  
  • Versie 2
  •  
  • Vraag over het nieuw deel van nucleosynthese: bespreek wat je weet over het r proces en geef de reactie voor een bepaald element.
  •  
  • De rest waren al twieoos
  •  
  • Oefeningen
  •  
  • 1. Je krijt voor 4 gesteenten (Basalt, Rhyoliet, Graniet, en ?) de Sr concentratie in ppm, de Sr/Sr, de Rb/Sr en de ouderdom.
  •  
  • A. is de basalt van manteloorsprong?
  •  
  • B. Is de rhyoliet het gevolg van partiele opsmelting van de basalt of partiele opsmelting van de basalt + contaminatie met graniet of partiele opsmelting van de basalt en contaminatie met ?
  •  
  • 2. Je krijgt de 207/204 Pb en de 206/204 Pb verhoudingen van twee galentietertsen. Ouderdom van de aarde T=4.55. Het systeem voldoet aan het Holmes Houtermans model
  •  
  • A. Wat is de ouderdom van de ersten? => pas op linkerlid HH vgl staat niet in de tabel (waarde te hoog)
  •  
  • B. Wat is de u waarde van de ersten? Wat kan je hieruit afleiden in verband met het reservoir waaruit ze ontstaan?
  •  
  •  
  • Examen 2016-2017 2de zit
  •  
  • Deel De Grave
  •  
  • 1. Bespreek Holmes-Houtermans + figuur, en hoe kan men hiervan de ouderdom van de aarde mee bepalen?
  •  
  • 2. Bespreek Concordiadiagram
  •  
  • 3. 4 woordjes: isotopendilutie, Sr geochemie in carbonaten, J-factor en crustale verblijfsouderdom
  •  
  • Deel Bertrand
  •  
  • 1. De δ13C = -13‰ in de maag van een fossiele herbivoor. In welk klimaat leefde dit fossiel en hoe weet je dat?
  •  
  • 2. Gegeven de fractienatie factor-temperatuur grafiek, wat is de δ18O van de lucht bij 30 graden celcius als de δ18O van water is gelijk aan nul?
  •  
  • 3. In een gebied komt water van gletsjers (δ18O = -30‰) en oceaanwater (δ18O = 2‰) wat is de relatieve aandeel van smeltwater en oceaanwater in het gebied in de winter (δ18O = -26‰) en in de zomer (δ18O = -6‰)? Wat zorgt voor dit seizoenaal verschil?
  •  
  • Oefeningen
  •  
  • 1. Plagioklaas en pyroxeen van 2 maanbasalten geanalyseerd. 147Sm/144Nd en 143Nd/144Nd gegeven van alle vier. Basalt 1: plagioklaas: 147Sm/144Nd = 0.1685 en 143Nd/144Nd = 0.511092, pyroxeen: 147Sm/144Nd = 0.2434 en 143Nd/144Nd = 0.513027, Basalt 2: plagioklaas: 147Sm/144Nd = 0.1727 en 143Nd/144Nd = 0.512365, pyroxeen: 147Sm/144Nd = en 143Nd/144Nd. Als je mag aannemen dat het brongesteente voor beide de maanmantel was, waarvan mer verondersteld dat hij een uniforme samenstelling heeft, welke was dan de 143Nd/144Nd verhouding in deze mantel bij het ontstaan van de maan 4.6Ga? Hoe verhoudt deze waarde zich tot de verhouding aanwezig in de primaire aarde?
  •  
  • 2. De huidige Th/U van de aardkorst bedraagt 3.80 (berekend uit concentratie in ppm). Welke was deze verhouding 4.0 Ga? (gebruik atoommassa's uit repertorium)
  •  
  •  
  • Examen 2015-2016
  •  
  • Deel De Grave
  •  
  • 1. Bespreek Holmes-Houtermans (+ figuur)
  •  
  • 2. Bespreek Concordiadiagram
  •  
  • 3. 4 woordjes (in 10lijnen uitleggen+afleiding/figuren): Isotopendilutie, Sr geochemie in carbonaten, J-factor, Crustale verblijfsouderdom
  •  
  • 4. Mondeling een figuur uitleggen
  •  
  • Deel Bertrand
  •  
  • 1. Evolutie 13C in atmosferisch CO2 bespreken: gestegen of gedaald? Welk geologisch archief kan je hierbij het beste gebruiken?
  •  
  • 2. Terrestrisch fossiel met 12promille aan stikstofisotoop, herbivoor of carnivoor?
  •  
  • 3. Exercise: Grafiek en N isotopen over zomer en winter gegeven, wat is het relatieve aandeel van mariene en terrestrische invloed? Wanneer valt het regenseizoen?
  •  
  • Oefeningen
  •  
  • 1. Plagioklaas en pyroxeen van 2 maanbasalten (neem aan van uniforme maanmantel) geanalyseerd. 147Sm/144Nd en 143Nd/144Nd gegeven van alle vier. Wat is de Nd/Nd waarde bij de vorming van de maan 4.0 Ga geleden? Wat is de verhouding van deze waarde met de Nd/Nd verhouding van de primitieve aarde?
  •  
  • 2. Th/U = 3,8. Wat is deze verhouding 4.0 Ga geleden?
  •  
  •  

Mariene geologie

Docent

David Van Rooij

Buis-o-meter

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2021-2022
  •  
  • Theorie (10 pt)
  •  
  • 1) Sedimentatie uitleggen op basis van de globale sedimentdikte kaart (5p).
  •  
  • 2) Woordjes max 10 lijnen (5p)
  •  
  •   - Echosounder, subbottom profiler en seismiek
  •  
  •   - Raleigh-Taylor instabiliteiten en verband met spreidingsrug
  •  
  •   - Destructieve en constructieve actieve oceanische randen
  •  
  •   - Oorzaken hellingsinstabiliteiten en (kort) verschillende types
  •  
  •   - Vulkanogene Massieve Sulfiden en verband met model van Parsons & Sclater
  •  
  • Mondeling (5pt) -> 2 begrippen trekken en uitleggen uit onderstaande woorden:
  •  
  • Panamaparadox, Polynya, CCD en lysocline, Silicaswitch, Ekmanspiraal, Structuren van passieve randen, Atmosferische circulatie op een continentloze aarde, HOT vs LOT, effect ITCZ op de moesson, cyclinale/anticyclinale cel, continentale upwelling
  •  
  •  
  • Examen 2019-2020
  •  
  • 1) Leg uit met schets: (5)
  •  
  • -Mariana vs Chili subductie
  •  
  • -Ekman spiraal
  •  
  • 2) Op basis van de oceanische lithosfeer kan een trage van een snelle spreidingsrug gescheiden worden. Leg uit welke ontdekkingen/onderzoeken hebben geleid tot het hedendaags model en leg dit model uit. (5)
  •  
  • 3) Leg uit in max. 10 lijntjes uit (5)
  •  
  • -Panama paradox
  •  
  • -Overdruk, waarom en waar kan dit voorkomen.
  •  
  • -Wat is de invloed van de conveyor belt op de C-14 methode in mariene sedimenten.
  •  
  • -Ik observeer in een boring een laag van 10 cm zand. Onderaan is deze scherp begrensd en de laag toont een fining upwards. Hoe kan ik weten of dit een turbidiet of countourit afzetting is.
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018
  •  
  • 1. Leg uit passieve en actieve oceaanranden; structuren en processen (max 2p). (5pt)
  •  
  • 2. Gegeven een grafiek waar het noorwaardse warmtetransport op weergegeven was globaal, in de atlantische oceaan en in de atlantische oceaan tijdens een glaciatie; leg deze figuur uit (max 2p) (Algemeen wartedifeciet, de Golfstroom, Brasil Current, twee vormen van piratering en het verschil met een glaciatie) (5pt).
  •  
  • 3. 2 woordjes mondeling uitleggen bij Van Rooij (mag bord gebruiken); LOT en HOT, atmosferische circulatie op continentloze aarde, pockmarks, anticycloon en cylcoon, ... (5pt)
  •  
  •  
  • Examen 2016-2017
  •  
  • 1. 2 begrippen mondeling uitleggen + tekening maken (3p)
  •  
  • 2. Welke observaties hebben tot het onderscheid tussen snelle en trage spreidingsassen geleidt + welke modellen komen hieruit tot stand? (6p)
  •  
  • 3. Leg de afkoeling tijdens het Cenozoïcum in chronologische volgorde uit (3p)
  •  
  • 4. Men wil turbines installeren om energie op te wekken door bodemstromingen in de Cycladen (Griekenland), met welke technologie en methoden zou je dit oplossen? (3p) (de laatste 5 punten van de 20 zijn een presentatie en literatuurstudie van tijdens het jaar)
  •  
  •  
  • Examen 2013-2014
  •  
  • 1. De structuur textuur en de geochemie van de oceanische lithosfeer laat ons toe om snelle van trage spreidingruggen te onderscheiden. Bespreek welke verschillende observaties hiertoe geleid hebben evenals de huidige modellen die uit deze observaties zijn afgeleid (5p)
  •  
  • 2. Verklaar volgende begrippen (bondig maar zo volledig mogelijk) : pockmarks, sapropel, HMS Challenger, CCD, mud breccia, serpentinisatie (6p)
  •  
  • 3. A. Gashydraten: wat zijn ze en onder welke omstandigheden komen ze voor? B. hoe worden ze herkend op een seismisch profiel C. welke risico's houden ze in? (4p)
  •  
  • 4. Een vliegtuig is neergestort in de Middelandse Zee. Men wil rap de black box recupereren. Je hebt 10 dagen en onbeperkte middelen en toegang tot alle mogelijke methodes. Aan de hand van welke methodes/bemonstering onderzoek je het gebied. Geef je volgorde en leg uit waarom. (3p)
  •  
  •  
  • Examen 2012-2013
  •  
  • 1. Bespreek passieve en actieve continentale randen
  •  
  • 2. Gashydraten: wat zijn ze, hoe worden ze herkend op een seismisch profiel, welke risico's houden ze in?
  •  
  • 3. Je krijgt een ctd profiel dat je moet bespreken: welke watermassa's zijn aanwezig, bespreek hun circulatie
  •  
  • 4. Begrippen (een tiental): OSC, HOT, lysocline, black shales,...
  •  
  •  
  • Examen 2011-2012
  •  
  • 1. De structuur textuur en de geochemie van de oceanische lithosfeer laat ons toe om snelle van trage spreidingruggen te onderscheiden. Bespreek welke verschillende observaties hiertoe geleid hebben evenals de huidige modellen die uit deze observaties zijn afgeleid (5p)
  •  
  • 2. Verklaar volgende begrippen (bondig maar zo volledig mogelijk): Black smokers, Black shales, Passaat winden, Sediment drifts, Messiniaan crisis, Silica switch (6p)
  •  
  • 3. Bespreek oorzaak engevolgen van het panama effect (schematisch en niet in volzinnen) (3p)
  •  
  • 4. De Belgica moet onderzoek doen (biologisch en geofysisch) naar een onbekende canyon in portugal. Je hebt 20 dagen en onbeperkte middelen en toegang tot alle mogelijke methodes. Aan de hand van welke methodes/bemonstering onderzoek je het gebied. Geef je volgorde en leg uit waarom (2p)
  •  
  • 5. Gegeven CTD profiel in het N van de golf van Biskaje tot 1200m diep. Bespreek de vorm van de curves, geef fe aanwzeige watermassas + hun circulatie, genenese en ontstaansgebied. Verklaar ook het turbidity verloop (4p)
  •  
  •  
  • Oudere vragen
  •  
  • 1. Hoe beïnvloed de sterkte van de lithosfeer het verloop van de rift tot spreiding aan passieve continentale randen? Interpreteer met deze achtergrond de gegeven profielen (zelfde als in les)
  •  
  • 2. Gegeven is de situatie van de Middellandse Zee van *periode* tot *periode*. Beschrijf de grote veranderingen in dit bekken in de loop van de geschiedenis, maak eventueel schetsen
  •  
  • 3. De Belgica komt net terug van een expeditie in de Golf van Biscaye en heeft daar een sonde neergelaten tot 5000 meter diepte. Welke watereenheden zijn daar te vinden in de diepte, waar ligt hun oorsprongsgebied, hoe worden ze gevorm en wat is hun hoofdstromingsrichting?
  •  
  • 4. Woorden uitleggen in twee regels: SST - Lysocline - Ekmanspiraal - Contouriet - Debris flow – Pycnocline
  •  
  • 5. Wat was de betekenis van de expeditie van de Challenger en geef enkele belangrijke resultaten
  •  
  • 6. Bespreek FZ, Hoe ontstaan ze, wat voor gevolg hebben ze voor het reliëf van een spreidingsas
  •  
  • 7. Een seismogram van décollement aan een accretiewig dat je moet interpreteren (staat ook in cursus)
  •  
  • 8. Wat is MOW? Wanneer en hoe is deze stroming ontstaan? Wat zijn de brongebieden van de MOW? Schets de verspreiding van de MOW
  •  
  • 9. Je krijgt een zuurstofisotopen curve, diegene die gaat van nu tot ongeveer 5Ma terug. Je moet de curve uitleggen en de belangrijke veranderingen in de evolutie van het Atlantisch bekken gedurende die periode
  •  
  •  

Geologie en duurzaamheid

Docent

Stijn Dewaele, Thomas Hermans, Stephen Louwye en David Van Rooij

Principe

Voor dit vak word je in groepjes verdeeld waarvan elk groepje een begeleidende prof heeft (één van de vier proffen die hierboven vermeld staan). Elke prof geeft in het begin van het semester een les over duurzaamheid in een bepaald onderdeel van de geologie. Daarna moet je een opiniepaper schrijven per groep en die dan presenteren/verdedigen tegen het einde van het semester.

Buis-o-meter

Tot nu toe is nog niemand gebuisd geweest voor dit vak.

  •  
  • TWIEOOS

Teledetectie

Docent

Rudi Goossens & Kristine Walraevens

Practica

De practica zijn apart voor het deel van professor Goossens en het deel van professor Walraevens. Voor het deel van professor Goossens probeer je hoogtemetingen onder de knie te krijgen. Met deze hoogtemeting moet je dan een profiel opstellen voor een vallei.

Voor het deel van professor Walraevens heb je een theoretisch en een practisch deel, maar deze zijn niet echt opgesplitst in A- en B uren. Wanneer een deel theoretisch bespoken werd, zal deze er direct na practisch bekeken worden, het is dus niet zo dat je een les theorie hebt en een les practicum, deze lessen lopen in elkaar over! Van alle practica moet je een kort verslagje schrijven over wat je ziet en hoe je het interpreteert.

De practica van beide proffen staan samen op 1/3 van de punten.

Buis-o-meter

Dit vak is vaag, maar niet echt moeilijk

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2011-2022
  •  
  • Deel Goossens
  •  
  • 1) 10 woordjes:
     - Pixel
     - Fiducieel merkteken – Fudicial marks
     - Zon-synchroon
     - Modis
     - Laplace filter
     - World-View
     - FCC
     - GCP
     - Parallax
     - Valse kleurencomposiet
  •  
  • 2) 4 factoren parallax + uitleggen (geen afleidingen ofzo)
  •  
  • 3) Uitbarsting op La Palma, foto Sentinel 2 -> kleuren uitleggen: Rood-geel (magma), groen (percelen met vegetatie), bleek/cyaan (Braakliggende grond zonder vegetatie), blauw (zeewater)
  •  
  • Deel Walraevens
  •  
  • 1) Identificatiekenmerken harde sedimentaire gesteenten
  •  
  • 2) Stereobeeld van gebied:
  •  
  •   - Gesteentetypes + argumenten
  •  
  •   - Geologische structuren + argumenten + op kalk
  •  
  •   - Hydrografisch net uitleggen + op kalk
  •  
  •  
  • Examen
  •  
  • 1) Leg uit:
     - Pixel
     - Fiducieel merkteken – Fudicial marks
     - Zon-synchroon
     - Modis
     - Laplace filter
     - World-View
     - FCC
     - GCP
     - Parallax
     - Valse kleuren composiet
  •  
  • 2) Onderstaand satellietbeeld is een SPOT-4 beeld genomen over de Galapagos eilanden – Peru. Het betreft een FCC beeld.
    Hoe verklaar je de volgende kleuren aangeduid met de ellipsen:
     - De kleurverschillen in de grijs tonaliteiten in de witte ellipsen
     - De kleursaturatieverschillen in de rode kleuren in de zwarte ellipsen
     - De kleursaturatieverschillen in de licht bruine kleuren in de gele ellips
  •  
  • 3) Stel: je dient een kaart te maken van de actuele uitbreiding van een gletsjer en de bodembedekking rond het gletsjergebied, aan de hand van teledetectie-methoden. Welke technieken zou je hiervoor gebruiken en argumenteer je antwoord.
    => Onderstaand vind je een voorbeeld van de Columbia gletsjer in Alaska (USA), een echte kleurencomposiet aan de hand van een Landsat 8 beeld. (2 juli 2014)
  •  
  • 4) * Lithologische interpretatie: licht je antwoord telkens toe met enkele zinnen.
    Is het mogelijk deze gesteenten te verwarren op een stereopaar:
     - Zandsteen en kalksteen
     - Zandsteen en schiefer
     - Zandsteen en graniet
    * Interpreteer bijgevoegd stereopaar: beschrijf zowel lithologie als structuur, en motiveer.
  •  
  •  
  • Examen 2019-2020
  •  
  • Deel Goossens
  •  
  • 1) 10 woordjes: Pixel, Fiducieel merkteken –Fudicial marks, Zon-synchroon, Modis, Laplace filter, World-View, FCC, GCP, Incident angle, Interferometrie
  •  
  • 2) Onderstaand satellietbeeld is genomen in de Democratische Republiek Congo, Verunga park, over de vulkanen Nyiragongo en Nyamuraghira.
  •  
  • 1. Met welk soort beeld hebben we te maken? Mogelijke sensor? Composiet? (volgens mij FCC)
  •  
  • 2. Hoe verklaar je de volgende kleuren aangeduid met de ellipsen:
  •  
  • - de kleurverschillen in de witte ellipsen
  •  
  • - de kleursaturatieverschillen in de rode kleuren in de zwarte ellipsen
  •  
  • - de kleursaturatieverschillen in de magenta kleuren in de gele ellips
  •  
  • 3)Welke factoren bepalen de parallax in een conventioneel luchtfoto-stereokoppel. Bespreek deze factoren kort.
  •  
  • Hieronder een geheugensteuntjes: (foto slides)
  •  
  • Deel Walraevens
  •  
  • 4) a) Lithologische interpretatie: licht je antwoord telkens toe met enkele zinnen.
  •  
  • Is het mogelijk deze gesteenten te verwarren op een stereopaar:
  •  
  • - Zandsteen en kalksteen
  •  
  • - Zandsteen en schiefer
  •  
  • - Zandsteen en graniet
  •  
  • b) Structurele geologie
  •  
  • Is het mogelijk dat de topografische helling naar het zuiden is, terwijl de lagen hellen naar het noorden? En in verband hiermee: kan het hart van een antiform gevormd worden door een depressie? Verklaar je antwoord.
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018
  •  
  • Deel Walraevens
  •  
  • Schriftelijk en mondelinge toelichting beide vragen.
  •  
  • 1. bespreek de elementen die gebruikt worden voor luchtfoto-interpretatie.
  •  
  • 2. bespreek de geologische structuur van op de drie stereoparen vanachter in het lokaal.
  •  
  • Deel Goossens
  •  
  • 1. 10 woordjes: Stereomodel, thermisch licht, FCC, NDVI, ASTER, vliegbasis, omega, multispectrale benadering, spatiale resolutie en nog eentje.
  •  
  • 2. Bespreek waarom hoogtebepaling afhangt van de vlieghoogte en de vliegbasis. (Geef de figuur)
  •  
  • 3. Bespreek de drie algoritmen bij gesuperviseerde beeldclassificatie.
  •  
  •  
  • Examen 2016-2017
  •  
  • Versie 1
  •  
  • Deel Walraevens
  •  
  • 1. Geef alle lijnpatronen en hoe interpreteren we die (dat is dus alles dat op een lijn trekt... van diaklazen en breuken tot plooien en lagen)
  •  
  • 2. Bespreek de hoofdkenmerken voor het determineren van de grote groepen van vaste sedimentaire gesteenten
  •  
  • 3. Luchtfoto bespreken (welk gesteente, welke structuren, drainagepatroon)
  •  
  • Deel Goossens
  •  
  • 1. Woordjes bespreken: Stereomodel, thermisch licht, FCC, NDVI, ASTER, vliegbasis, omega, multispectrale benadering, spatiale resolutie
  •  
  • 2. Wat is de invloed van vlieghoogte en vliegbasis op de parallax (figuur tekenen)
  •  
  • 3. Wat zijn de drie algoritmen bij gesuperviseerde beeldclassificatie (box-classification, shortest distance to mean en max likelihood methode), en welkeen heb je een voorkeur voor (de laaste)
  •  
  • Versie 2
  •  
  • Deel Walraevens
  •  
  • 1. Bespreek de hoofdkenmerken voor het determineren van de grote groepen van vaste sedimentaire gesteenten
  •  
  • 2. Bespreek hoe lijnen op een luchtfoto kunnen geïnterpreteerd worden
  •  
  • 3. Achter in het lokaal stonden er stereografen met allemaal dezelfde foto, een voor een moesten er mensen daar naartoe gaan. Welke gesteenten komen er voor op je luchtfoto? Welke structuren zie je, bespreek kort. Bespreek het hydrolisch net
  •  
  • Deel Goossens
  •  
  • 1. 10 woordjes: Terminale golflengte, omega, multispectrale benadering, FCC, vliegbasis, grondresolutie, ...
  •  
  • 2. Bespreek hoe de vliegbasis en de vlieghoogte de parallax bepalen? (met tekening)
  •  
  • 3. Bespreek kort de 3 logaritmische benaderingen voor classificatie
  •  
  •  
  • Oudere vragen
  •  
  • Bespreek de hoofdkenmerken voor het determineren van de grote groepen van vaste sedimentaire gesteenten
  •  
  • Luchtfoto bespreken zoals tijdens de practica (alles aanduiden etc) en mondeling uitleggen
  •  
  • 20 woordjes : TIR licht, homoloog punt, kappa, vliegbasis, multispectrale benadering, thermale golflengte, feature space, maximum likeyhood methode, .stereomodel,...
  •  
  • Bespreek kort de eigenschappen van de ASTER sensor en de mogelijke geologische toepassingen. (staat niet in de cursus, maar ergens in de slides)
  •  
  • Licht de verschillende factoren toe die de hoogte bepaling beïnvloeden in het stereomodel
  •  
  • Wat is een interpretatiesleutel? Waarvoor dient het en hoe wordt het gebruikt?
  •  
  • Bespreek de hoofdkenmerken voor het determineren van de grote groepen van vaste sedimentaire gesteenten
  •  
  • Luchtfoto bespreken zoals tijdens de practica.
  •  
  • Woordjes (10) uitleggen op de voorziene ruimte, meer is niet toegestaan: TIR licht, Homoloog punt, Vliegbasis, Kappa, Multispectrale benadering, Thermale golflengte, Feature space, Maximum likelyhood (method)
  •  
  • Bespreek kort de eigenschappen van de ASTER sensor en de mogelijke geologische toepassingen. (staat niet in de cursus, maar ergens in de slides)
  •  
  • Licht de verschillende factoren toe die de hoogte bepaling beïnvloeden in het stereomodel
  •  
  •  
  • Vaak gestelde vragen
  •  
  • Deel Walraevens
  •  
  • Een of meerdere luchtfoto’s bekijken met stereoscoop en korte mondelinge bespreking hiervan
  •  
  • Welke zijn de verschillende herkenningsfactoren waarop de interpretatie van luchtfoto’s is gesteund?
  •  
  • Deel Goossens
  •  
  • Woordjes en altijd een vraag over parallax!
  •  
  • Blauw licht, centraal punt, DN-waarde, fotobasis, grondresolutie, IFOV, kappa, omega, mengpixel, nadir, ontschranking, restitutie, spectrale signatuur, stereomodel, stereopaar, vliegbasis, ...
  •  
  • De schaal en het % overlapping bepalen het paralaxverschil bij verticale luchtfoto’s. Verklaar.
  •  
  • Bespreek waarom vanuit de ruimte oblieke opnamen worden gemaakt om parallax te meten en vergelijken met verticale luchtfoto-opname.
  •  
  • Invloed van de vliegbasis en de vlieghoogte (en dus het %overlapping) op de parallax en dus bijgevolg op de hoogtebepalingen van de objecten
  •  
  •  

Quartairgeologie

Docent

Maarten Van Daele & Frank Mostaert

Buis-o-meter

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2021-2022
  •  
  • 1) Alles over de grens van het Quartair: ouderdom en waar, wat was het ervoor en waarom (met twee vb).
  •  
  • 2) SPEC-map, benoem de assen, MIS, terminaties, Weichel, Eemsiaan, geef ook alle andere benamingen van het Weichsel.
  •  
  • 3) Originele Brexit, geef voorbeelden van het bewijs dat ze ooit verbonden waren en dan niet meer.
  •  
  • 4) Geef 5 terrestrische archieven en zeg of ze continu of discontinu zijn.
  •  
  • 5) Waar of niet waar:
      - Er is een preciptatietrend in LGM bij lage breedte graden.
      - LGM in de noordelijke hemisfeer zorgde voor een koudere SST.
  •  
  • 6) Geef de Meltwaterpulses, ouderdom en oorzaak.
  •  
  • 7) De drie hypotheses van de evolutie van de mens afhankelijk van klimaatsveranderingen.
  •  
  • 8) Handstuk: wat is het (keitjes); waar afgezet, welke afzettingsmilieu en vanwaar komen ze?
  •  
  • 9) 6 locaties op een hoogtekaart van Vlaanderen bespreken en vormingsoorzaak geven(zandrug, duinen, paleoduinen, verhoging bij Berlare, getuigenheuvel).
  •  
  • 10) Over Beerse: ouderdom, welke sedimenten, afzettingsomgeving, indicatie van het Quartair, onderbreking.
  •  
  •  
  • Examen
  •  
  • 1) Stratotype Holoceen met indicator. Voor wat was dit een proxy?
  •  
  • 2) Data van Holoceen; vroeg-, midden- en laat plus de events die dit vormde.
  •  
  • 3) MIS grafiek: benoem de assen, de MIS stages, de terminaties, maak een as aan de andere kant (titels, eenheid, waarden), Weichsel, LGM, Eemiaan aanduiden
  •  
  • 4) Geef de andere benaming voor het Weichsel in Noord-Amerika, Zuid-Amerika Groot-Brittannië en de Alpen.
  •  
  • 5) Hoe komt het dat er maar vier glaciaties te vinden op het land?
  •  
  • 6) Welke twee terrestrische archieven tonen wel de volledige glacialen?
  •  
  • 7) Hoe zie je in België de Flandrien transgression?
  •  
  • 8) Waar of niet waar:
     - Het was in lagere breedtegraden tijdens het LGM droger
     - Het was warmer aan de evenaar dan nu tijdens het LGM.
  •  
  • 9) Wat zijn de 2 grote theorieën over de verspreiding van de mens in het Holoceen?
    => Welke van deze is de meest robuuste en verklaar
  •  
  • Excursievragen
  •  
  • 1) Oude meander bij Berlare:
     - Welke vlakte ligt in het noorden?
     - Hoe komt het dat op 10m diepte er terristrische afzettingen zijn?
     - Is de hoogte (hoger dan het omgeven landschap) een getijdengeul of een rivierduinen en waarom?
     - Hoe komt het dat de Schelde grote meanders had?
  •  
  • 2) Beerse groeve:
     - Wat is typisch voor het Holoceen in deze groeve?
     - Welk type sediment is dit en in welk milieu werd het afgezet?
     - Waarom is de zwarte laag onderbroken?
  •  
  • 3) Kruishoutem silex en akker: Hoe komen die hier? Waarvan komen die? Afzettingsgeschiedenis, rivierterrassen enzo en waar is dit.
  •  
  •  
  • Examen 2018-2019
  •  
  • Deel Bertrand
  •  
  • 1. In welke stages is het Holoceen opgedeeld? Geef de juiste data en het stratotype.
  •  
  • 2. Waarom is er op het land maar bewijs van 4 glacialen? Welke 4 zijn dit (MIS-nummer)?
  •  
  • 3. Grafiek van 18O gegeven: a) Wat zijn de oranje lijnen (= terminations) en benoem ze b) Duidt de laatste twee galacialen en interglacialen aan c) Duidt het begin van het Holoceen aan d) Duidt MIS 5e aan en geef ook de juiste naam. Is dit een glaciaal, interglaciaal, stadiaal of interstadiaal?
  •  
  • 4. Kaart van noordelijke hemisfeer gegeven: a) Duidt de grote ijskappen aan die heersten in de NH en benoem ze b) Welk was de dikste ijskap en hoe dik was die gemiddeld?
  •  
  • 5. Geef 5 terrestrische bewijzen van glacialen en zeg erbij of continue/discontinue en een goede proxy/identification zijn.
  •  
  • 6. Grafiek van MWP-koralen gegeven: a) Kunnen alle koralen gebruikt worden voor zeespiegelcurves te reconstrueren? b) Waarom zijn koralen een goede geologische indicator voor zeespiegelstijgingen? c) Duidt aan: Younger Drias d) Hoe worden de stippelijnen die de curves verbinden genoemd en wat stellen ze voor?
  •  
  • Deel Mostaert
  •  
  • 1. Waarom bestaan de meanders in Vlaanderen uit 2 sets (kort en lang)?
  •  
  • 2. Loess in België: a) Hoe dik is het loess in België maximaal? b) Bespreek de homogeniteit van het loess c) Waarvoor wordt loess gebruikt in de industrie?
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018
  •  
  • Deel Bertrand
  •  
  • 1. Wat is het stratotype van het Holoceen? Wat zijn de voordelen en wat zijn de valkuilen van dit stratotype? (10p)
  •  
  • 2. Gegeven de grafiek voor mariene zuurstofisotopen. Waarvoor staan deze waarden? Duid alle terminations aan. Duid het Eemiaan aan en geef de nummer van MIS. (15p)
  •  
  • 3. Hoe kan je loessafzettingen gebruiken om glaciaal-interglaciaal cyclussen te reconstrueren. (5p)
  •  
  • 4. Waarom zijn er maar vier glacialen te zien op het land? (10p)
  •  
  • 5. Leg uit Heinrich events, wanneer, wat en waar? (10p)
  •  
  • 6. MWP 1a en 1b. Waar zijn de bewijzen te vinden en wanneer kwamen deze voor? Welk geologisch archief zou je gebruiken om ze te zien? (15p)
  •  
  • Deel Mostaert
  •  
  • 1. Hoe zijn de terassen gevormd bij de Maas en de Schelde en de Leie? Wanneer werden deze gevormd? Hoeveel terassen zijn er in Maastricht op het veld zichtbaar en waarom? (10p)
  •  
  • 2. Vergelijk de huidige Holoceen afzettingen en de afzettingen in Beerse en Sint-Lenaerts (5p)
  •  
  •  

Master - Major Basins and Orogens

Exploration Geophysics

Docent

David Van Rooij

Cursus

Amper 6 hoofdstukken (een zevende werd niet gegeven). Waaronder 1 inleiding, 3 over seismics, eentje over gravimetrie en magnetisme en de laatste gaat over elektromagnetische methodes. Vooral dit laatste is lastig aangezien het wat abstract is en redelijk lang is met verschillende technieken. Er bestaat ook een boek vanApplied Geophysics van Reynolds, een 592 pagina's lijvig boek, maar best wel een handig naslagwerk als je iets niet weet. Het boek niet gekend zijn en het lijken veel pagina's, maar van elke hoofdstuk kan je een pagina of 10 à 20 terugvinden in het boek. Schrijf nota's en let goed op in de les. Hij legt bepaalde accenten.

Practica

Enkele namiddagjes knoeien met programma's op seismic te processen (eerste single channel, dan multichannel en daarna 3D). Probeer met elke stap mee te zijn of je mag om de drie minuten je hand in de lucht steken en de assistent roepen. Het wordt niet gevraagd op het examen, maar het kan interessant zijn voor je thesis bijvoorbeeld.

Excursie

In september nog (tweede les) ga je twee dagen naar de kust (Oostende) voor wat geofysisch veldwerk: een pijp in het zand verstoppen en daarna met een gradiometer op zoek gaan, geofonen uittesten door te slaan met een hamer. Ook ga je nog eens op zee met de Simon Stevin. En wordt er een demonstratie gegeven van seismics. Je zou dat ook al moeten kennen.

Opdracht

20% van de punten valt al te verdienen tijdens het jaar. Een extended abstract schrijven van een paper (die opgave krijg je al vanaf de eerste les), dus zorg dat je er zeker op tijd aan begint, want anders kan je minpunten krijgen. Op een afgesproken datum moet je dan een presentatie geven. Beide staan op de helft. Nadien krijg je ook feedback (met punten) van zowel studenten als prof. Van Rooij. Je moet ook andermans abstracts gelezen hebben want je MOET vragen stellen. Dat wordt dan beloond met een afronding of een extra puntje.

Buis-o-meter

Leer de slides, kijk soms in het boek, zorg dat je (alles) het meeste verstaat. In de master zou je dat al moeten kunnen. Drie dagen leren voor het examen zou het klusje moeten klaren, mits enkele dagen inzet in de blok.

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2020-2021
  •  
  • 1. Oral question: landfill of 4 hectare in sand quarry – which 3 methods? Spatial resolution? Investigation depth? Which general survey strategy? Environmental concerns or precautions? 2/20
  •  
  • 2. 10 small questions, in total on 6/20:
  •  
  • • Aliasing, explain
  •  
  • • Schlumberger dinges given – which configuration is it? Explain with advantages and disadvantages
  •  
  • • Which methods can you use to find the EM velocity for GPR?
  •  
  • • Borehole signals given (gamma ray, SP, resistivity, neutron, …)? what do they represent and give small interpretation
  •  
  • • Reflection seismic profile given – which seismic artefacts do you see/expect and which processing methods would you suggest to improve the profile
  •  
  • • Which ambiguities and assumptions are there for gravimetric data and how would you solve this
  •  
  • • Explain hidden layers
  •  
  • • Membrane polarization vs electrode polarization
  •  
  • • Real/imaginary components advantage over regular tilt angle method
  •  
  • • Explain proton gradiometer
  •  
  •  
  • Examen 2019-2020
  •  
  • Written part
  •  
  • 1. Explain the theoretical and practical basis of VES (including limitations) and derive for each method the apparent resistivity.
  •  
  • 2. Survey for a company correlating seismic profile VS cores
  •  
  • (a) Which (geo)physical properties need to be obtained? How would you correlate the core with the seismic profile?
  •  
  • (b) Which methodology can be used to obtain these properties? Explain for each method shortly the acquisition and pitfalls.
  •  
  • (c) Which factors can cause miscorrelations? For which of these factors can be accounted for and which not?
  •  
  • Oral part
  •  
  • 1. Survey on a Portuguese area as large as a Belgian Province surching for carstic caves. The area is uninhabited and has rare forestation.
  •  
  • (a) Which three methods would you propose, give a geophysical explanation why you would use them and give the depth of investigation and spatial resolution for each method.
  •  
  • (b) What survey strategy would you use (crew, time, cost, material...)?
  •  
  • (c) What are the environmental influences and which precautions can be taken?
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018
  •  
  • 1. Refractieseismiek: geef principes, acquisitie, interpretatie (+formules 2-layer model) en pitfalls (5p)
  •  
  • 2. Metalliferous ores: Beste methodes (die het metallisch karakter gebruiken), Op welke principes werken die? Voordelen, nadelen en limieten van alle methodes
  •  
  • 3. Studie naar hydrocarbons over groot offshore gebied, a) welke methodes met limieten en resoluties zou je gebruiken (unlimited budget), welk principe werken ze b) survey strategie (werknemers, materiaal, tijd...), c) milieufactoren en voorbereiding
  •  
  •  
  • Examen 2015-2016
  •  
  • 1. What is VES: Give the theoretical and practical methods and limitations. Give for each method the apparent resistivity. (5p)
  •  
  • 2. An amplitude-frequention graph (seismics) is given. List and explain everything about source, setup, resolution, processing... (5p)
  •  
  • 3. In a large forested area in Europe, some copper-silver ore bodies are found in outcrops. You have the chance to examine this area. a) Give 3 most efficient methods in order for exploitation possibilities. Give also the limitations and the spatial resolution. b) Can you give an estimate of this survey (costs, crew, time,...) c) Do you have to take environmental problems or other precautions in account? (6p)
  •  
  •  
  • Examen 2011-2012
  •  
  • 1. Gegeven: een refractieseismogram van 1 horizontale laag Geef de formules en bereken: diepte z, intercept time, cross over distance, critical angle (afleiding maken in klad en zo de tot de formules komen)
  •  
  • 2. VES: wat zijn de theoretische en praktische methodes, geef bij allen de afleiding om de resestitviteit te berekenen (Wenner, ...)
  •  
  • 3. Geef overeenkomsten en verschillen tussen GPR en land reflection seismics. vergelijk op basis van methode, data verwerving, processing, interpretatie
  •  
  • 4. Verklaar Aliasing, Nettleton's method, Vibroseis, Chargeability, CMP Bin, ...
  •  
  •  
  • Examen 2009-2010
  •  
  • 1. Gegeven een de resistiviteiscurve van een Schlumberger-sondering (zelfde als in cursus). Wat vertegenwoordigen de punten A en B? Wat is de resistiviteit van de verschillende lagen en hun diepte? Bespreek de grootheid S en het belang ervan in het hydrogeologisch onderzoek?
  •  
  • 2. Bespreek de Self-potential variaties in het Noir Ri bekken
  •  
  • 3. Woordjes: convolutie, Q-factor, sferische spreiding en dynamische correctie
  •  
  • 4. Meerkeuze: Motiveer een keuze voor de seismische snelheid van lemig deklaag (200m/s, 300m/s, 600m/s, 1500m/s) en kalksteen-bedrock (600m/s, 2500m/s, 7500m/s, 9000m/s). Wanneer de leembedekking 11m dik is, en uitgaande van de gekozen snelheden: hoelang moet je array aan geofonen zijn opdat je zou waarnemen over een afstand die 3 keer groter is dan de waargenomen snelheidstak van de leemlaag in een x-t diagram (was zoietske, dus 3x uw crossover-distance Xc)
  •  
  • 5. Vraag computerpractica: gegeven een seismogram loodrecht op de voornaamste strekkingsrichting van de breuken in een KWS-bekken in Nigeria. Geef een overzicht van de verschillende stappen die je zal uitvoeren bij het uitkarteren van dit KWS-reservoir (visualisatie, interpretatie, ...)
  •  
  •  

Field Course: Biosphere Evolution and Stratigraphy

Docent

Stephen Louwye & Tijs Vandenbroucke

Cursus

Practica

Buis-o-meter

  •  
  • TWIEOOS

Geochronology

Docent

Johan De Grave & Dimitri Vandenberghe

Prof. De Grave zouden jullie ondertussen toch al moeten kennen, de lessen over AFT zijn zijn specialiteit en deze methode zal je dan ook uitgebreid in de les zien. Prof. Vandenberghe (a.k.a. Dimi) zal een aantal lessen geven over luminiscentie en alle overige dateringsmethodes. Prof. Vandenhaute zal een drietal lessen geven over de Aarde, Maan en de ruimte in het algemeen.

Cursus

Voor het deel van Prof. De Grave heb je een tweetal hoofdstukken die je kan afdrukken als je meer toelichting wil bij de slides, voor Dimi zijn deel zal je een boek volledig vanbuiten moeten leren maar dit valt nog mee aangezien de helft van het boek voorbeelden zijn. Voor Prof. Vandenhaute zal je een cursus van een 70tal blaadjes krijgen.

Practica

Je zal een paar namiddagen met QTQt een programma voor AFT-data leren werken.

Buis-o-meter

Een groot vak voor 6 studiepunten...

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2019-2020
  •  
  • Partim De Grave:
  •  
  • Q1. (1) Explain the pattern of the AFT ages along the fault and discuss the geological/tectonic evolution of the fault.
  •  
  • (2) Given: two AFT length distributions: one with a broader distribution and smaller lm, one with narrower distribution and higher lm). Which distribution belongs to the AFT age of sample 2 (higher in landscape, higher AFT age) and which to the AFT age of sample 7 (lower in landscape, lower AFT age? Explain!
  •  
  • Q2. Explain everything about electron capture and give an example of a widely used dating method in which it occurs (answer: used in K-Ar)
  •  
  • Q3. Downhole fractionation in U-Pb dating. Explain
  •  
  • Q4. Explain words (5-10 lines):
  •  
  • (1) alfa-ejection
  •  
  • (2) common lead
  •  
  • Partim Dimi
  •  
  • Q1. (1) Give all the dating techniques based on the accumulation of radiation damage.
  •  
  • (2) Indicate those that are of interest for Quaternary research. If not, then explain why not.
  •  
  • (3) Choose one method that you think is best for Quaternary studies, explain why. Give the principles of the method, abilities/advantages, weakness/limitations, and illustrate the method with an application.
  •  
  • Q2. Natural hazards: two questions were given but you could choose which one to answer ¯\_(ツ)_/¯ (tip: choose the question you will gain the most points with)
  •  
  • (1) How would you date the cyclicity (periodicity) of a tsunami deposit? Explain and give limitations and advantages.
  •  
  • (2) If you had to date another natural hazard. Choose a natural hazard and explain how you would date this event, give for each method used the limitations and advantages.
  •  
  • Q3. Explain:
  •  
  • (1) Wiggle matching
  •  
  • (2) SAR protocol
  •  
  • (3) isotopic fractionation
  •  
  • (4) U-Series dating
  •  
  • Partim Vandenhaute
  •  
  • Everyone gets another question that you can prepare on a paper and have to discuss with the professor (oral exam).
  •  
  • Examples: figure Hubble flow (derive formula for hubble flow, explain figure and what info it gives you), Tera s method for dating the universe, I,Xe-chronometer, formation interval, r-process, s-process, …
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018
  •  
  • Deel De Grave
  •  
  • 1. Je wilt een hele reeks samples in een reactor steken met glasdosimeters en standaarden, hoe ga je da prepareren, kalibreren en analyseren? Geef alle parameters van de ouderdomsvergelijkingen die je gebruikt
  •  
  • 2. A. Wat geef je allemaal in bij AFT QTQt? B. Bespreek de statistiek ervan en vergelijk deze met traditionele statistiek. C. Wat voor output krijg je en hoe interpreteer je deze?
  •  
  • 3. Woordjes (5): Secular equilibrium, TINT, α-ejection, Dpar, Detrital thermochronology
  •  
  • Deel Vandenhaute
  •  
  • 1. Leg alles uit over het onstaan van de melkweg, Os/Re en U/Th chronometers en nucleosynthesemodellen, ... (1 vraag per persoon)
  •  
  • Deel Vandenberghe
  •  
  • 1. Leg alles uit over de minimum detectielimiet van luminescentie
  •  
  • 2. Bespreek alle problemen bij radiocarbon in mariene reservoirs
  •  
  • 3. Woordjes (9): Lichenometry,Isotopic fractionation, SAR Protocol, Cosmogenic nuclide, Wiggle matching, AMS, Accuracy and precision, Anomalous fading, Dose rate (annual dose)
  •  
  •  
  • Examen 2016-2017
  •  
  • 1. Tijdens een onderzoek is iets fout gelopen met het monster. Het apatietkristal is niet geëtst vooraleer het samen met de ED te bestralen. A. Voor welke problemen zorgt dit. B. Hoe zou je dit oplossen. C. Teken het histogram van het failed sample.
  •  
  • 2. Leg uit in 10 zinnen: annealing model
  •  
  • 3. Verklaar: Geometry ratio. Is dit altijd hetzelfde? Indien het veranderd, leg uit
  •  
  • 4. 10 woordjes: electron capture + vb, alfa-inplantation, confined tracks, rho-d, epithermal neutrons, closing temperature, zetafactor,..
  •  
  • 5. Lengtedistributie en AFT-ages van 2 samples gegeven. Teken het annealing model van deze 2 samples en vul de assen aan
  •  
  • 6. Geef alle soorten dating techniques o.b.v. radiation damage. Leg deze kort uit en geef van alle de limitations, voordelen en een voorbeeld
  •  
  • 7. Hoe zou je de cycliciteit van een tsunamideposit dateren
  •  
  • 8. 10 woordjes: AMS, sclerochronologie, SAR protocol, Bayesian analysis, isotopic fractionation, orbital tuning, isotones, fish canyon tuff apatite, isochrone method, cosmogenic nuclide, U-series, wiggle matching...
  •  
  • 9. 2 figuren mondeling gaan uitleggen met voorbereiding: Holmes Houtermans (of variant), r- & s-processen, I,Xe-evolution path of stars, Pb-Pb dating, hoe aan ouderdom aarde geraken
  •  
  •  
  • Examen 2014-2015
  •  
  • Deel De Grave
  •  
  • 1. Gegeven een figuur met een breuk met verschillende, genummerde AFT ouderdommen. Deze dalen langsheen het breukvlak
  •  
  • 2. A. Verklaar het patroon van AFT ouderdommen en bespreek de geologische/tektonische evolutie van de breuk. B. (gegeven 2 AFT lengtedistributies: eentje met brede distributie en lagere lm, en eentje met smalle distributie en hogere lm) Welke distributie hoort bij AFT ouderdom van punt 2(hoger gelegen, hogere AFT ouderdom) en welke van punt 7(lager gelagen langs breukvlak en lagere AFT ouderdom)
  •  
  • 3. A. Wat is εt(Hf)? Geef de formule en leg de factoren en constanten uit. B. Hoe ziet de evolutie van de εt(Hf) van mantel- en korstgesteenten eruit ? (Maak bij voorkeur een diagram). C. Duidt de εt(Hf) van de BSE aan.
  •  
  • 4. Bespreek alpha-ejection. Welke problemen levert dit in thermochronologie? Hoe wordt dit probleem opgelost?
  •  
  • Deel Vandenberghe
  •  
  • 1. Verklaar alle methodes in verband met accumulatie van radiatie. (Luminescentie, ESR, FT, alfa-recoil,…)
  •  
  • 2. Geef alle groepen met decay/accumulation van radionuclids. Bespreek 1 methode helemaal (basics, use, source of errors) en motiveer waarom je deze koos.
  •  
  • 3. Tephra layers are import horizont markers. Verklaar en legt uit hoe je dit dateert.
  •  
  • 4. Geef het verschil tussen accuracy and precision
  •  
  • 5. 5 woordjes : Wiggle-match, SAR protocol, Isotopic fractionation, Oxygen Isoptope Chronostratigraphy, Remanent Magnetism
  •  
  • 6. Bespreek alle Kwartaire dateringsmethoden die gebaseerd zijn op stralingsschade.Wat zijn de voordelen en wat zijn de beperkingen van elke methode. Geef bij elke methode een toepassing aan de hand van een voorbeeld
  •  
  •  
  • Examen 2013-2014
  •  
  • Deel De Grave
  •  
  • 1. ED methode
  •  
  • 2. Wat is Ehf? Geef de formule en bespreek differentiatie van de aarde (met schema)
  •  
  • 3. Gegeven: aft ouderdommen in een breukschema. Bespreek de geologische geschiedenis van de breuk
  •  
  • Deel Vandenberghe
  •  
  • 1. Bespreek de dateringsmethodes die gebaseerd zijn op stralingsschade
  •  
  • 2. Bespreek de onevenwichten in de U-series
  •  
  • 3. Een glacio-geoloog wil een dateringskader bepalen. Welke methodes raad je hem aan?
  •  
  • 4. Woordjes: wiggle, AMS, aminostratigrafie, isotopische fractionatie
  •  
  •  

Micropaleontology and Paleo-environmental Reconstruction

Docent

Stephen Louwye, Thijs Vandenbroucke, Robert Speijer, Etienne Steurbaut

Cursus

Practica

Buis-o-meter

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2020-2021
  •  
  • PARTIM LOUWYE
  •  
  • 1. In Lower Jura they found a Lowstand Wedge. You need to explain what you would find (microfossils and palyonomorphs) in this wedge (lowstand systems tract) and also explain what paleo-environmental information you can get based on those microfossils and palynomorphs. (15 pt/20 pt of part of Louwye)
  •  
  • 2. Explain the paleobiology of the dinoflagellate cysts (morphology, habitat, reproduction, taphonomy) (5pt/20 pt of part of Louwye)
  •  
  • PARTIM SPEIJER
  •  
  • 1 Een gesteente bestaat uit 3 eenheden: een onderste klei-eenheid van 90% Textulariina, daarboven een mergellaag met 90% Miliolina en daarboven een mergellaag met 90% Globigerinina en de rest waren Rotaliina.
  •  
  • (a) Bespreek de verschillende morfologieën en samenstellingen van deze 3 subordes.
  •  
  • (b) Wanneer komen deze groepen voor?
  •  
  • (c) en wat valt af te leiden uit deze gegevens ivm het paleomilieu?
  •  
  • (d)Als je nu deze core wil vergelijken met de delta O 18 curve, op welke laag zou je je baseren en welke forams zou je kiezen en leg uit waarom?
  •  
  • PARTIM HEARING
  •  
  • 1. Given: a microscopic picture of a Chitinozoan + paper about Chitinozoa. Asked: Give a technical description of this given organism (without taxonomy)
  •  
  • 2. a) Wat zou je vinden in een silurian staal dat geprepareerd was volgens standaard palynological techniques? b) Geef 1 voorbeeld van wat je kan doen voor paleoenvironmental of ecology reconstructie met conodonten.
  •  
  • 3. Zo gelijk de correlatie oefening van log A, B en C, maar dan maar eentje en je moest niet correleren - wel in biozones opdelen en missing biozones aanduiden.
  •  
  •  
  • Examen 2019-2020
  •  
  • PARTIM LOUWYE
  •  
  • 1. Explain the chemical and physical taphonomy processes of Diatoms and Dinoflagellates and explain why the fossil record is not representative for the living organisms at that time.
  •  
  • 2. Drilling in Low Stand Fan in Jurassic. What wil you find (trend, fossils...) when going from bottem to top of the drilling and why appear/disappear certain microfossils
  •  
  • PARTIM SPEIJER
  •  
  • 1. (a) What phylum and order represents the most modern Ostracods?
  •  
  • (b) Give the environment en living mode of these modern Ostracods.
  •  
  • (c) Compare stratigraphy, paleo-environment and paleoclimatology reconstructions between Forams and Ostracods
  •  
  • PARTIM HEARING
  •  
  • 1. Given: a microscopic picture of a Chitinozoan + paper about Chitinozoa. Asked: Give a technical description of this given organism (without taxonomy)
  •  
  • 2. Given: Ordovican stratigraphy with Conodont/Chitinozoa biozones, explaination Conodont of biozones
  •  
  • Asked:
  •  
  • (a) What are the fossil groups you can find after palynogical microscopic preparation of an Ordovician marine siliciklastic rock?
  •  
  • (b) Correlate and construct the biostratigraphy with biozones found in 2 different cores.
  •  
  • (c) Give the main paleo-environment and paleoclimate reconstructions for Conodonts.
  •  
  •  
  • Examen 2018-2019
  •  
  • Speijer's questions
  •  
  • 1. Explain the P/B ratio.
  •  
  • 2. For which time interval(s) can we use this method?
  •  
  • 3. Give an example for which you can use this method and explain the advantages and limitations of this method.
  •  
  • Vandenbroucke's questions
  •  
  • You work for a company that decides to drill into a basin with deposits of the UPPER ORDOVICIUM (cross section of the basin shown on a picture). Two locations in the drill-hole are marked with one of them located in a open-marine facies and the second one in a younger shallow-marine facies.
  •  
  • 1. Give in steps and explain how you need to prepare a sample to analyse the microfossils/paynomorphs.
  •  
  • 2. What are the microfossils/palynomorphs that you are going to find from the open-marine facies sample?
  •  
  • 3. How is the relative abundance of the microfossils/palynomorfs going to be in the shallow-marine facies sample compared to the open-marine facies sample?
  •  
  • Louwye's questions
  •  
  • 1. Describe the phylogenetic relation between acritarchs and dinoflagellates.
  •  
  • 2. Why is the fossil record of dinoflagellates selective to a certain degree?
  •  
  • 3. Give the paleoecology of the diatoms and give a good example about what they can be used for.
  •  
  • Steurbaut's questions
  •  
  • Calcareous nannoplankton
  •  
  • 1. Give the definition.
  •  
  • 2. Explain the preservation.
  •  
  • 3. What are the benefits of using calcareous nanaplankton and disadvantages?
  •  
  • 4. What is the second thing that they are usefull for next to biostratigraphy?
  •  
  • 5. Give 2 suborders of calcareous nanoplankton and give some general information about them, plus explain their optical properties.
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018
  •  
  • Deel Vandenbroucke
  •  
  • 1. Lab treatment of palynomorfs
  •  
  • 2. Which microfossils can be found after treatment? Give for each group: paleobiology, stratigraphic range, use in Ordovician
  •  
  • 3. Give the realtive abundances of groups influenced by depth ( he gave a figure with biofacies)
  •  
  • Deel Steurbaut
  •  
  • 1. Definition, evolutionary history, taphonomic history, strengths and weaknesses in applications of calcareous nannofossils, zygodiscaceae
  •  
  • Deel Louwye
  •  
  • 1. Morphology, distribution, reproduction,... of dinoflagellates
  •  
  • 2. A biofacies is found in the shallow part of a basin and is dated 15Ma, the same biofacies is also found in a deeper part of the basin, dated at 13.2Ma. Explain (diachronous biofacies boundaries)
  •  
  • Deel Speijer
  •  
  • 1. How would you approach and look for if you want to reconstruct the paleoenvironmental conditions?
  •  
  • 2. What variations would you expect along the N-S transect
  •  
  •  
  • Examen 2016-2017
  •  
  • 1. Leg uit Kalkschalige nannofossielen: general definition, time range, spatial distribution, applications, strength/weakness, coccolithaceae
  •  
  • 2. We behandelen sample met HCl en HF. We zeven de resterende korrels. Welke microfossielen vind je in de kleine en welke in de grote fractie. Dit voor een mudstone sample uit het ordovicium. Als we hetzelfde herhalen voor een sample uit het siluur, welke microfossielen vinden we dan?
  •  
  • 3. Een sequencie van TST in het gedecalcificieerde Eoceen op lage latitude. Verklaar de biofacies van bottom to top (aan de hand van de microfossielen). En verklaar welke palynomorfen/microfossielen aan- of afwezig zijn in de sequentie
  •  
  • 4. ???
  •  
  •  
  • Examen 2014-2015
  •  
  • 1. Bespreek hoe foraminiferen gebruikt kunnen worden voor de studie van het paleoklimaat in het Cenozoicum (en het Quartair). En wat kunnen non-mariene ostracoden hier bij helpen?
  •  
  • 2. Een fossiele walvis wordt ontdekt in het gedeeltelijke gecalcificieerde Eoceen van Peru. Er moet een nieuw onderzoek gedaan worden naar ouderdom, stratigrafie en ecologie. Hoe pak je de campagne aan en welke expertise heb je nodig?
  •  
  • 3. Een sequencie van TST in het gedecalcificieerde Eoceen op lage latitude. Verklaar de biofacies van bottom to top (aan de hand van de microfossielen). En verklaar welke palynomorfen/microfossielen aan- of afwezig zijn in de sequentie.
  •  
  • 4. Bespreek de groep Chitinozoa (age, ecology, stratigraphy, morphology) en geef enkele toepassingen.
  •  
  •  
  • Examen 2013-2014
  •  
  • 1. Bespreek de paleobiologie van dinoflagellaten. Bespreek hoe ze bruikbaar zijn in paleomilieureconstructies en geef een voorbeeld
  •  
  • 2. Een gesteente bestaat uit 3 eenheden: een onderste klei-eenheid van 90% Textulariina, daarboven een mergellaag met 90% Miliolina en daarboven een mergellaag met 90% Globigerinina. (a) Bespreek de verschillende morfologieën en samenstellingen van deze 3 subordes. (b) Wanneer komen deze groepen voor? (c) en wat valt af te leiden uit deze gegevens ivm het paleomilieu?
  •  
  • 3. Bespreek waar in België (mogelijks) aardgas/olie te vinden is
  •  
  • 4. Stel je voor dat je een specialist bent in kalkschalig nannoplankton. En je krijgt de opdracht om een magnetostratigrafische reconstructie te maken van het Ypresiaan van het zuidelijk Noordzeebekken. Hoe ga je tewerk? Welke groepen komen hiervoor in aanmerking? En welke andere (minstens 2) vakgebieden zou je nog kunnen gebruiken om extra informatie te verzamelen?
  •  
  •  
  • Examen 2011-2012
  •  
  • 1. Welke geologische problemen kunnen opgelost worden met behulp van Conodonten?
  •  
  • 2. Bespreek de evolutie van de orde foraminiferen. Bespreek op welke structuren de verdere onderverdeling gesteund is. Geef onderverdelingen met belangrijkste kenmerken. Bespreek ook de fylogenie van deze evolutie
  •  
  • 3. Bespreek welke paleomilieureconstructies uitgevoerd kunnen worden met foraminiferen en ostracoden. Bespreek de voor en nadelen tegenover elkaar
  •  
  • 4. Een klakhoudende klei afzetting van kayadablabla formatie oekraine uit midden-ypresiaan. Hoe gebeurt het onderzoek met nannofossielen? Bespreek vanaf de preparatie tot de analyse. Welke species denk je tegen te komen en het biostratigrafisch belang
  •  
  • 5. Hydrocarbon-research in Belgium. Waar kunnen ze voorkomen? geef structuren in belgie waar ze mogelijk zitten. bespreek ook de analysetechnieken die hiervoor gebruikt worden
  •  
  • 6. Een HST sequentie op 40°N op de buitenste shelf met Selandiaan ouderdom (Nu denk je waarschijnlijk Selandiaan nog een geluk dat de prof me wist te vertellen dat het redelijk recent was, jammer genoeg voor mij liggen onze definities van recent wat ver uit elkaar). Je doet een boring, welke palynomorfen en microfossielen denk je tegen te komen en wat vertellen deze over het milieu en de geologie?
  •  
  •  
  • Oudere twieoos
  •  
  • Bespreek het verschil tussen Braarudosphaerae en Discoasteraceae en in welke omgeving komen zij heden ten dage vooral voor?
  •  
  • 5 criteria waarom kalkschalig nannoplankton belangrijk is voor biostratigrafie
  •  
  • Bespreek het gebruik van forminiferen en ostracoden in paleobathymetrisch onderzoek
  •  
  • Bespreek cryptosporen: morfologie, affiniteit, gebruik in de geologie
  •  
  • Bespreek de ecologie van de silicieuse microfossielen en geef enkele toepassingen
  •  
  • Over de exacte affiniteit van conodonten is nog veel discussie. Bespreek en geef jouw mening (echt waar)
  •  
  • Bespreek de voor- en nadelen van het gebruik van Conodonten in stratigrafie
  •  
  • Wat is het stratigrafisch belang van Kalkschallige Nannofossielen (5 criteria) en definieer biozone NP12
  •  
  • Wat is het verschil tussen coccolieten van de Coccolithaceae en de Princiaceae
  •  
  • Wat is het belang van bentische en planktische foraminifera bij het bepalen het paleoklimaat. Structureer uw antwoord op 1 tot max. 2 bladzijden
  •  
  • Welke geologische problemen kan je oplossen door het gebruik van dinoflagellaten? Argumenteer en illustreer waar nodig met een voorbeeld. Schrijf 1 tot max. 2 bladzijden
  •  
  • Een buitenlandse firma vraagt u als Belg of een nota van 1 à 2 bladzijden te schrijven over waar er in België allemaal Koolwaterstoffen (zouden kunnen) zitten. Bespreek meteen kort wat alle voorwaarden zijn opdat aardolie zou kunnen ontstaan. (nota van een oudwebpraeses van 2007-2008 (nvdr: =Tom Jottier): dit is een denkvraag. Eigenlijk moet ge ook de plaatsen bespreken waar het niet zit en zeggen waarom het daar niet zit.)
  •  
  •  

Origin, Evolution and Modelling of Sedimentary Basins

Docent

Jeffrey Poort & Marc De Batist

Cursus

Drie lessen van prof. De Batist, met vijf hoofdstukken: 1. Introduction, 2. Basins formed by Lithospheric Stretching, 3. Basins formed by Lithospheric Flexure, 4. Basin associated with strike slip deformation en 5. Reconstruction of subsidence history and thermal evolution. Twee lessen van prof. Poort, met acht hoofdstukken: 1. Introductie, 2. Basin Analysis Concepts, 3. Basin modelling basics (1D), 4. McKenie Model, 5. Case Study in 1D Subsidence, 6. Numerical modelling, 7. Basin modelling in 2D en 8. MatLab, PdeTool & Comsol.

Practica

De oefeningen op de slides bij Poort worden tijdens de les zelf gemaakt, ook heeft hij enkele extra oefeningen bij die je maakt tijdens de les, enkele daarvan zijn ook op de PC.

Buis-o-meter

Er zijn enkel slides, geen cursus, maar daar staat het meeste zeker al in. De lessen van Poort zijn iets moeilijker te begrijpen als je enkel de slides hebt, daar is het dus zeker handig als je naar de les gaat.

  •  
  • TWIEOOS
  • Herexamen 2021-2022 (versie 1)
  •  
  • Vs woordjes (5)
    Release bend fault basin vs overstep basin
    Foreland basin
    Compaction vs porosity loss
    Indicators of heat ... (forams, condodonten, Clay,..)
  •  
  • 4 redenen waarom mckenzie model te eenvoudig is, leg uit en hoe los je dit op (1 voorbeeld)? (5)
  •  
  • Poort
  •  
  • Woordjes (5)
    Lithostatic en hydrostatic pressure
    Impliciet expliciet
    Boundary van dirichlet and neumann
    Effective elastic tickness
    ...
  •  
  • Reconstruct the backstripping formula (most simple version) and how deep was the original water depth before sedimentation? (2.5)
  •  
  • 1D heat equation, what are the boundary conditions? How would you solve it, wich method? What do you still have to know before you solve it?(2.5)
  •  
  •  
  • Examen 2020-2021
  •  
  • De Batist's questions
  •  
  • 1. McKenzie assumpions: explain why these are not always valid (5/20): 1) Heat flow in 1D by conduction, 2) Instantaneous stretching, 3) stretching by pure shear
  •  
  • 2. What affects the thermal evolution and distribution in a basin and how can you reconstruct the maximum reached temperature of the sediments? (5/20)
  •  
  • Poort's questions
  •  
  • 1. 6 short explanations, each on 1/20: lithostatic vs hydrostatic pressure - implicit vs explicit method - how many boundary conditions needed for 1D steady state conduction equation - kinematic vs dynamic modelling - Airy vs flexural isostasy - tectonic subsidence
  •  
  • 2. Derive the backstripping equation without sealevel changes. (2/20) + What would the resting water depth be if 500m sediment would accumulate in a 1000m deep basin (densities are given)? (2/20)
  •  
  •  
  • Examen 2019-2020
  •  
  • Partim De Batist
  •  
  • 1. Strength profiles of continental lithospheres. Explain these strength profiles. When and where earthquakes would occur on these profiles? Explain.
  •  
  • - of a two-layered crust
  •  
  • - of thick continental crust
  •  
  • 2. Sedimentary basins have a thermal history.
  •  
  • A. What are the factors, besides normal temperature increase with depth (geotherm), that influence the thermal distribution throughout the sedimentary basin.
  •  
  • B. What methods can be used to determine the thermal maturation (after extracting the sediment through coring, so direct methods used on the sediment samples)? Aswer: organic substances, minerals, microfossils... or see last chapter of his lessons)
  •  
  • Partim Poort
  •  
  • 1. Woordjes: Thermal stress, Effective elastic thickness, Tectonic subsidence, + nog 2 woordjes die al in de twioos staan (ben even vergeten welke het waren)
  •  
  • 2. Calculate the subsidence of a lithosphere with a thickness of 120 km that is thinned with a ß-factor of 1,5. How much more subsidence is there if the water in the basin is filled with sediment?
  •  
  • 3. Given the 1D heat differential equation with no heat production: A. Explain explicit and implicit method, which method gives the most stable result? B. How many boundary conditions are needed? C. If we use a depth discretization of 20 km what will be an appropriate time step to adopt if we use the explicit method? D. Does McKenzie in his paper (1978) work out an analytical or a numerical solution of this equation?
  •  
  •  
  • Examen 2018-2019
  •  
  • De Batist's questions
  •  
  • 1. When McKenzie published his model for uniform stretching in 1978, he made some assumptions. Explain for the following assumption why they are not always true: stretching is pure shear (2p), stretching is instantaneous (1p), the heat flow is 1D (vertical) by conduction (2p).
  •  
  • 2. In geohistory analysis there are some corrections that need to done. What are these corrections and explain why you have to apply them. (5p)
  •  
  • Poort's questions
  •  
  • 1. Explain the following words: deviatoric stress, kinematic vs dynamic modelling, backstripping, Neumann vs Dirichlet Boundary conditions & tectonic subsidence (2,5p)
  •  
  • 2. Calculate the subsidence of a lithosphere with a thickness of 120 km that is thinned with a ß-factor of 1,5. How much more subsidence is there if the water in the basin is filled with sediment? (2,5p)
  •  
  • 3. Given the 1D heat differential equation with no heat production: A. Explain explicit and implicit method, which method gives the most stable result? B. How many boundary conditions are needed? C. If we use a depth discretization of 20 km what will be an appropriate time step to adopt if we use the explicit method? D. Does McKenzie in his paper (1978) work out an analytical or a numerical solution of this equation? (5p)
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018
  •  
  • Deel De Batist
  •  
  • 1. Two strength profile were given, explain (profile of 2-layered and very thick continental lithosphere)
  •  
  • 2. Active versus passive rifting, explain. How can you distinguish them (if possible) based on geophysical and topographic characteristics?
  •  
  • Deel Poort
  •  
  • 1. Explain briefly: Tectonic subsidence, Neumann vs Dirichlet boundary conditions, Effectice elastic thickness, Backstripping, Kinematic vs dynamic modelling
  •  
  • 2. 1D heat differential equation with no heat production ( equation was given): A. Explain explicit and implicit method, which method gives the most stable result? B. How many boundary conditions are needed? C. If we use a depth discretization of 20 km what will be an appropriate time step to adopt if we use the explicit method? D. Does McKenzie in his paper (1978) work out an analytical or a numerical solution of this equation?
  •  
  • 3. Calculate subsidence: beta is 1.5, initial lithosphere is 120km thick. How much more subsidence is there if the water in the basin is filled with sediment?
  •  
  •  
  • Oudere vragen
  •  
  • Deel De Batist
  •  
  • Give the corrections (explain them) and reason why they are used
  •  
  • Give the differences between the Bouger gravity profile of a rift basin and that of a ocean trench (drawing + explanation)
  •  
  • Draw the time-depth profile and explain (for a rift basin, foreland basin or strike slip basin)
  •  
  • Methods to measure subsurface porosity
  •  
  • Give the assumptions of lithospheric extensional model of McKenzie
  •  
  • Explain strength-depth diagrams (layered/…layered crust)
  •  
  • Explain these words: lithospheric buckling, under compaction,…
  •  
  • Deel Poort
  •  
  • Give the difference between passive and active rifting
  •  
  • How would you discern 2 processes based on geographic and topographic characteristics that are of a rift basin
  •  
  • Explain these words: Lehman, effective stress, lithospheric buckling
  •  
  • Exercise: Basin (B = 1.5), lithospheric thickness (120 km), density of water, sediment,… given: How much more subsidence occurs if the water is filled with sediment?
  •  
  • Explain: Airy vs flexural isostacy, Kinematic vs dynamic model, Neumann vs Dirichlet boundary, Young modulus vs poisson ratio
  •  
  • 1D heat flow differential equation with no heat production (you have to give this): What is assumed … the special use of the … in this equation?
  •  
  • Explain with grid explicit and implicit method for the 2nd order finite differential? Of the 1D equation and explain which one of the 2 gives the most stable… How many boundaries are needed to solve the 1D heat flow?
  •  
  • If we use a depth of 20 km, what time step do we have/get if we use the explicit method?
  •  
  •  

Advanced Sedimentology

Docent

Maarten Van Daele (sinds 2020-2021)

Cursus

One of the smaller courses from your masters. Should be no problem with a bit of studying.

Opdracht

When learning about age-depth modeling, you will choose an area, make your age-depth model, interpret this and write maximum 3 pages with figures includes. This task counts for 25% of the 20 pt.

Buis-o-meter

You have to present a paper (with a classmate) for the rest of the class, it's not evaluated, but you have to know the take home message of every presentation for the exam. There are also 3 guest lectures. 25% of the total grade is on a group report where you need to construct an age-depth model.

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2020-2021
  •  
  • 1) given graphs are TOC, bio-Si, age depth model. (7p)a. Assuming carbonates are negligible, draw the graph for terrestrial grains. b. Draw the terrestrial grains accumullation rate, MS, L* and add the units to the axis label. c. What is the best method to measure the carbonates? d. Give two method with which you can measure the organic matter. e. Assuming varves are present in the sediment core, which type of varves can be observed looking at the sediment compositions (graphs). This can vary through the core. f. By what can the jump in the graphs be explained? (excluding errors)g. With what dating method was the age depth model most likely made?(some question about how to know something about biogenic silica from XRF data?)
  •  
  • 2)Given graphs are grainsize EM1, grainsize EM2, grainsize with both end-member models. (5p?) a. draw the mean grainsize b. draw the grainsize distribution at 8 and 16 kyr BP c. What method would you use to measure the grainsize d. Assuming one of the input is dust and the other river input, which EM would you say is dust and why? e. If you have all resources and money available, how would you continue the research to be sure that that EM sources are dust and river input? f. Say these data span the last 100 ka. How can you link it with the climate?
  •  
  • 3) Given figure of canyon system, with two possible coring locations related to paleoseismic research (5p?) a. Which core would you chose to do and why? b. Why is it better to take two or more cores instead of one. c. How would you analyse these cores. Give in chronological order and briefly give the key points in bullet points.
  •  
  • 4) Given a figure of a lake with rivers indicated. (8p) a. indicate on the figure 1. zone where you would find thickest earthquake triggered turbidite; 2. zone where you can find the best cores to study earthquake triggered turbidites; 3. zone where the flood turbidites are best representative. b. give 2 analysing techniques to distinguish turbidites triggered from earthquakes and floods c. Give 2 more methods to distinguish the two d. For the past 100yr the lake has been in a state of eutrophication (with the sediment composition same as in exersise 1). Give 2 methods with which you would prove this? Methods using the sediment.
  •  
  • 5) Given an abstract submitted for a science conference, why was this rejected? (4p) (was abstract about cores (7/8) all over the world, that prove Ca/Si as proxy for carbonate productivity. Their theory proven by doing ICP-MS and XRF Ca/Si ratios)
  •  
  • 6) When would you prefer to use a Stokes settling law-based instrument (e.g. sedigraph) above a laser particle size analyzer?
  •  
  • 7) Question different for everyone, describe how you would do a sedimentological study of a certain environment with limited budget. vb lake productivity in Western-Canada since the Last Glacial Maximum
  •  
  •  
  • Examen 2019-2020
  •  
  • 1) which 2 core scanning/logging techniques/methods/instruments are the most used for determining the organic mater concentration. What are the advantages, disadvantages and limits of these techniques/methods/instruments?
  •  
  • 2) a)Which proxies (max 2) would you use to determine the sediment coming from river runoff in the Cariaco basin (Venezuela) and which technique would you use to measure them?
  •  
  • b) Which calibration curve would use to obtain chronological radiocarbon ages?
  •  
  • 3) given: end-member distribution of 2 end-members and the fraction of each end-member over time. Draw the whole grain size distribution at 5, 17 and 25 kyr cal BP. Draw a curve of the mean grain size over time
  •  
  • 4) given: age depth model, carbonate and TOC. There is no Biogenic silica. Draw the curve for Magnetic susceptibility, density, terrigenous particles, L*, label the corresponding axises and give the units.
  •  
  • 5) given: rejected abstract from a science conference. Why was this rejected?
  •  
  • 6) When would you prefer to use a Stokes settling law-based instrument (e.g. sedigraph) above a laser particle size analyzer?
  •  
  • 7) Question different for everyone, describe how you would do a sedimentological study of a certain environment with limited budget. vb lake productivity in Western-Canada since the Last Glacial Maximum
  •  
  •  
  • Examen 2018-2019
  •  
  • 1. Compare advantages and disadvantages of TOC with LOI550
  •  
  • 2. Graph of counted diatom valves (lake) and alkaline extracted BSi.
  •  
  • A. How do they compare, are they compatible? Why (not)? What are potentional issues?
  •  
  • B. How would an XRF scan look like, what would you scan and how would it compare?
  •  
  • 3. A glaciologist asks you to help scan an ice core to find large volcanic eruptions. How would you help and what parameters would you analyse?
  •  
  • 4. Graph of TOC, carbonates and age-depth model. There is no BSi. Draw the curves for: BSi accumulation rate, MS, bulk density, terrigenous particle accumulation rate, L*
  •  
  • 5. Given: an abstract which was rejected for a science conference. Explain why? (very shitty proxy, validated etc.)
  •  
  • 6. When would you prefer to use a Stokes settling law-based instrument (e.g. sedigraph) above a laser particle size analyzer?
  •  
  • 7. Error 404 Twieoo not found
  •  
  • 8. Question different for everyone, describe how you would do a sedimentological study of a certain environment with a certain objective. Example: Anthropogenic impact in New Zealand Alps lakes.
  •  
  •  
  • Examen 2015-2016
  •  
  • 1. Which methods/techniques would you use?
  •  
  • A. Glacial-interglacial variability in carbonates in middle Pacific Ocean.
  •  
  • B. Very thin and fine grained turbidites in lake core.
  •  
  • C. Modern accumulation rates in estuaria environment.
  •  
  • 2. Is the LOI550 compatible with TOC method to determine organic matter? Yes, what are the difference. No, how would you solve it?
  •  
  • 3. Pb-pollution in the last millennial. Given: a core with some tephra layers. Where and how would you date in order to reconstruct a age-depth model?
  •  
  • 4. Some curves are given (age-depth, terrigenous fraction and Biogene silica). Give the trends for bulk sedimentation, accumulation rates, Magnetic Susceptibility and TOC. There is no carbonate in the core.
  •  
  • 5. Unlimited budget for a research proposal. How would you investigate certain area and topic (from collecting to analysis). Every student has another question (tsnunamis in Late Holocene, contourites from LGM, dust influx in Africa,...)
  •  
  •  

Field Course: Geology of Basins and Orogens

Docent

Johan De Grave & Marc De Batist

Cursus

Practica

Buis-o-meter

  •  
  • TWIEOOS

Imaging Techniques of Consolidated and Unconsolidated Sediments

Docent

Veerle Cnudde

Cursus

Practica

Buis-o-meter

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2020-2021 Versie 1
  •  
  • Oral exam (due to covid) (there may be multiple versions)
  •  
  • Part 1: Concepts and processes: (8)
  •  
  • 1.1 Describe the different imaging and analytical modes of SEM (6)
  •  
  • 1.2 Briefly describe the following concepts (2):
  •  
  • 1. Image noise
  •  
  • 2. Partial volume effect
  •  
  • Part 2: Setting up a research plan:
  •  
  • 2.1. You want to visualize water uptake inside the pores of Savonnière building stone. You are provided with a cylindrical sample of 5 cm diameter and 10 cm height. What would be your workplan? (8)
  •  
  • Describe the procedure:
  •  
  • - Sample preparation
  •  
  • - Techniques used and the data that will be obtained by the technique(s)
  •  
  • - Reason why you select this approach + advantages/disadvantages of the selected technique(s).
  •  
  •  
  • Examen 2020-2021 Versie 2
  •  
  • Part 1: concepts & processes
  •  
  • 1.1 Describe the different imaging and analytical modes of SEM (6)
  •  
  • 1.2 Briefly describe the following concepts (2)
  •  
  • - MLA
  •  
  • - XRF
  •  
  • Part 2: Setting up a research plan:
  •  
  • 2.1. You have a dense ore material of 10 cm in all dimensions. You want to know its internal 3D structure. What would be your workplan? (8) Describe the procedure:
  •  
  • - Techniques used and the data that will be obtained by the technique(s)
  •  
  • - Reason why you select this approach + advantages/disadvantages of the selected technique(s).
  •  
  • (Dit was een (online) mondeling examen, dus er waren meerdere versies van examenvragen dit jaar)
  •  
  •  
  • Examen 2019-2020
  •  
  • PART 1: Concepts and processes
  •  
  • 1.1 Explain following terms in max. 4 lines: FIB-SEM (1,5), maximum volume effect (1), noise (1), BSE (1) and ... (1)
  •  
  • 1.2 Explain synchrotron and give one advantage and one disadvantage (2)
  •  
  • 1.3 Explain closing (1)
  •  
  • 1.4 Correct or incorrect: You can detect F with a hand-held XRF + Explain (1,5)
  •  
  • PART 2: Research question
  •  
  • 2.1: Given, a sample of 2mm in all directions. You want to know the chemical composition in 3D. Which technique(s) would you use, which data is acquired, give the advantages and disadvantages of these techniques. (4)
  •  
  •  
  • Examen 2018-2019
  •  
  • 1. Bespreek FIB-SEM: naam, principe, voor en nadelen (5/16)
  •  
  • 2. Wat is closing (1/16)
  •  
  • 3. Kan je C en O zien met XRF? ja/nee en waarom (2/16)
  •  
  • 4. Hoe kan je SNR verbeteren (1/16)
  •  
  • 5. Wat is dual thresholding (1/16)
  •  
  • 6. Hoe zou je een sample van 50x10 die mag kapot gaan bestuderen als je fluid flow behaviour wil weten? sample strategy, methods, advantages & disadvantages (6/16)
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018
  •  
  • 1. Kan je met xrf een resolutie van 100nm halen? zo ja hoe. zo nee waarom?
  •  
  • 2. Sem-edx. leg uit principe.
  •  
  • 3. Core van 50 cm en 10cm diameter. hoe ga je poresizedistribution onderzoeken?
  •  
  • 4. Sample 8*8*8cm groot. methode neutron tomographie: Real time water movement & microfissure tracks (700nm). Kan je dit doen waarom wel/niet hoe zou je het wel doen? wat raad je aan?
  •  
  •  
  • Examen 2015-2016
  •  
  • Versie 1
  •  
  • 1. Structure and grain size of a large heterogeneous sample of 10x10x10 cm. Which methods would you use? Would you use a destructive or non destructive protocol? What's the output of the methods? Main question so write a lot!
  •  
  • 2. Give at least 3 things that influence resolution of a X-ray lab based CT.
  •  
  • 3. 5 words to be described in max 3 lines: voxel, BSE, partial volume effect, FIB SEM and maximum opening
  •  
  • 4. Give 2 artifacts that can occur when using X-ray CT.
  •  
  • Versie 2
  •  
  • 1. Je hebt een homoloog gesteente van 10*10*10cm en moet de korreloriëntatie en de chemische samenstelling onderzoeken: Welke sample preparaties gebruik je niet-destructief of destructief? Welke onderzoekstechnieken gebruik je en waarom? Wat krijg je na deze toe te passen?
  •  
  • 2. Waarom is een Pb-bekisting transparant voor neutronen en niet voor x-rays?
  •  
  • 3. Geef 2 voordelen en 1 nadeel van synchotron radiatie
  •  
  • 4. 5 woordjes, max. 5 zinnen per woordje: X-ray fluoresence tomography, ESEM, segmentatie, beam hardening, ring artifacts
  •  
  •  
  • Examen 2014-2015
  •  
  • Agree or disagree, explain why
  •  
  • 1. Can neutron radiography be used to visualize water in 5 micrometer pores
  •  
  • 2. During XRF a sensitive solid state detector is used to analyse atomic elements nr 20 to 64 by analyzing the K shell lines.
  •  
  • 3. Can X-ray CT be used to determine the composition
  •  
  • Other questions
  •  
  • 1. What is opening?
  •  
  • 2. BSE VS X-ray
  •  
  • 3. FIB/SEM
  •  
  • 4. Advantages of synchrotron
  •  
  • 5. Monochromator
  •  
  • 6. Question about resolution
  •  
  •  

Mineral Resources, Economics and the Environment

Docent

Stijn Dewaele

Buis-o-meter

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2020-2021
  •  
  • 1. Explain: Clifford's Rule, fenitisation, saprolite, greisen, second boiling (15 p)
  •  
  • 2. What is wall-rock alteration? Which parameters influence the alteration (how to identify)? And what can you use it for? (20 p)
  •  
  • 3. Which mineralisations can you find at mid-oceanic ridges? Explain. How are these mineralisations formed? Which metals are formed? (20 p)
  •  
  • 4. Explain sulfidation in epithermal deposits and the difference between high- and low-sulfidation. Where can you find the two types (in which settings are they formed/located)? And which metals? (15 p)
  •  
  • 5. VMS deposits: what could be the origin of the hydrothermal fluids? Explain and elaborate on this discussion. (15 p)
  •  
  • 6. What chemical processes are responsible for the gold and Fe-sulfides in Orogenic Gold Deposits? (15 p)
  •  
  •  
  • Examen 2019-2020
  •  
  • 1. Explain: secondary dispersion, skarn, Cliffords Rule, fenitisation and Algoma Type BIG. (15ptn)
  •  
  • 2. What is wall rock alteration. Give the characteristics. (15ptn)
  •  
  • 3. Give the processes that form magmatic ore deposits. Explain the formation and give an example. (20ptn)
  •  
  • 4. Explain VMS deposits (15ptn)
  •  
  • 5. What deposits are present at mid-ocean ridges. Explain the formation. Which elements are present? (15ptn)
  •  
  • 6. What processes are responsible for the gold and Fe-sulfides in Orogenic Gold Deposits. (10ptn)
  •  
  •  
  • Examen 2018-2019
  •  
  • 1. Woordjes: greisen, first boiling, clifford's rule, pseudomorphism...
  •  
  • 2. Explain sulfidation, what is difference between high and low, what metals?
  •  
  • 3. Deposits at MORs, formation and kind of metals.
  •  
  • 4. Explain pegmatites, formation and zonation hypotheses.
  •  
  • 5. Explain wall rock alteration, how to identify and uses.
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018
  •  
  • Versie 1
  •  
  • 1. Explain: Pseudomorphism, Skarn, Stratiform ore deposit, Second boiling & Clifford's rule
  •  
  • 2. Isochemical vs. allochemical: Explain the difference and give for each an example of an ore deposit
  •  
  • 3. What kind of ore deposits are formed at a mid ocean ridge? Explain how they are formed and which metals are formed.
  •  
  • 4. Wall rock alteration, what is it, what can you do with it, how did the alteration happen?
  •  
  • 5. Pegmatites, explain how they are formed, give the formation processes (different hypotheses) which mineral/metals are formed?
  •  
  • Versie 2
  •  
  • 1. Low and high sulfidation
  •  
  • 2. Magmatic segregation
  •  
  • 3. Pegmatite
  •  
  • 4. Zoning
  •  
  •  

Paleoclimatology

Docent

Marc De Batist & Mark Verschuren

Buis-o-meter

Het deel van Verschueren is niet gestructureerd en heel moeilijk te studeren. Hij geeft ook elk jaar andere vragen. Punten scoren op de presentaties dus!

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2020-2021
  •  
  • Deel De Batist:
  •  
  • Woordjes: SPECMAP, IRD, faint young sun paradox, thermohaline circulation
  •  
  • Give examples for the processes behind CO2 changes and how they influenced the warm Cretaceous and the cooling Cenozoïc
  •  
  • 1. [Graph - slide 2, lesson 6] Explain the early-Holocene warming and mid-Holocene warming and the cooling during the late-Holoceen. Give also two examples of the low resolution proxies used for the reconstruction of this curve before ca. 1500 BP, and explain their correlation with temperature.
  •  
  • 2. [Graph - slide 23 (top), lesson 6] What do the four different curves represent? Since they are all plotted together, which common factor do they represent (what is the y-axis)? For what is this reconstruction used?
  •  
  • De Batist
  •  
  • 3. What are main influences (rise/lowering) in CO2 atmospheric concentrations? Explain these influences and link it with the Cretaceous warm period and Cenozoïc cooling.
  •  
  • 4. Explain the following words in less than 10 lines: Bi-polar Seesaw, Feint Young Sun Paradox, Thermohaline circulation, SPECMAP, IRD
  •  
  • Controversies
  •  
  • 5. Explain the main debate of the following controversies seen in the presentations in 3-4 lines (excluding your own topic)
  •  
  •  
  • Examen 2019-2020
  •  
  • Deel Verschuren:
  •  
  • 1. Figuur van CO2 levels van de laatste 50 ky.
  •  
  • A: Vul de CO2 gehaltes aan op de y-as.
  •  
  • B: Hoe zijn deze waarden opgemeten?
  •  
  • C: Duidt aan op de grafiek: Heinrich 1, LGM, Holocene optimum, younger Dryas
  •  
  • D: verklaar waarom deze CO2 waarden zo variëren in tijd.
  •  
  • (Antwoorden in 1ste ppt van verschuren)
  •  
  • 2. Welke effecten heeft een verdubbeling van het CO2 gehalte in de atmosfeer, zoals in vele simulaties wordt gedaan? (Antwoorden in 3de ppt van verschuren)
  •  
  • Deel De Batist:
  •  
  • 1. Woordjes: Bond cycle, Faint Young Sun Paradox, the stage 11 problem, monterey hypothesis
  •  
  • 2. Wat is het 11ka problem? Geef en discussieer de mogelijke oplossingen voor dit probleem.
  •  
  • Vragen over de werkjes:
  •  
  • Leg de voorgestelde controversies uit maximaal 5 regels (behalve die van jezelf).
  •  
  •  
  • Examen 2018-2019
  •  
  • Deel Verschueren
  •  
  • 1. How is the spatial variation of the ITCZ forced? And how does it change at: Seasonal scale, years to decades, millenia?
  •  
  • 2. Graph of the third course about solar intensity, volcanic activity, ...
  •  
  • Deel De Batist
  •  
  • 3. What is the 100 ka problem? What are the possible causes, discuss this with criticism
  •  
  • 4. What is the bi-polar seesaw and which proxies confirm this?
  •  
  • 5. Explain three of the presentations (your own presentation excluded).
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018
  •  
  • Deel Verschueren
  •  
  • 1. Grafiek (Les 3 Verschueren, dia 25 onderste grafiek): Wat geeft deze figuur weer? Benoem de assen. Wat geven a) de grijze zone en b) de dikke en dunne lijnen weer? Geef de verschillen met eerdere reconstructies zoals "spaghettiplot" en "hockeystickcurve" (andere grafieken op dia 25).
  •  
  • 2. Bespreek het einde van de African Humid Period (AHP). Geef de "weight of evidence" adhv bewijs vanuit vegetatie, geomorfologische en archeologische/archeozoölogische te bespreken. Is het einde dan snel en abrupt gegaan of meer geleidelijk?
  •  
  • Deel De Batist
  •  
  • 1. Panama Isthmus closing: Welke chain-reaction processes zijn het gevolg en hebben deze een direct of indirecte invloed op het klimaat?
  •  
  • 2. Wat zijn Heinrich events? Wat zijn D/O cycles? Wanneer komen deze voor en wat zijn de gelijkenissen/verschillen tussen de twee?
  •  
  • 3. Deel over controversie presentaties: Kies 3 controversies (uitgezonderd die van jezelf) en leg deze uit in 6 lijnen. Wat, discussie, algemeen aanvaard? Welke data moet er nog zijn om deze controversies af te ronden?
  •  
  •  
  • Examen 2016-2017
  •  
  • 1. T-curve van laatste 1000 jaar gegeven: wat zie je? Benoem de assen, global warming controversy
  •  
  • 2. Early Holocene climate conditions a.d.h.v.: O18 isotopen, glacier retreat/advance, treeline in alps
  •  
  • 3. D-O cycles en heinrich events
  •  
  • 4. Controversies: ruddiman hypothesis, asteroid impact causing YD, global warming and hurricanes
  •  
  • 5. Atmospheric composition: CO2 in cretaceous greenhouse
  •  
  •  
  • Examen 2015-2016
  •  
  • Deel Verschueren 8pt
  •  
  • 1. How is the spatial variation of the ITCZ forced? And how does it change at: Seasonal scale, years to decades, millenia?
  •  
  • 2. CO2 in Greenhouse Climate Models is doubled since pre-industrial period. What affects this doubling of CO2?
  •  
  • Deel De Batist 8pt
  •  
  • 1. Where and when did the continental-scale glaciations start? And from which records do we know this information?
  •  
  • 2. Explain (in less than 10 lines): 100 ka Problem, Bond cycle, SPECMAP
  •  
  • Questions about the presentations 4pt
  •  
  • 1. Give in max 5 lines per controversy the controversy, what it is about and where the debat is now: Global Climate and hurricanes, Climate vs Humans in megafaunal extinctions, Iron fertilization for CO2 uptake, Ruddiman hypothesis
  •  
  •  
  • Examen 2012-2013
  •  
  • Deel Verschueren
  •  
  • 1. Which Milancovich cycle are dominant in: CO2 concentrations in the atmosphere, methane concentrations, vegetation in lakes and tropics and, O18 in foraminifera.
  •  
  • 2. Give the different hypothesis about the desiccation of Africa Eastern Africa during Plio/Pleistocene.
  •  
  • 3. Bonusquestion: figure from the course notes, name the axis, measuring methodes and explain the peaks.
  •  
  • Deel De Batist
  •  
  • 1. Where and when did the continental-scale glaciations start? And from which records do we know this information?
  •  
  • 2. Discuss the inorganic part of the CO2 cycle. Discuss also which kind of rocks are the most efficient in the reduction of CO2 by weathering.
  •  
  • 3. Words: Dansgaard-Oescher cyclus, Faint young sun paradox, 100ka problem
  •  
  •  
  • Examen 2011-2012
  •  
  • Deel Verschueren
  •  
  • 1. The Holocene is quite stable, according to Greenland ice cores. Give at least 3 datasets which will prove that the Holocene isn't stable at all. Give also their relation with the locations and other information. (Answers: African lakes, Deep marine cores with Sahara dust, Pollen records).
  •  
  • 2. The shift of the ITCZ. How is this variation of the ITCZ forced? And how does the climate change at seasonal scale, years to decades, millenia?
  •  
  • 3. What determines the impact of the volcano eruption on the climate?
  •  
  • 4. Bonus: Name the axes of a graph (1st slide, lesson 3).
  •  
  • Deel De Batist
  •  
  • 1. Which causes are due to changing CO2 concentration in the atmosphere at long-time scale? Give them and use them to explain the Greenhouse in the Cretaceous and to explain the cooling in the Quaternary.
  •  
  • 2. Discuss the Bi-polar Seesaw hypothesis
  •  
  • 3. Words: 100ka probleem / BLAG hypothese / SPECMAP
  •  
  •  

Master - Groundwater and Mineral Resources

Exploration Geophysics

Docent

David Van Rooij

Cursus

Amper 6 hoofdstukken (een zevende werd niet gegeven). Waaronder 1 inleiding, 3 over seismics, eentje over gravimetrie en magnetisme en de laatste gaat over elektromagnetische methodes. Vooral dit laatste is lastig aangezien het wat abstract is en redelijk lang is met verschillende technieken. Er bestaat ook een boek vanApplied Geophysics van Reynolds, een 592 pagina's lijvig boek, maar best wel een handig naslagwerk als je iets niet weet. Het boek niet gekend zijn en het lijken veel pagina's, maar van elke hoofdstuk kan je een pagina of 10 à 20 terugvinden in het boek. Schrijf nota's en let goed op in de les. Hij legt bepaalde accenten.

Practica

Enkele namiddagjes knoeien met programma's op seismic te processen (eerste single channel, dan multichannel en daarna 3D). Probeer met elke stap mee te zijn of je mag om de drie minuten je hand in de lucht steken en de assistent roepen. Het wordt niet gevraagd op het examen, maar het kan interessant zijn voor je thesis bijvoorbeeld.

Excursie

In september nog (tweede les) ga je twee dagen naar de kust (Oostende) voor wat geofysisch veldwerk: een pijp in het zand verstoppen en daarna met een gradiometer op zoek gaan, geofonen uittesten door te slaan met een hamer. Ook ga je nog eens op zee met de Simon Stevin. En wordt er een demonstratie gegeven van seismics. Je zou dat ook al moeten kennen.

Opdracht

20% van de punten valt al te verdienen tijdens het jaar. Een extended abstract schrijven van een paper (die opgave krijg je al vanaf de eerste les), dus zorg dat je er zeker op tijd aan begint, want anders kan je minpunten krijgen. Op een afgesproken datum moet je dan een presentatie geven. Beide staan op de helft. Nadien krijg je ook feedback (met punten) van zowel studenten als prof. Van Rooij. Je moet ook andermans abstracts gelezen hebben want je MOET vragen stellen. Dat wordt dan beloond met een afronding of een extra puntje.

Buis-o-meter

Leer de slides, kijk soms in het boek, zorg dat je (alles) het meeste verstaat. In de master zou je dat al moeten kunnen. Drie dagen leren voor het examen zou het klusje moeten klaren, mits enkele dagen inzet in de blok.

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2017-2018
  •  
  • 1. Refractieseismiek: geef principes, acquisitie, interpretatie (+formules 2-layer model) en pitfalls (5p)
  •  
  • 2. Metalliferous ores: Beste methodes (die het metallisch karakter gebruiken), Op welke principes werken die? Voordelen, nadelen en limieten van alle methodes
  •  
  • 3. Studie naar hydrocarbons over groot offshore gebied, a) welke methodes met limieten en resoluties zou je gebruiken (unlimited budget), welk principe werken ze b) survey strategie (werknemers, materiaal, tijd...), c) milieufactoren en voorbereiding
  •  
  •  
  • Examen 2015-2016
  •  
  • 1. What is VES: Give the theoretical and practical methods and limitations. Give for each method the apparent resistivity. (5p)
  •  
  • 2. An amplitude-frequention graph (seismics) is given. List and explain everything about source, setup, resolution, processing... (5p)
  •  
  • 3. In a large forested area in Europe, some copper-silver ore bodies are found in outcrops. You have the chance to examine this area. a) Give 3 most efficient methods in order for exploitation possibilities. Give also the limitations and the spatial resolution. b) Can you give an estimate of this survey (costs, crew, time,...) c) Do you have to take environmental problems or other precautions in account? (6p)
  •  
  •  
  • Examen 2011-2012
  •  
  • 1. Gegeven: een refractieseismogram van 1 horizontale laag Geef de formules en bereken: diepte z, intercept time, cross over distance, critical angle (afleiding maken in klad en zo de tot de formules komen)
  •  
  • 2. VES: wat zijn de theoretische en praktische methodes, geef bij allen de afleiding om de resestitviteit te berekenen (Wenner, ...)
  •  
  • 3. Geef overeenkomsten en verschillen tussen GPR en land reflection seismics. vergelijk op basis van methode, data verwerving, processing, interpretatie
  •  
  • 4. Verklaar Aliasing, Nettleton's method, Vibroseis, Chargeability, CMP Bin, ...
  •  
  •  
  • Examen 2009-2010
  •  
  • 1. Gegeven een de resistiviteiscurve van een Schlumberger-sondering (zelfde als in cursus). Wat vertegenwoordigen de punten A en B? Wat is de resistiviteit van de verschillende lagen en hun diepte? Bespreek de grootheid S en het belang ervan in het hydrogeologisch onderzoek?
  •  
  • 2. Bespreek de Self-potential variaties in het Noir Ri bekken
  •  
  • 3. Woordjes: convolutie, Q-factor, sferische spreiding en dynamische correctie
  •  
  • 4. Meerkeuze: Motiveer een keuze voor de seismische snelheid van lemig deklaag (200m/s, 300m/s, 600m/s, 1500m/s) en kalksteen-bedrock (600m/s, 2500m/s, 7500m/s, 9000m/s). Wanneer de leembedekking 11m dik is, en uitgaande van de gekozen snelheden: hoelang moet je array aan geofonen zijn opdat je zou waarnemen over een afstand die 3 keer groter is dan de waargenomen snelheidstak van de leemlaag in een x-t diagram (was zoietske, dus 3x uw crossover-distance Xc)
  •  
  • 5. Vraag computerpractica: gegeven een seismogram loodrecht op de voornaamste strekkingsrichting van de breuken in een KWS-bekken in Nigeria. Geef een overzicht van de verschillende stappen die je zal uitvoeren bij het uitkarteren van dit KWS-reservoir (visualisatie, interpretatie, ...)
  •  
  •  

Groundwater Chemistry

Docent

Kristine Walraevens

Kristine kennen we ondertussen al van vakken als Teledetectie en misschien zelfs Environmental Impact Assesment of Geophysical Well Logging. Zoals altijd geeft ze haar lessen op een duidelijke manier.

Cursus

Vak is samen met een andere richting waardoor je de vrijdag samen met hen les hebt en woensdag les hebt over de delen dat zij niet moeten kennen. Hierdoor is het soms wel eens onduidelijk waar je precies bent in de slides. Het is best om je pc mee te doen als je naar de les komt of de afgedrukte slides maar deze komen pas de avond voordien online. Naar de les gaan is een aanrader want ze zegt altijd wel wat ze gaat vragen op het examen en wat niet.

Buis-o-meter

Op het examen mag je je aan een aantal vragen verwachten die je vrij goed kan voorspellen als je naar de les bent geweest. Ze geeft vrij duidelijke hints of zegt gewoon: dit vraag ik op het examen. Je krijgt een paar theorie vragen en een paar oefeningen. Let op, want je formules moet je hiervoor kennen. Naar de les gaan is belangrijk.

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2018-2019
  •  
  • 1. Describe the existence of redox zones in aquifers and the principle that causes it (2 figures!)
  •  
  • 2. The dominant groundwater type in the East African rift zone is NaHCO3 but it is not caused by freshening. What mechanism causes this water type and what implication has it on human health.
  •  
  • 3. Describe the ∂13C correction used for 14C age determinations (Pearsons model).
  •  
  • 4. Explain the dissolution of calcite in unconfined aquifers and compare it to confined aquifers (figure!)
  •  
  • 5. You get the analysis of a groundwater sample (in mg/l), calculate the TDS and explain which processes are responsible for the composition.
  •  
  • 6. You get the Ca2+ and F- concentrations of a groundwater sample. a) is the sample saturated with respect to fluorite (CaF2) b) if no: how much gypsum needs to be added to reach saturation. Given: the activity products of Ca and F, the atomic weight of Ca, F and gypsum and the solubility product of fluorite.
  •  
  • 7. The analysis of a groundwater sample is given: calculate the conservative mixture and determine the extent of reactions and explain which processes are occurring. Plot the composition of the sample, seawater, fresh water and the conservative mixture on the piper diagram.
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018
  •  
  • 1. Leg het ontstaan van de verschillende redoxzones uit (+figuur). Bespreek ook de achterliggende reacties (+ figuur) (3pt)
  •  
  • 2. Bespreek de 13C-correctie op de 14C dateringsmethode (2,5pt)
  •  
  • 3. Riftzone in afrika, hoe ontstaat hier het NaHCO3 watertype en geef het effect op de gezondheid. (3pt)
  •  
  • 4. Gasoil is de vervuiler, welke verschillende pollutions veroorzaakt dit en hoe verwijder je de types door pompen? (3pt)
  •  
  • 5. Oefening: TDS berekenen en zeggen welke reacties voor deze samenstelling gezorgd hebben.
  •  
  • 6. Oefening: Je krijgt een concentratie van Ca en van F in het grondwater. Is deze verzadigd voor fluoriet (CaF2)? Indien niet, hoeveel Gips (CaSO4.2H2O) moet je dan nog toevoegen om verzadiging te bekomen?
  •  
  • 7. Je krijgt de concentraties van elementen in het water van de Nijl en van het grondwater. Bereken (met concentratiefactor (iets met evaporatie) en het oorspronkelijke Cl-gehalte) de samenstelling van een derde soort water. Welke processen liggen aan de oorzaak van de verschillen tussen het water van de Nijl en van het grondwater? Plot ook deze 3 waters in het Piper-diagram.
  •  
  •  
  • Examen 2015-2016
  •  
  • 1. Geef de redoxzones en hun ontstaan (+figuur) en de processen erachter (+figuur)
  •  
  • 2. Riftzone in afrika, hoe ontstaat hier het NaHCO3 watertype en geef het effect op de gezondheid.
  •  
  • 3. Bespreek de 13C correctie op de 14C methode
  •  
  • 4. Gasoil is de vervuiler, welke verschillende pollutions veroorzaakt dit en hoe verwijder je de types door pompen
  •  
  • 5. TDS berekenen + processen
  •  
  • 6. Saturatie oefening van Fluoriet en gips. Hoeveel gips moet je toevoegen voor saturatie te bekomen.
  •  
  •  
  • Examen 2009-2010
  •  
  • 1. Over verzadiging: je krijgt de aanwezige gehalten van Ca en F en ook Ks van fluoriet (CaF2). Gevraagd: is deze oplossing oververzadigd aan fluoriet en zo neen, hoeveel extra gips (CaSO4.2H2O) mag aanwezig zijn vooraleer fluoriet neerslaat. Je krijgt ook de Ks van gips.
  •  
  • 2. Mengen van zeewater en zoet water en vergelijken met een gegeven monster en uitzetten in het Piper diagram en dat interpreteren. Net hetzelfde zoals in de les.
  •  
  • 3. Je krijgt de gehalten van een aantal ionen in mg/l. Gevraagd: bereken TDS en zeg welke belangrijke processen dit water heeft ondergaan.
  •  
  • 4. Iets in de trant van: hoe ontstaan redoxzones en bespreek hun voorkomen in de aquifers. (geef fig op p35 + uitleg en ook het Berner diagram)
  •  
  • 5. Wat zijn sorptie-isothermen (+fig)? Hoe bereken je ze? Waarvoor dienen ze? Wat is de retardatiefactor? Hoe bereken je die?
  •  
  • 6. Wat is de delta 13 C correctie voor het berekenen van C14 ouderdommen? (of zoiets)
  •  
  • 7. Vergelijk kalkoplossing in de verzadigde zone met die in de onverzadigde zone (+fig). Bespreek ook de kalkoplossing in de onverzadigde zone.
  •  
  •  
  • Examen 2008-2009
  •  
  • 1. Uitleggen hoe redoxzonering ontstaat, hoe deze zoneringen zijn opgebouwd. Geef hierbij het figuurtje met de pijltjes en het Berner-diagram
  •  
  • 2. Je krijgt enkele ionenconcentraties van een water. Bereken de TDS (hahaha) en bespreek welke reacties zich hebben voorgedaan. In welke omstandigheden kan zo een water ontstaan? Let op, kijk goed naar de grootte van de concentraties!
  •  
  • 3. Leg het voorkomen van ijzer uit in grondwater. Dus leg dat wat uit in verband met de redoxzonering en geef het Eh-pH diagram van ijzer. Kijk ook maar eens goed naar het Eh-pH diagram van ijzer in de aanwezigheid van zwavel, kan handig zijn als je over pyriet begint te spreken...
  •  
  • 4. Wat is het vershil tussen kalkoplossing in de verzadigde en onverzadigde zone? hoe uit zich dit? Geef hierbij het diagram waarbij het bicarbonaat-gehalte is uitgezet tov pH, en de partiele CO2 drukken zijn aangegeven.
  •  
  • 5. Hoe zal stookolie zich gedragen bij zijn verspreiding (bij een lek)? Welke vormen van verontreiniging zullen hierbij ontstaan? Waarmee moet rekening gehouden worden bij het saneren?
  •  
  • 6. Er zijn bepaalde ionenconcentraties gegeven, is de oplossing over- of onderverzadigd aan een bepaald mineraal? en als het onderverzadigd is; hoeveel moet je van een ander mineraal oplossen om tot een evenwicht te komen?
  •  
  • 7. Je krijgt de concentraties van geanalyseerde ionen, herbereken de concentraties als zou het water ontstaan zijn door menging van zoet water en zeewater. Zet beiden uit in een piper-diagram en interpreteer. Welke reacties hebben zich voorgedaan om tot zo'n concentraties te komen? Welk watertype is het?
  •  
  •  
  • Examen 2007-2008
  •  
  • 1. In welke omstandigheden is arseen mobieler (ze zegt er bij of het kationisch of anionisch is)
  •  
  • 2. Waarom vind je geen nitraat in de verzadigde zone ( + geef uitleg over fig p35 redox )
  •  
  • 3. Iets over oplossing van kalk ( fig 11 p71 uitleggen)
  •  
  • 4. Iets over verontreiniging met olie met figuur residuele verzadiging (fig 43 p163) (+ ze vroeg hoe je best zou saneren bij mondelinge verbetering !)
  •  
  • 5. ets over een put waar je bepaalde ijzer concentraties vond (was iets dat normaal niet samen voorkwam maar hier zat putfilter blijkbaar zowel in verzadigd als onverzadigd door overbemaling voor zover ik begrepen heb op mondeling verbetering)
  •  
  •  

Groundwater Modelling

Docent

Thomas Hermans

Cursus

Practica

Buis-o-meter

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2017-2018
  •  
  • Article: Alfaro et al., 2017: Modelling groundwater over-extraction in the southern Jordan Valley with scarce data. This article is given and some curcial info is left out, solve questions with the article and own knowledge.
  •  
  • 1. Hydrogeologically and geologically, the site is devided into 2 zones. Why? Explain.
  •  
  • 2. In what state is the system solved? what is the other way? explain both systems and the different methods how they solve the flow equations?
  •  
  • 3. Modflow uses a method to solve the equations, what is this method, explain the basic principle, limitations,... what is the other possible method?
  •  
  • 4. Draw the conceptual model with the boundary conditions. What boundary conditions were used? explain them? what is the third possible boundary condition, explain? mathematically how was the hydrailic head represented? (+ another question i can't remember)
  •  
  • 5. How are the results according to the senario?explain how to limmit/show possible uncertainities?
  •  
  • 6. How is the callibration done? explain? what is the important information that is missing?
  •  
  • 7. What is a sensitivity analysis? what were the results from it? what does it mean for the numerical model?
  •  
  • 8. There are several limitations with this model, give 2 limitations and explain.
  •  
  •  

Imaging Techniques of consolidated and unconsolidated Sediments

Docent

Veerle Cnudde

Buis-o-meter

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2019-2020
  •  
  • PART 1: Concepts and processes
  •  
  • 1.1 Explain following terms in max. 4 lines: FIB-SEM (1,5), maximum volume effect (1), noise (1), BSE (1) and ... (1)
  •  
  • 1.2 Explain synchrotron and give one advantage and one disadvantage (2)
  •  
  • 1.3 Explain closing (1)
  •  
  • 1.4 Correct or incorrect: You can detect F with a hand-held XRF + Explain (1,5)
  •  
  • PART 2: Research question
  •  
  • 2.1: Given, a sample of 2mm in all directions. You want to know the chemical composition in 3D. Which technique(s) would you use, which data is acquired, give the advantages and disadvantages of these techniques. (4)
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018
  •  
  • 1. Kan je met xrf een resolutie van 100nm halen? zo ja hoe. zo nee waarom?
  •  
  • 2. Sem-edx. leg uit principe.
  •  
  • 3. Core van 50 cm en 10cm diameter. hoe ga je poresizedistribution onderzoeken?
  •  
  • 4. Sample 8*8*8cm groot. methode neutron tomographie: Real time water movement & microfissure tracks (700nm). Kan je dit doen waarom wel/niet hoe zou je het wel doen? wat raad je aan?
  •  
  •  
  • Examen 2015-2016
  •  
  • 1. Structure and grain size of a large heterogeneous sample of 10x10x10 cm. Which methods would you use? Would you use a destructive or non destructive protocol? What's the output of the methods? Main question so write a lot!
  •  
  • 2. Give at least 3 things that influence resolution of a X-ray lab based CT.
  •  
  • 3. 5 words to be described in max 3 lines: voxel, BSE, partial volume effect, FIB SEM and maximum opening
  •  
  • 4. Give 2 artifacts that can occur when using X-ray CT.
  •  
  •  
  • Examen 2014-2015
  •  
  • Agree or disagree, explain why
  •  
  • 1. Can neutron radiography be used to visualize water in 5 micrometer pores
  •  
  • 2. During XRF a sensitive solid state detector is used to analyse atomic elements nr 20 to 64 by analyzing the K shell lines.
  •  
  • 3. Can X-ray CT be used to determine the composition
  •  
  • Other questions
  •  
  • 1. What is opening?
  •  
  • 2. BSE VS X-ray
  •  
  • 3. FIB/SEM
  •  
  • 4. Advantages of synchrotron
  •  
  • 5. Monochromator
  •  
  • 6. Question about resolution
  •  
  •  

Mineral Resources, Economics and the Environment

Docent

Stijn Dewaele

Cursus

Practica

Buis-o-meter

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2018-2019
  •  
  • 1. Woordjes: greisen, first boiling, clifford's rule, pseudomorphism...
  •  
  • 2. Explain sulfidation, what is difference between high and low, what metals?
  •  
  • 3. Deposits at MORs, formation and kind of metals.
  •  
  • 4. Explain pegmatites, formation and zonation hypotheses.
  •  
  • 5. Explain wall rock alteration, how to identify and uses.
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018
  •  
  • Versie 1
  •  
  • 1. Explain: Pseudomorphism, Skarn, Stratiform ore deposit, Second boiling & Clifford's rule
  •  
  • 2. Isochemical vs. allochemical: Explain the difference and give for each an example of an ore deposit
  •  
  • 3. What kind of ore deposits are formed at a mid ocean ridge? Explain how they are formed and which metals are formed.
  •  
  • 4. Wall rock alteration, what is it, what can you do with it, how did the alteration happen?
  •  
  • 5. Pegmatites, explain how they are formed, give the formation processes (different hypotheses) which mineral/metals are formed?
  •  
  • Versie 2
  •  
  • 1. Low and high sulfidation
  •  
  • 2. Magmatic segregation
  •  
  • 3. Pegmatite
  •  
  • 4. Zoning
  •  
  •  

Environmental Impact Assessment

Docent

Kristine Walraevens

The course is given by professor Walraevens, you have already seen her in the course remote sensing in the bachelor. And also in the course groundwater chemistry in 1st master.

Cursus

When there are English speaking students, the course will be in English and will be about international impact assessment regulations. Met nederlands sprekende studenten gaat het over de regeling van milieueffecten rapportage in Vlaanderen. Je moet doorheen het jaar zelf als groepswerk een milieu effecten rapport schrijven (begin er vroeg genoeg aan, anders stress!). Dit staat op 1/3 van de punten. Daarnaast is er nog een presentatie dat je moet geven waar je een korte aanmelding maakt, mag geinspireerd zijn op een bestaand mer maar hoe meer je zelf doet hoe beter. Ook hoe meer kaartjes je maakt hoe beter ( ook bij groeps mer). Dit staat op 1/3 van de punten. Het examen staat op de overige 1/3 van de punten.

Practica

Buis-o-meter

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2019-2020
  •  
  • 1. What are the objectives of EIA? What role have the UN played?
  •  
  • 2. What is the purpose of the alternatives in an EIA? What are they used for? Give an example.
  •  
  • 3. How is the study area determined? For the given EIA project, give all the disciplines which should be considered and draw the study area for two of them.
  •  
  • 4. How is the reference situation defined? For what it is used? Give an example (Describe a project that needs an EIA and how would the reference situation be coincived).
  •  
  •  
  • Examen 2018-2019
  •  
  • 1. Wat is plan-mer, wat zijn de voordelen? Wat is plan-mer plicht?
  •  
  • 2. Wat is het nulalternatief?
  •  
  • 3. Wat is de referentie situatie?
  •  
  • 4. Wat is een studiegebied? + case waar je alle relevante disciplines moet geven en voor 2 disciplines het studiegebied moet afbakenen?
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018
  •  
  • 1. Hoe is de plan-merplicht geregeld in Vlaanderen?
  •  
  • 2. Wat wordt er bedoeld met de referentiesituatie? Hoe wordt deze bepaald?
  •  
  • 3. Hoe wordt het studiegebied afgebakend? Je krijgt een kaart met een beetje uitleg over een project. Zeg welke de 2 belangrijkste disciplines hiervoor zijn en duid hun studiegebied aan op de kaart en argumenteer.
  •  
  • 4. Wat wordt er bedoeld met nulalternatief? Geef ook een voorbeeld.
  •  
  •  

Geographic Information Systems

Docent

Nico Van De Weghe

Buis-o-meter

  •  
  • TWIEOOS

Geology of Building Stones

Docent

Veerle Cnudde & Tim De Kock

Cursus

Bestaat uit een deel waarin de bouwstenen van België besproken worden, een deel waar de geïmporteerde bouwstenen uit Frankrijk, Duitsland & Engeland besproken worden, een deel waarin analysetechnieken besproken worden en een deel omtrent het restoreren, opkuisen & vuil & waterbestending maken van gevels. Niet meteen een kleine cursus, maar vele zaken spreken voor zich, dus ook geen moeilijke cursus te noemen.

Buis-o-meter

Aandachtig de practica meedoen en goed opschrijven. GEEN open boek/ notities. Theorie en praktijk tesamen (9u-12u). Dit jaar (2016-2017) was het 4 studiepunten, gaat meer worden volgend jaar dus moeilijker...

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2018-2019
  •  
  • 1. Exercise where mass of dry sample, mass of wet sample and mass of wet sample in water is given and also a drying curve and a waterabsorption versus rootsquare of time curve is given. Then they ask to calculate the open porosity, bulk density, absoptioncoefficient, and absoroption in %/s^0.5
  •  
  • 2. Ypresian stone, (macroscopic, microscopic, weathering, locatino, everything,...)
  •  
  • 3. A building with a white porous stone and a brick wall will be renovated. What methods/ thechniques will you use to determine what preservation technique you will use. (so give the techniques that will lead to your choise of preservation, not the preservation)
  •  
  • 4. Explain how you can remove salt by advection/dispersion.
  •  
  •  
  • Examen 2016-2017
  •  
  • 1. Je krijgt verschillende gemeten properties (compressive strength, flexural strength, abrasion resistance, ...) van een onbekend gesteente. De klant wil een vervangsteen zoeken, maar deze is verweerd. Geef nog twee properties en zeg waarom (2pt). Leg de testen van deze twee properties kort uit en zeg wat de klant hier aan heeft (4pt)
  •  
  • 2. Geef de gelijkenissen en verschillen tussen de Maastricht limestone en de Lincent limestone (micro- en macroscopisch, age, location, ...) (8pt)
  •  
  • 3. Twee gesteenten liggen vooraan (dit jaar Tournai limestone en Lede steen), iedereen om de beurt gaan kijken met loupe. Beschrijf macroscopisch (6pt). Geef de naam van het gesteente (2pt)
  •  
  • 4. Twee soorten slijpplaatjes (4keer hetzelfde voor 4 studenten tegelijk) vooraan geplaatst met telkens drie stenen erbij (A, B, C).(Dit jaar een veldsteen (tussen ijzerzandsteen en een buitenlandse) en een Euville (tussen bijna exact dezelfde gesteenten, moeilijk!). Beschrijf microscopisch (6pt). Geef de naam van het gesteente (2pt) en bij welk gesteente (A, B, C) correspondeert dit (1pt)?
  •  
  •  
  • Examen 2012-2013
  •  
  • 1. Beschrijf en determineer een handstuk.
  •  
  • 2. Wat zijn de verschillen en gelijkenissen tussen Euville limestone en Belgian Blue Stone?
  •  
  • 3. Beschrijf het oudste een jongste gesteente dat we gezien hebben op excursie.
  •  
  • 4. Beschrijf en determineer twee slijpplaatsjes (hiervoor mag je je nota’s en cursus gebruiken).
  •  
  •  

Hydrogeophysics Project

Docent

Thomas Hermans

Cursus

Practica

Buis-o-meter

Dit vak is nieuw dus is er nog geen betrouwbare buisometer.

  •  
  • TWIEOOS

Groundwater and Mineral Resources Apprenticeship

Docent

Kristine Walraevens, Stijn Dewaele, Veerle Cnudde & Thomas Hermans

Cursus

Practica

Buis-o-meter

  •  
  • TWIEOOS

Master - Keuzevakken

3D Digital Rocks

Docent

Tom Bultreys

Cursus

Dit vak is een vervolg op Rock Imaging Techniques en beschrijft vooral het gedrag van vloeistoffen op de poriënschaal. Het moet gezegd worden dat dit een vak is waarin er veel computerkracht aan te pas komt. Juist daarom is het één van de snelst evoluerende studiegebieden die meer en meer wordt gebruikt voor industriële toepassingen.

Buis-o-meter

16/20 punten theorie, waarvan je alle vragen krijgt (31 mogelijke). 4/20 punten oefeningen, niet zo moeilijk maar je moet er wel voor in de les gezeten hebben in tegenstelling tot de theorie

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2019-2020
  •  
  • Exam question 1
  •  
  • You want to perform a pore-scale simulation to estimate the permeability of a sandstone with pore sizes on the order of 50 μm. How do you proceed? Explain why you make certain choices.
  •  
  • Exam question 2
  •  
  • Give an example of a case where Digital Rocks could add value to a subsurface engineering project. Explain how the concept of Digital Rocks fits into the bigger picture
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018
  •  
  • 1. What are the three necessary conditions needed to do a meaningful pore-scale simulation? No details ± 5 sentences (1,5pt)
  •  
  • 2. Which criteria are important to determine whether a pore structure representation is adequate for a pore scale simulation? No details ± 5 sentences (2pt)
  •  
  • 3. Explain the concept of the representative elementary volume, and why this is important when attempting to do pore scale simulations. No details ± 5 sentences (2,5pt)
  •  
  • 4. Describe the differences in strategy followed by convential fluid mechanics simulations and lattice-Boltzmann simulations of single-phase flow in rocks. Briefly explain the working principle of both methods. Give details (4pt)
  •  
  • 5. Explain the concept of trapping and discuss its importance. On which pore structure properties does trapping depend? Give details (6pt).
  •  
  • 6. Exercise about vertical permeability if there are 3 layers (1 clay 2 sand) (need to know k of clay and sand by heart) (3pt)
  •  
  • 7. How to calculate maximum pressure of CO2 in sequestering under a cap rock if you know the pore throat size distribution (1pt)
  •  
  •  
  • Examen 2016-2017
  •  
  • 1. You want to characterize de 3D grain size and structure of a stone sample of 5 x 5 x 5 mm³. Which sample protocol (non-destructive, destructive) would you follow? Which research methods discussed during the course, would you use? What are the advantages and disadvantages of these methods?
  •  
  • 2. Which factors influence the resolution of a lab-based X-ray CT scanner (give minimum 3 factors)?
  •  
  • 3. Please explain the following words (max. 3 lines): FIB-SEM, Maximum opening, BSE, voxel
  •  
  • 4. How could you reduce statistical noise? (min. 2 ways)
  •  
  • 5. Why can neutrons “look through” a lead container, and X-rays not?
  •  
  • 6. Give 2 advantages and 1 disadvantages of synchrotron radiation.
  •  
  • 7. Please explain the following words in max. 5 lines: X-ray Fluorescence Tomography, Beam hardening, ESEM, Ring artefacts, Segmentation
  •  
  • 8. Please fill in the missing words:
  •  
  • A. ________ typically have a wavelength of 10 nm, which means that in practice the resolution is limited because of other reasons like for example focusing devices. Additionally their penetrating power is largely dependent on their _______
  •  
  • B. The types of signals produced by an SEM include: i. ______________________ ii. ______________________ iii. ______________________ iv. ______________________
  •  
  • C. Several methods exist in order to reduce statistical noise during acquisition, including: i. __________________ ii. __________________
  •  
  • D. When I want to have images, where the greyvalues inside the images are strongly related to the atomic number (Z) of the specimen and therefor providing contrast based on the distribution of different elements in the sample without using X-rays, I need to make_________________ images.
  •  
  • E. When we need the 3D structural information of a geological sample at a resolution of 100 nm, we can use________________. This technique can/cannot be used to monitor dynamical changes in 3D in real time.
  •  
  • F. EMPA or _________________________ is specialized for chemical analysis with some imaging options.
  •  
  • 9. Which different preprocessing treatments are required for chemical examination of most geological specimens when using SEM? (Describe the different required steps)
  •  
  • 10. Describe Lambert-Beer’s law.
  •  
  • 11. What are the main differences when scanning with a lab-based X-ray source or a synchrotron?
  •  
  • 12. What is the difference between Neutron and X-ray Tomography (explain in detail)?
  •  
  • 13. When we are scanning a stone sample, with a size of 10 mm diameter and 10 mm height, which is positioned exactly at 40 cm away from the detector and the distance between the source and detector is 1 m, and we know that the focal spot size is 1 µm and we are using the Varian PaxScan 2520V detector of 1496x1880 pixels, with a detector resolution or pixel pitch of 127 µm, what is then the achievable resolution in the radiography?
  •  
  •  
  • Examen 2014-2015
  •  
  • 1. Woordjes, 10 lijnen max: capillary pressure, lattice boltzmann, capillary trapping
  •  
  • 2. How to have an adequate description of the microstructure?
  •  
  • 3. Invasion-percolation: how? which simplifications? what are the consequences?
  •  
  • 4. Which methods exist to extract a pore network model? Describe
  •  
  • 5. Compare pore scale modelling and continuum scale
  •  
  •  

Advanced Micropaleontology

Docent

Stephen Louwye, Robert Speijer & Thijs Vandenbroucke

Buis-o-meter

  •  
  • TWIEOOS

Clay Mineralogy

Docent

Stijn Dewaele

Cursus

Practica

Buis-o-meter

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2021-2022
  •  
  • 1) What are the methods of sample mounting for XRD analysis, which one is used for clay minerals? Are there different techniques? Explain in detail.
  •  
  • 2) Image of the structure of a clay mineral is given. What mineral is it? Describe the structure in detail and the charge balance. Give the formula. (answer: trioctahedral mica => phlogopite)
  •  
  • 3) XRD spectra is given. Identify the minerals, explain why.
  •  
  • 4) DTA curves of 3 dioctahedral smectites is given. Name the minerals and explain the difference in temperature for the peaks.
  •  
  • 5) Explain why do dioctahedral micas release their K much less readily than trioctahedral micas. In other words, why do trioc micas weather faster than dioc micas?
  •  
  • 6) Why can the presence of pyrite in clays be bad when firing them?
  •  
  •  
  • Examen 2019-2020
  •  
  • 1) What are the 2 different methods of sample preparation for XRD analysis, which one is used for clay minerals? Are there different techniques? Explain in detail.
  •  
  • 2) Image of the structure of a clay mineral is given. What mineral is it? Describe the structure in detail and the charge balance. Give the formula.
  •  
  • 3) XRD spectra is given. Identify the minerals and explain the different treatments.
  •  
  • 4) DTA curves of 3 dioctahedral smectites is given. Name the minerals and explain the difference in temperature for the peaks.
  •  
  • 5) Explain why do dioctahedral micas release their K much less readily than trioctahedral micas. In other words, why do trioc micas weather faster than dioc micas?
  •  
  •  

Dredging and Offshore Constructions

Docent

Adam Bezuijen & Andreas Kortenhaus

Buis-o-meter

Het is een openboek examen (als je wilt mag je je laptop meenemen, wel je internet afzetten) met een mondelinge verdediging. Op het mondeling verdediging mag je je boek niet meenemen. Het examen staat op 60% de overige 40% staat op een groepswerk.

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen
  •  
  • Question 1: Wave Theory
    The celerity equation for shallow water is L/T=√gd. This means that waves with different wave lengths move at different speeds. Correct or false? Please give arguments for your answer.
  •  
  • Question 2: Loading on structures
    The ratio between maximum drag and inertia force in the Morison equation can be written as:
    F_(D,max)/F_(I,max) =1/π² C_D/C_M KC
    From this expression, it can be deduced that for large values of KC number the drag force becomes dominant over the inertia force. Explain what happens physically in such case.
  •  
  • Question 3: Offshore Geotechnics
    An extensive PCPT campaign has been conducted for the Hollandse Kust West (HKW) offshore wind farm with 239 PCPT testing locations spread over the entire wind farm (Figure 1). PCPT tests results for location HKW-082a and HKW-082b are presented in Figure 2 and Figure 3. Seismic CPT tests were performed in addition to the CPT tests to characterise the shear wave velocity of the soil and small-strain stiffness of the soil. Several samples were also taken.
     - Which phase of the offshore wind farm development are we currently in, considering the site investigation coverage?
     - What is the difference between the PCPT test result in Figure 2 and Figure 3?
     - Using the chart in Figure 4, which friction angle would you estimate at 10m depth for HKW-060 (assume an effective unit weight of 10kN/m3)?
     - If you would need to verify the shear wave propagation velocity from the S-PCPT test with a laboratory test, which test would you consider?
     - For which offshore wind turbine foundation type is the small-strain stiffness important?
     - Is the small-strain stiffness more important for axial or lateral behaviour?
     - Which protection method would you select to protect the cables between the offshore wind turbines and the offshore transformer platform from emergency anchoring?
  •  
  •  
  • Examen 2019-2020
  •  
  • Task 1
  •  
  • Describe and sketch three principally different types of offshore foundation structures. Discuss these structures (briefly!) with respect to the following aspects:
  •  
  • • Water depth
    • Costs
    • Environment
    • Construction process
    • Decommissioning
  •  
  • Task 2
  •  
  • Using the Morison equation to calculate wave-induced forces on piles typically result in a figure as indicated below (figuur met drag en inertia in grafiek). Please explain this figure and specifically answer the following questions:
  •  
  • • What are the four curves showing?
    • Which unit do each of these curves have?
    • How can these curves be calculated?
  •  
  • Figure 1 shows a NW-SE section through the Borssele wind farm area. A PCPT investigation has also been carried out in the area. Figure 2 to 4 show 3 CPT profiles executed along the section.
  •  
  • Task 3: Two different modes of CPT execution have been used. Can you describe them and say which corresponds to each of the profiles?
  •  
  • Task 4: Where do you think the CPT profiles are located along the section. Provide a short reasoning for your choice.
  •  
  • Task 5: Are these CPTs useful for cable burial risk assessment? Motivate your answer? Would you propose any alternative investigation methods?
  •  
  • Task 6: Monopile foundations are foreseen for the offshore wind turbines at the site. Provide a short answer (max 5 lines) to the following questions:
  •  
  • • Which loading will dominate the behaviour?
    • Which design methods will you use?
    • Which soil parameters will you need for their design?
    • How will you derive them from CPT data?
    • Would you propose any other tests?
  •  
  • Task 7: Trailer suction hopper dredger
  •  
  • A TSHD (trailer suction hopper dredger) is dredging sand. The jet pumps are working at full capacity. The pumps can deliver a certain power (W) that is the product of the discharge (Q) and the pressure difference (p), thus W=Q.p. Assume that W remains constant when Q and P are changed. The drag head has 10 jet nozzles, the jet nozzles have a diameter of 40mm and are well shaped so that the relation between pressure difference (p) and jet velocity close to the nozzle (uo) can be written as: p=0.5.u02
  •  
  • The drag head (1) is changed to a drag head (2) with the same amount of nozzles but with nozzle diameter that is reduced from 40 to 30mm. The following questions can be answered quantitatively, but a qualitative answer is sufficient and will save you time.
  •  
  • 1. What will happen to the discharge through the nozzle, the jet velocity and the jet pressure?
  •  
  • 2. Following the Vlasblom equation for the jet production and assuming that the jet production is limiting, which drag head will have the highest production and why?
  •  
  • 3. The production is pumped into the hopper. Which drag head will result in the largest overflow? Describe 2 reasons.
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018
  •  
  • Versie 1
  •  
  • 1. Figure on dia 13 of the ppt. of offshore structures, overview, developments and examples: give the suitable water depths, advantages and disadvantages of the four foundation structures.
  •  
  • 2. What is wrong in the following statement and explain: The inertial and the drag force are sinusodials and so the total force is sinusodial.
  •  
  • 3. Retrogressive flow: the breaching happend in 30 minutes over a distance of 5m, with a porosity of 40% and a saturated porosity of 48%.: What is the duration of the breaching when the porosity is 44%? Draw a cross-section of the slope when it is breaching and when the breaching stopped.
  •  
  • 4. Cutting in a rock: Make a sketch of the soil after cutting the rock. Give one advantage and one disadvantage of a rock with large chips. What happend when you cut through a saturated sandstone?
  •  
  • Versie 2
  •  
  • 1. Give 3 reasons to recycle/decommission offshore platforms and give your preferred method + why
  •  
  • 2. Give the deciding parameter(s) for values of Cm and Cd
  •  
  • 3. Cutting at 10 and 30 m depth. what is the difference in hauling speed between both depth if: A. There is cavitation at both depths. B. There is no cavitation.
  •  
  • 4. Halve jet at 1 m/s horizontal velocity (picture of laboratory test): What is the maximum erosion velocity? Sketch a cross-section through the sand (behind the jetted part). What is the penetration depth and production if the sand has a lower grain size lower (heterogeneous, same density)? Sketch the pore pressure distribution in a vertical cross section.
  •  
  •  
  • Examen 2015-2016
  •  
  • Offshore
  •  
  • 1. 4 soorten platformen: geef naam, voordelen en nadelen en de dieptes waarop ze gebruikt worden.
  •  
  • 2. Geef de installatie stappen van een gravity based platform en de risico's.
  •  
  • 3. Figuur van een golf: benoem de aangeduide delen en leg uit in eigen woorden.
  •  
  • 4. Waar of niet waar en leg uit: gegeven een formule voor celeriteit T/L = vkw(gk) golven met een verschillende periode zullen zich voortplanten met een verschillende snelheid in ondiep water
  •  
  • Dredging
  •  
  • 1. Jetten in zand: teken de waterstroom in het zand voor de jet, welk effect heeft heterogeen zand met kleinere korrelgrootte op de diepte van de jet en de afbuiging.
  •  
  • 2. Verticaal dredgen van zand: leg de vorm van de put uit: waarom is de helling het zwakst bij de suction pipe en het steilst bij de rand, heb je een onderwaterpomp nodig (je krijgt praktisch geen gegevens en moet zelf aannames doen).
  •  
  • 3. Diepte afhankelijkheid voor het cutter dredgen van zand: hoe is het afhankelijk en hoeveel, hoeveel energie is nodig om het zand naar de oppervlakte te brengen zonder rekening te houden met verlies (je hebt opnieuw praktisch geen data om berekeningen mee te doen).
  •  
  •  
  • Oudere vragen
  •  
  • 1. Een golf komt loodrecht aan op de kust vanuit diep water (T, d en H gegeven). Bereken waar deze zal breken (diepte) en wat de goflhoogte zal zijn vlak voor hij breekt, evenals de hoogt vlak na breken als 75% van de energie verloren gaat tijdens het breken (dus 25% overblijft).
  •  
  • 2. Bereken de kracht op een paalconstructie (gegeven golflengte, diepte, diameter, ... uiteraard) en teken het verloop van de componenten (inertie en sleep) met toepassing van de lineaire theorie. Daarna de maximale sleep en inertie kracht berekenen met behulp van de stroomfunctie-theorie en het verschil bespreken.
  •  
  •  

Evolution of Primates and Paleo-anthropology

Docent

Dominique Adriaens

Cursus

Een pak dia's (10 hoofdstukken van Prof. Adriaens) met heel veel details. Dat is echter niet het belangrijkste. Het is namelijk de bedoeling om de evolutie te begrijpen.

Practica

Een eerste practica is om het menselijk skelet beter te begrijpen. Zo zal je het geslacht kunnen bepalen van een mens en ook de ouderdom op basis van tanden. Daarna volgt een practicum in het museum van dierkunde waar je de monkeys en apes zult zien. In de S8 later volgen dan de Australopithecen, Paranthropussen en Homo's. De bedoeling is om een cladogram op te stellen en er een verslag van te schrijven. Op het examen zal hij daar dan enkele vragen over stellen (telt voor 5 van de 20 punten mee).

Buis-o-meter

Enkele hypotheses die je mondeling moet bespreken bij Prof. Adriaens. Hij zal vooral ook bijvragen stellen en het verhaal naar een andere kwestie brengen als je er niet meteen geraakt. Bij Prof. Verniers krijg je enkele standaard reproduceervragen en je moet 2 schedels herkennen en ook een geslacht/ouderdom bepalen. Deze schedels zijn diegene die je zag in het practicum, dit kan een makaak zijn, maar ook een Paranthropus.

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2016-2017
  •  
  • Deel Adriaens
  •  
  • 1. Australopitheci and Homo transition is characterised from fighting to non-fighting body plan.
  •  
  • 2. Knuckle-walking is the transition of quadrupedal to bipedal walking.
  •  
  • 3. Toolmaking and language developed independed from each other.
  •  
  • Deel Verniers
  •  
  • 1. Put in the right order: bipedalism, terrestrialism, encephilization, civilization/culture? With examples, sites, ages,...
  •  
  • 2. Body art and Rock art in the prehistory. Give examples and discuss at what industry they belong. Give also a scientific explanation to these founds.
  •  
  • 3. Give the context of at least 5 sites in France.
  •  
  • 4. Give the most important Neanderthal sites in Belgium.
  •  
  • Mondeling
  •  
  • 1. A. afarensis of H. habilis: wat is het en wat zijn de kenmerken waaruit je dit kan afleiden?
  •  
  • 2. Kaak gorilla of proconsul: wat zijn de kenmerken en in welke groep van de primaten zet je dit? (Diastema, size canine, cusps, palate, tooth formula, maxilla or mandible, snout length, ...)
  •  
  • 3. Hoe bepaal je de leeftijd van een skelet? (Tanden, epiphyseal fusion, toegroeien suturen op schedel, artrose)
  •  
  • 4. Hoe bepaal je het geslacht van een skelet?
  •  
  •  
  • Examen 2014-2015
  •  
  • Deel Adriaens
  •  
  • 1. Is the diversification of apes also visible in the past?
  •  
  • 2. Is the hypothesis of the African origin of Homo Sapiens based on fossil evidence?
  •  
  • 3. Can you say the evolution from early australopithicenes to Homo sapiens happened gradually?
  •  
  • Deel Verniers
  •  
  • 1. Put in the right order: bipedalism, terrestrialism, encephilization, civilization/culture? With examples, sites, ages,...
  •  
  • 2. Body art and Rock art in the prehistory. Give examples and discuss at what industry they belong. Give also a scientific explanation to these founds.
  •  
  • 3. What is the paleoantropological and archeological importance from the site Spy? What is found?
  •  
  • 4. What caused the accelerated cooling of the Quaternary? Which influence had this in the development of the Homo?
  •  
  • 5. Fossielen : Paranthropus boisei, Proconsul, determination of sex of recent skull (tell also how you should do this)
  •  
  •  
  • Examen 2012-2013
  •  
  • Deel Adriaens
  •  
  • 1. Zijn de eerste mensen in europa afkomstig van een immigratiegolf van de Afrikaanse Homo heidelbergensis?
  •  
  • 2. Kon H. neanderthalensis spreken?
  •  
  • 3. Is de vorm van het kaakapparaat van de hominiden het gevolg van verandering in ecologie?
  •  
  • Deel Verniers
  •  
  • 1. 3 schedels/skeletten mondeling
  •  
  • 2. 2 schriftelijke vragen:
  •  
  • A. Belangrijke gebeurtenissen in menselijke evolutie: geef de juiste volgorde, met belangrijke vondsten, tijdstippen etc.: bipedalisme, terrestrialisme, encephalisatie, civilisatie
  •  
  • B. Verklaar de plotse koeling aan de basis van het Quartair, heeft dit een invloed gehad op de ontwikkeling van Homo?
  •  
  •  
  • Examen 2011-2012
  •  
  • Deel Adriaens
  •  
  • 1. Neanderthalens gebruikten nog geen taal.
  •  
  • 2. De eerste hominiden die West-Europa koloniseerden waren afstammelingen van de H. heidelbergensis
  •  
  • 3. De algemene trend binnen de hominiden is het robuuster worden van het kaakapparaat.
  •  
  • Deel Verniers
  •  
  • 1. Bespreek de oorzaak van de afkoeling in het Quartair en de gevolgen voor de evolutie van de hominiden.
  •  
  • 2. Zet in juiste chronologische volgorde: bipedalism, encepahilsation, civilization, terrestrialism. Argumenteer met fossiele evidentie en de tijdsschaal
  •  
  • 3. fossielen: Onderkaak Australopethicus sp. & schedeldak van H. ergaster - H. erectus grade (Java Man, Trinil)
  •  
  • (de beste methode bij de fossielen is het werken via uitsluiting: probeer via zoveel mogelijk kenmerken bepaalde species uit te sluiten, dan moet het normaal geen probleem zijn. Ook altijd handig als je de fossielen herkent van het practicum!) Algemeen: ga bij het blokken van het Adriaens-gedeelte niet overdreven in detail, probeer het belangrijke te onderscheiden van de randinformatie. Zorg zeker dat je het laatste gedeelte, de uitleg van de cladistische analyse, ook goed kent. Er komen vragen zoals wat is Bremer support, via welke principes wordt de boom gegenereerd..
  •  
  •  
  • Examen 2010-2011
  •  
  • Deel Adriaens
  •  
  • 1. De armen en benen van Paranthropus waren heel robuust.
  •  
  • 2. Het eten van vlees speelde een belangrijke rol bij de eerste migraties van homininen
  •  
  • Deel Verniers
  •  
  • 1. Welke vondsten geven een inzicht in cultuur gedrag van de moderne mens bij de archaische homo sapiens.
  •  
  • 2. Sites rond Turkana meer bespreken.
  •  
  • 3. Oorzaken van snelle afkoeling aan de basis van het Kwartair + invloed op de evolutie van eerste mensachtigen.
  •  
  • 4. Practicum: Mauerkaak, kaak gorilla + paar makkelijke vragen op menselijk skelet (man/vrouw + ouderdom).
  •  
  •  

Geothermal Energy

Docent

Thomas Hermans

Buis-o-meter

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2021-2022
  •  
  • 1) Explain the different heat transfer processes and define the corresponding properties.
    How do you derive the corresponding heat transport equation and how are they solved
  •  
  • 2) What are the main isotopes used in geochemical explorations of geothermal systems? Explain their principles and why they are useful.
  •  
  • + question about presentations
  •  
  •  

Geochronological Methods in Practice

Docent

Johan De Grave & Dimitri Vandenberghe

Cursus

Practica

Buis-o-meter

  •  
  • TWIEOOS

Geology: a Human Perspective

Docent

Stephen Louwye

Opdracht

Er is in het begin een inleidingsles. Je moet een onderwerp kiezen en daar dan een opiniepaper over schrijven en een presentatie over geven. Het is wat geologie in de (zeer) brede zin: petroleumindustrie, nuclear afval, hoe gaan geologen om met tijd in vergelijking met andere mensen. Je moet vervolgens ook een korte reactie schrijven op de opiniepapers van je klasgenoten (max. een half blad).

Buis-o-meter

Het examen is nog wat meer van hetzelfde. Ofwel krijg je een ander onderwerp van de lijst van in het begin, ofwel moet je een van de reacties die je schreef uitwerken tot heuse paper.

  •  
  • TWIEOOS

Geology of the Precambrian

Docent

Stijn Dewaele

Buis-o-meter

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2019-2020
  •  
  • 1) Explain the evolution of the surface temperature according to following figure. (luminosity and atmosphere)
  •  
  • 2) Explain the tectonostratigraphy of greenstone belts
  •  
  • 3) First crust? (explaining the 3 models for first crust)
  •  
  • 4) What major geological processes influenced the continental crust at the Archean-Proterozoic boundary? (explaining the 4 effects)
  •  
  •  
  • Examen 2018-2019
  •  
  • 1) Explain shortly. Only use the place that is available.
      *Big Burp Model
      *Komatiite
      *TTG
      *Geon concept
      *Heterogenous Accretion Model
  •  
  • 2) Explain the evolution of the surface temperature of the Earth with the help of the following figure. (the one with luminosity and atmosphere)
  •  
  • 3) Explain the tectonostratigraphy of greenstone belts.
  •  
  • 4) Explain the main geological indications of atmospheric oxygen levels on Earth. Give the main evolution of oxygen in the Precambrian.
  •  
  • 5) Explain the crustal growth mechanism (continental crust) in the early to late Archean.
  •  
  •  
  • Voorbeeldvragen
  •  
  • 1) Explain shortly. Only use the place that is available.
      *Big Burp Model
      *Komatiite
      *TTG
      *Geon concept
      *Petrotectonic assemblages
  •  
  • 2) Are carbonates widely occurring in the Archaean rock sequences? Why?
  •  
  • 3) Explain the overall tectonostratigraphy of greenstone belts.
  •  
  • 4) What are geological indicators of ancient atmospheric oxygen levels? Explain the main trends throughout the geological history.
  •  
  • 5) Explain the relationship between the age distribution in the occurrence of juvenile continental crust throughout time and the mantel dynamics?
  •  
  • 6) Explain the evoluation of the ratio of dolomite to calcite in sedimentary carbonates with time?
  •  
  •  

Geohazards

Docent

Maarten Van Daele

Buis-o-meter

Onbekend

  •  
  • TWIEOOS

Integrated Offshore Exploration

Docent

David Van Rooij

Cursus

Practica

Buis-o-meter

  •  
  • TWIEOOS

Introduction to Geotechnics

Docent

Herman Peiffer

Herman Peiffer is een vriendelijke prof, zeer aanspreekbaar, en steevast een half uur te laat. De lessen zijn wel niet bijzonder interessant gegeven. Hij past zijn lesvorm wat aan aan de grootte van de groep.

Cursus

Er is geen cursus van en ook op de slides staat niet zoveel, notities nemen is de boodschap.

Buis-o-meter

Het examen is straight forward. Bij indienen overloopt hij de vragen samen met jou en weet je dus onmiddellijk ongeveer hoe je het ervan af gebracht hebt

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2021-2022
  •  
  • 1) What are the criteria for the choice of the depth of a shallow foundation?
  •  
  • Discuss the vacuum extraction wells and the gravity wells : difference ? field of application, which result can be achieved.
  •  
  • Discuss CPT-diagram: soil nature, foundation level and type foundation.
  •  
  •  
  • Examen 2019-2020
  •  
  • *online dus iedereen had een andere CPT, Stress exercise en theorie vraag*
  •  
  • Q1: interpretation of CPT and proposal for type foundation and foundation level
  •  
  • Q2: determination of soil stresses – determination of stresses in point A and B: effective stresses, total stresses and water stresses
  •  
  • Q3: Webinar questions (op voorhand 2 vragen gekregen en die moeten oplossen ahv web lecture)
  •  
  • Q3: één vraag uit de volgende vragen:
  •  
  • 1. In case the execution of a shallow foundation is not possible because the necessary bearing capacity can’t be reached, which way the foundation concept can be modified, without considering a deep foundation
  •  
  • 2. In case the execution of a shallow foundation is not possible because the allowable settlement limits can’t be reached, which way the foundation concept can be modified, without considering a deep foundation
  •  
  • 3. Discuss the main classification scheme for piles. Give one examples of each category.
  •  
  • 4. Discuss the following soil retention techniques : sheet piles/berliner wall/piled wall
  •  
  • 5. Can you discuss the impact of pile installation on the environment depending on the type of installation
  •  
  • 6. Explain the difference between compaction grouting and VHP-grouting, can you also give practical applications for these types
  •  
  •  
  • Examen 2017-2018
  •  
  • 1. Exercise: calculate the soil stresse (exercise just like in the lesson)
  •  
  • 2. In case the execution of a shallow foundation is not possible because the allowable settlement limits can't be reached, which way the foundation concept can be modified, without considering a deep foundation?
  •  
  • 3. Exercise: CTP-diagram: identify the layers and describe them. Give a depth for a shallow foundation if possible and what are the criterias?
  •  
  •  
  • Examen 2016-2017
  •  
  • 1. Exercise: calculation of soil stresses
  •  
  • 2. Exercise: interpretation of a CPT-diagram : identification of soil, interpretation towards bearing capacity
  •  
  • 3. In case the execution of a shallow foundation is not possible because the necessary bearing capacity can’t be reached, which way the foundation concept can be modified, without considering a deep foundation.
  •  
  • 4. In case the execution of a shallow foundation is not possible because the allowable settlement limits can’t be reached, which way the foundation concept can be modified, without considering a deep foundation.
  •  
  • 5. Discuss the main classification scheme for piles. Give one examples of each category.
  •  
  • 6. Discuss the following soil retention techniques: sheet piles/berliner wall/piled wall
  •  
  • 7. Can you discuss the impact of pile installation on the environment depending on the type of installation.
  •  
  • 8. Explain the difference between compaction grouting and VHP-grouting, can you also give practical applications for these types.
  •  
  •  
  • Examen 2014-2015
  •  
  • 1. Exercise with soil (calculating stresses + discussing soil type)
  •  
  • 2. Explain: fysical plasticity (water content) and mechanical plasticity (due to the exceed load of the soil)
  •  
  • 3. How works the principle of CPT (M1) and how do you determine the characteristics of a CPT test (phi, c and C).
  •  
  •  
  • Examen 2012-2013
  •  
  • 1. Oefening stresslijnen
  •  
  • 2. Oefening CPT en uitleg over fundering
  •  
  • 3. Welke proef gebruik je om samendrukkingsconstante te bepalen?
  •  
  • 4. Berlinerwall uitleggen
  •  
  •  
  • Oudere examens
  •  
  • Bespreek Consolidatie ( -fysisch -mechanisch -nadeel)
  •  
  • Bespreek de verschillende zettingen (de verschillende zettingen die voorkomen in de tijd, dus s0, s1en s2)
  •  
  • Bespreek de sondering (uitvoering en resultaat)
  •  
  • Gegeven sondeergrafiek: interpreteren en fundeeradvies geven
  •  
  • Bespreek platicitieit
  •  
  • Bespreek Sonderingen (Cone Penetration Tests)
  •  
  •  

Leadership and Innovation for Geoscientists

Docent

Jos Decleer

De prof is een businessman, wel vriendelijk, heel aanspreekbaar.

Cursus

Chill vakje, punten makkelijk verdiend. Goed om een klein beetje achtergrond te krijgen in businesstermen. Maar vooral met veel dure woorden gooien en bitterweinig zeggen.

Buis-o-meter

  •  
  • TWIEOOS

Environmental Impact Assessment (keuzevak)

Docent

Kristine Walraevens

Het vak wordt gegeven door Kristine Walraevens, die je waarschijnlijk wel nog kent van de lessen teledetectie.

Cursus

Je krijgt een drietal keer les van 3 u waarin alles over MER uiteengezet wordt. Het ontstaan van MER, alle wettelijke aspecten, hoe een MER in elkaar zit, de verschillende disciplines ect.
Deze ppt van ongeveer een 200 slides is ook ineens de leerstof voor het examen.

Het examen zelf staat slechts op 30% van het totaalpunt voor dit vak. De overige 70% kan behaald worden met een groepswerk waar je zelf een project-MER gaat opstellen over een gegeven onderwerp (bv aanleg autostrade). De helft van de quotering staat op de gezamenlijke delen van het groepswerk. De andere helft staat op je persoonlijke discipline van het MER. Je gaat na wat de invloed is van het project op je discipline (bodem, grondwater, biodiversiteit, mens, geluid,…) Wekelijks kom je samen met je team en de assistent om te kijken hoever je staat met het MER, of er vragen zijn en wat er nog moet gebeuren

Buis-o-meter

  •  
  • TWIEOOS
  • Examen 2021-2022
  •  
  • Versie 1
  •  
  • 1) Waarvoor dient een MER? Op welke wijze kunnen de besluiten van MER een weerklank vinden bij de vergunningverlening?
  •  
  • 2) Hoe is de MER-plicht in Vlaanderen geregeld voor project-MER? Hoe is deze wetgeving ontstaan? Wat vormt de basis voor de MER-plicht?
  •  
  • 3) Wat zijn “alternatieven” in het kader van MER? Wat is hun belang en waarvoor worden ze gebruikt? Geef een voorbeeld.
  •  
  • 4) Wat wordt bedoeld met “ontwikkelingsscenario’s”? Waarvoor worden ze gebruikt? Geef een voorbeeld.
  •  
  • Versie 2
  •  
  • 1) Wat is een plan-MER? Welke voordelen biedt de opmaak hiervan? Geef een concreet voorbeeld.
  •  
  • 2) Welke plannen zijn in Vlaanderen onderworpen aan de MER-plicht? Verklaar.
  •  
  • 3) Wat zijn “alternatieven” in het kader van MER? Wat is hun belang en waarvoor worden ze gebruikt? Geef een voorbeeld.
  •  
  • 4) Wat wordt bedoeld met “referentiesituatie”? Hoe wordt ze opgesteld, en waarvoor wordt ze gebruikt?
  •  
  •